‘Ziet u hoe eerlijk ik ben?’

Martin Simek interviewt Martin Simek

De kleuter Simek wist feilloos de waarheid van de leugen te onderscheiden, zoals iedereen achter het IJzeren Gordijn. Na veertig jaar Westen constateert hij dat waarheid en leugen in de westerse democratie zo vervlochten zijn dat ze nauwelijks nog uit elkaar te halen zijn.

Medium simek1

Wanneer hebt u voor het laatst gelogen?

‘Wanneer heb ik voor het laatst de waarheid gesproken? Alles hangt van de definitie af.’

Stelt u dan zelf een definitie van de leugen voor.

‘In de moderne democratieën is het intermenselijke verkeer op de leugen gebaseerd. De leugen is de smeerolie van de communicatie, maar die mantel van valse liefde maakt de communicatie anderzijds ook mistig.’

Hoe bedoelt u dat precies?

‘In Syrië zijn op het ogenblik alle partijen heel eerlijk bezig. De haat heeft het overduidelijk gewonnen van de beschaving. In Amsterdam zit ik regelmatig in een taxi met een Marokkaanse of Turkse chauffeur. Door mijn accent word ik automatisch voor een medestander aangezien. Als de Nederlandse Nederlanders ook maar zouden vermoeden waar ik op word getrakteerd, zou wie weet iedereen op Wilders gaan stemmen. Als ik geen accent had, zou ik die frustratie helemaal niet opgediend krijgen, of zeker niet zo heet geserveerd. Dat eerste zou jammer zijn, dat tweede maakt het gesprek mogelijk. Om mensen niet dodelijk te beledigen moet je liegen. En verder: liegen doe je ook om energie te besparen.’

Pardon?

‘Honderd procent eerlijk ben ik eigenlijk uitsluitend met mezelf. Met mijn naasten, mijn vrouw en vrienden, voor zo’n tachtig, negentig procent. Over het resterende grijze gebied, die tien, twintig procent die ik verzwijg, maak ik zo nu en dan grapjes in de hoop dat mijn naasten er hun voordeel mee zullen doen. Tegenover mensen die ik oppervlakkig ken sta ik mezelf uitsluitend toe om vrijuit mijn bewondering uit te spreken. Een kritisch oordeel bewaar ik voor mezelf, tenzij men er nadrukkelijk om vraagt, maar dan wordt het moeilijk, want advies dat je niet hoeft te betalen leg je toch naast je neer, weet ik als coach. Iemand gratis en ongevraagd met zichzelf confronteren is onbeleefd. Tegen de mensen die ik voor het eerst ontmoet ben ik de vriendelijkheid zelve, of ik ga ze uit de weg.’

Samenvattend: u begint poeslief, en tegen de tijd dat het hard tegen hard gaat is het liefde?

‘Als er zoiets als een ideale partner zou bestaan, dan hebt u de paringsdans die aan mij besteed is perfect weergegeven. Onconventionele eerlijkheid, openheid, is spannend, daarmee ontstaat een soort stout, samenzweerderig gevoel. Als twee mensen zo direct tegen elkaar zijn lijkt het soms voor de buitenwereld oorlog, terwijl het voor hen de zoete oorlog van het minnen is.’

In de taxi gaat u daarentegen geen strijd aan, begrijp ik? Daar toont u geen solidariteit met Nederlandse Nederlanders?

‘Nee. Ten eerste omdat ik op dat moment zelf een klant ben. En de meter geeft niet mijn tarief aan voor levenslessen. Ten tweede omdat ik doorgaans de taxi neem omdat ik haast heb. Als ik iedere keer dat ik Nederland en de Nederlanders moet verdedigen onthutst zou uitstappen, zou ik zo vaak te laat komen dat ik alom bekend zou komen te staan als onbetrouwbaar, wat op zijn beurt mijn getuigenis over de gemiddelde taxichauffeur met buitenlands bloed volledig zou ondermijnen. Want zegt u eens: wie gelooft nou iemand die een slechte naam heeft?’

Wat vindt u eigenlijk van de Nederlandse Nederlanders?

‘Daar hoef ik gelukkig geen antwoord op te geven, want ik ben zo geïntegreerd dat ik weet dat het in Nederland not done is om te generaliseren. In Tsjechië of Italië zou ik daarmee niet wegkomen, want dat generaliseren bij wijze van spreken is, beschouwt iedereen daar als een vanzelfsprekendheid, dus er is minder ruimte voor draaikonten.’

Toe, doe het voor mij, al ben ik vriend noch vrouw van u. Wees duidelijk!

‘Wat heb ik daarmee te winnen?’

Anders denkt men dat u zwijgt omdat uw oordeel negatief is.

