Martin ros - ‘mijn boek is een diabolisch panopticum’

Een gesprek met Martin Ros, schrijver van Jakhalzen van het Derde Rijk: Ondergang van de collabo’s 1944-1945. Uitgeverij de Arbeiderspers, 302 blz., f36,90
‘HET IS EIGENLIJK een grof schandaal dat ik dit boek heb moeten schrijven, een eenvoudige uitgeversknecht die zich iedere ochtend naar zijn werk moet slepen. Maar de historici hebben het laten afweten. Ken jij een boek als dit, dat zo breed is, dat alle aspecten van de collaboratie behandelt? Het bestond eenvoudig niet, kijk maar in mijn tien pagina’s tellende bibliografie. Allemaal detailstudies! Dit boek is uniek, echt waar!

Mijn boek staat als een boog tussen 1 januari 1945, als de laatste Duitse offensieven beginnen, en 8 mei 1945, de dag waarop de oorlog in Europa eindigt en een aantal Franse SS'ers die de Rijksdag hadden verdedigd door hun landgenoten worden gefusilleerd. Uit het boek worden twee zaken duidelijk. Allereerst dat het ging om een revolutionair, nationaal-socialistisch appel, en ten tweede dat de aanhang zo groot is geweest is dat je gerust kunt spreken van een Europese burgeroorlog, van een revolutie tegen de democratie. Ik heb het nagerekend, er waren minstens twaalf miljoen en maximaal zestien miljoen collaborateurs. Dan kun je toch wel spreken van een Europese burgeroorlog.
En dan bedoel ik dat niet in de zin zoals Nolte het voorstelt. Hij ziet het fascisme als een contrarevolutie, als een reactie op het communisme, en dat is onzin. Het was geen contrarevolutie, het was een revolutie, een authentieke revolutie tegen de democratie, tegen een humane samenleving. Dat revolutionair elan was na de Eerste Wereldoorlog bij links verdwenen. Het communisme was in de greep geraakt van Stalins terreur en stond in dienst van de Russische politiek, zodat men het niet meer kon beschouwen als een revolutionaire kracht. En de sociaal-democratie was natuurlijk verburgerlijkt.
Toen dook vanaf 1922, en vooral vanaf 1933, dat alternatief op van het fascisme en het nationaal-socialisme. Dat was een revolutie tegen de bestaande orde, waar ook een enorm radicaal-sociaal element in zat. Maar het belangrijkste was dat het het revolutionair elan teruggaf aan de nationale context. Het kende geen internationalisme, het was gebonden aan de traditie van het eigen land, aan de historische krachtenvelden van het eigen land. Daardoor kent elk land een andere vorm van fascisme.
Die combinatie, nationalisme en socialisme, dat was het. Die combinatie wordt gevreesd, die wil men niet erkennen, daarom heeft men het meestal over fascisme of nazisme, zelden over nationaal-socialisme.’ ‘DIT REVOLUTIONAIRE ideaal had grote aantrekkingskracht op een deel van de collabo’s. Die idealistische collaborateurs werden gekenmerkt door een absolute bezetenheid, ze waren bereid ook de heel erge dingen te accepteren. En het ergste was natuurlijk dat wat je overal terugvindt als een bijna spontane kracht die het fascisme een enorm opwaartse kracht gaf, het antisemitisme. Dit gaf het trouwens meteen een internationale context.
Ook als je al die verklaringen voor het antisemitisme leest, blijft het toch nog onbegrijpelijk. Eigenlijk kan alleen de overtuigde christenmens de oorzaak doorgronden, namelijk dat de joden ondanks alles toch het volk van God waren, dat het verbond nog altijd bestond. Daarom zit achter alle jodenhaat, achter alle pogroms, de duivel, die dat verbond immers niet kan uitstaan. Ik kan anders niet verklaren waarom het antisemitisme steeds zo massaal en zo spontaan als een revolutionaire volkskracht opkwam. Met steeds andere motieven, maar met steeds hetzelfde resultaat.
Door het antisemitisme is de collaboratie dus in de grond een onvergeeflijke zaak. En je moet niet aankomen met de opmerking dat de meeste collabo’s van niets wisten. Ze hadden het program kunnen lezen, ze konden het weten, ze konden zien hoe de joden behandeld werden! Dat ging toch veel verder dan “gewone” discriminatie. Na de Neurenberger wetten van 1935 kon iedereen weten wat de nazi’s wilden, en wie daar moedwillig de ogen voor sloot was even schuldig. Ik geloof er niets van dat al die middenstanders er geen flauw benul van hadden. Ze konden zich misschien niet voorstellen dat de joden werden uitgeroeid, maar in de grond vonden ze het prima. Daar ligt de verantwoordelijkheid van alle collaborateurs, ook van de NSB-stemmende melkboer in een Haagse volksbuurt.
Ik heb veel aandacht besteed aan het idealisme van veel collabo’s, zoals al die Bretonse boerenjongens die, opgezweept door de preken van kardinaal Baudrillard, zich meldden voor de kruistocht tegen het bolsjevisme. De collabo’s hebben uit zeer gevarieerde idealistische motieven voor het nationaal-socialisme gekozen, maar ze hebben, zeker na 1941, allemaal geweten - allemaal! - van het lot van de joden.
Dat antisemitisme is, goddank, de gemakkelijke, absolute factor om altijd 'nee’ te kunnen zeggen tegen het nationaal-socialisme. Neem nou Brasillach, deze vitale, lyrische, nostalgische, bevlogen schrijver die geen vlieg dood kon drukken, wiens werk een grote aubade aan het leven is, met zijn beschrijvingen van wandelingen in Parijs, van de geur van bloeiende voorjaarstuinen, van kunst en cultuur, en die dit alles kon verenigen met een hartstochtelijk beleden antisemitisme. Deze Brasillach schreef dus naar aanleiding van de gruwelijke vervolging van joodse kinderen, die in onbeschrijflijke kampen werden opgesloten: “Alle joden dienen nu verwijderd te worden, dus spaar de kinderen niet.”
Als het gaat om de demonie van het fascisme, wordt er altijd een kunstmatig onderscheid gemaakt. Mussert die klaverjast met die tante van hem en een glaasje boerejongens nuttigt: honderd procent Hollandse zaterdagavondgezelligheid. De man had toevallig alleen verkeerde politieke ideeen. Geniale schrijvers als Pound en Celine, die uit naiviteit of uit tegendraadsheid verkeerde keuzen maakten. Dat is allemaal gelul! Net zo goed als de truc die de psychoanalytische school uithaalt. Bijvoorbeeld de manier waarop Solange Leibovici Drieu la Rochelle afschildert als een geblokkeerde bordeelneuker, en die daar de joden de schuld van geeft. Ja, je kunt me wat!
Celine is aan de ene kant een groot schrijver en een sociaal zeer bewogen arts die veel over had voor zijn patienten, en aan de andere kant was hij een overtuigde, keiharde nazi. Hetzelfde zie je bij Ezra Pound, die nog altijd wordt verheerlijkt als de grote modernist, de vernieuwer van de poezie. Men heeft hem gek verklaard, zijn fascisme gebagatelliseerd, maar dat is onzin. Hij heeft in de oorlog vier jaar lang voor de Italiaanse radio praatjes gehouden en het eerste wat hij na zijn vrijlating deed, was de fascistengroet brengen. Hij knoopte ook al spoedig connecties aan met de Ku-Klux-Klan.
Maar dat grote kunstenaarschap en die perfide opvattingen kunnen samengaan. De mensen blijven er altijd moeite mee hebben dat grote literatuur geschreven kan zijn door afschuwelijke mensen. Als we die mogelijkheid onder ogen zien, dan onderkennen we de kracht en kwaadaardigheid van het fascisme.
Er is bij de collaborerende schrijvers heel sterk met twee maten gemeten. Dat zie je bijvoorbeeld aan het lot van Knut Hamsun. Wat heeft die nu helemaal gedaan? Welgeteld drie antisemitische uitlatingen, plus twintig pro-Duitse, en dat was het. Maar hij is naar Hitler toegegaan, niet om hem de hand te schudden maar om hem de les te lezen. De op monologen verzotte Hitler werd voor het eerst geconfronteerd met iemand die niet luisterde, want Hamsun was stokdoof, en die maar doorpraatte over alles wat er niet deugde bij de nazi’s. Hamsun heeft echt op minimale wijze gecollaboreerd, hij zat ook helemaal geisoleerd al die jaren, en toch is hij zwaar gestraft. De Noren hebben hem dan wel niet de doodstraf gegeven, maar ze hebben al zijn bezittingen geconfisqueerd. Hij zat echt als Lazarus op de stronthoop, hij is van ontbering gestorven, en dan kwamen die Noren ook nog zijn boeken over de muur gooien, zo van “Hier ouwe lul, vuile verraaier, hier heb je je boeken terug.” Dat is toch gruwelijk? En dan die Pound, die zo bewonderd wordt - ze moesten eens weten wat hij allemaal geschreven heeft.’ 'MIJN BOEK is natuurlijk een diabolisch panopticum, een misdadig rariteitenkabinet, maar dat komt omdat ik een zo compleet mogelijk beeld heb willen geven. Niet alleen de idealisten, maar ook de psychopaten. Een figuur als Petiot, die op eigen houtje joden vermoordde en midden in Parijs zijn eigen crematorium had, kon natuurlijk alleen toen zijn gang gaan, binnen die context, in dat Parijs waar al die verschrikkingen zich voltrokken.
Ik geef toe, het is geen orthodoxe wetenschappelijke studie volgens het boekje. Het is een worp, een spektakel, net als Malaparte, die was alleen oor- en ooggetuige. Dat ben ik niet, maar door een enorme hoeveelheid materiaal kan ik het bijna oproepen, als door een derde oog. En er is nog veel meer, maar dat komt in deel twee. En als dat tweede deel er is, dan moet men het geheel maar zien als mijn verlate dissertatie. Daar moet ik bij Brands toch makkelijk op kunnen promoveren, als je ziet wat dat cavalerievolk tegenwoordig allemaal aan proefschriften produceert. Daar steekt zo'n rijk, doorleefd, meeslepend boek als het mijne toch ver boven uit, vind je niet?’