‘Dus eigenlijk vraagt u: wat bewondert u in Nederlanders? Nou, dan geef ik rustig antwoord, want u zult zien dat me in dit geval het generaliseren wordt vergeven. Nuchterheid. Ik bewonder de Nederlandse nuchterheid. Het geduld, het geklaag, het eindeloze geklaag, dat bij geklaag blijft. Ik bewonder de nuchtere passie van het type: “Zullen we ons dan maar uitkleden?”’

Kom op, Simek, lieg niet! Hou ons Nederlanders niet voor de gek, vuile Oost-Europeaan.

‘En toch meen ik het. Ik bewonder altijd tot op zekere hoogte wat ik zelf niet kan, waar ik niet toe in staat ben. Niet dat ik zou willen veranderen, maar ik zou graag mijn repertoire willen uitbreiden. Op de vraag: “Hoe was je vakantie?” ook eens blij kunnen antwoorden: “Goedkoop!” Want er is geen Italiaan of Tsjech bij wie het op zou komen. Maar wie weet durven ze het niet, lafaards die ze zijn. Ze liegen! Het kostenplaatje, ook zo’n schitterend Nederlands woord, hoort er tenslotte bij.

Aan de zin “zullen we ons dan maar uitkleden?” die een Friese studente ooit op mijn studentenkamer uitsprak, heb ik trouwens een betoverende Tsjechische schoonheid te danken. Na de fluwelen revolutie in het Praag van 1990 heb ik haar, de bekende tv-presentatrice, met die zin versierd. We kwamen elkaar tegen op een drukke societygebeurtenis en nadat we die avond twee, drie keer naar elkaar hadden geglimlacht, blies ik haar en passant deze Friese zin in het oor – “Zullen we ons dan maar uitkleden?” – te midden van al die honderden uitgedoste mensen. Alles hangt van de context af. Met het kostenplaatje ga ik ook nog een keertje scoren, dat voel ik aan.’

En zo zijn we via de leugen bij de erotiek aangeland.

‘Ziet u hoe eerlijk ik ben? Mannen denken veel vaker aan seks dan ze toegeven. Toen ik net in Nederland kwam genoot ik op de tennisclub van een rijke, oudere man die iedere keer als hij het clubhuis binnenkwam luid en duidelijk riep: “Gegroet heren! En? Hebben jullie er nog aan gedacht?” Wie het eerlijk toegaf met een hoofdknik of door zijn hand op te steken kreeg een drankje aangeboden. Op het laatst stak haast iedereen zijn hand op. Logen ze of niet? Volgens mij niet, want al staken ze hun hand op alleen om een drankje te verdienen, dan nog bewezen ze hun geilheid. Wie geld ambieert, ambieert indirect ook macht en seks. Mag ik u zelf iets vragen? Al die miljoenen mensen die op dit moment all over de wereld in alle mogelijke talen de mantra “ik hou van jou” fluisteren, liegen ze of spreken ze de waarheid?’

Sommigen liegen, sommigen spreken de waarheid, neem ik aan.

‘Akkoord. Maar hoe vaak gebeurt het niet dat even later de leugen in waarheid verandert en andersom?’

Wat wilt u daarmee zeggen?

‘Dat leugen en waarheid vloeibaar zijn. Ze nemen de vorm, omgangsvorm, van de context aan in welke ze worden uitgesproken. Net zoals water de vorm van het glas aanneemt. Het zijn vloeibare begrippen en die kunnen dus ook verdampen. Verdampte waarheid kan een leugen worden, en een verdampte leugen kan waarheid worden.’

Medium simek2

Wanneer hebt u de leugen ontdekt?

‘Als kind al. Het werd me door mijn ouders bijgebracht. “Wat je thuis hoort, Martin”, kreeg ik als peuter te horen, “mag je nooit buiten de deur vertellen. Dan zouden wij in de gevangenis terechtkomen.” “En ter dood veroordeeld worden?” wilde ik weten. Ik was peuter in de tijden van de stalinistische processen in Praag, die dagelijks direct uit de rechtszaal via de radio werden uitgezonden. Sindsdien weet ik dat dingen voor jezelf weten te houden de eerste voorwaarde voor het grote liegen is. Later, voor school, moest ik allerlei leugens in mijn hoofd stampen die ik in ruil voor een voldoende overtuigend moest reproduceren. Het kon voor geschiedenis zijn, of voor maatschappijleer. Dat het me moeiteloos afging werd door mijn ouders verondersteld. Daar kreeg ik thuis niet eens een schouderklopje voor. Wel werd ik thuis nóg een keer overhoord. Nu moest ik vertellen hoe het echt zat. De waarheid was dan het tegengif dat ik kreeg toegediend om de leugens van het regime te neutraliseren, zodat ik niet geïndoctrineerd zou raken.

Onlangs kreeg ik een mail van mijn vriendje van de lagere school. Een zekere Jarda Valenta. Ik had hem sindsdien nooit meer gezien. Hij leeft in Zweden, blijkt, tenminste zo lang het nog duurt, want hij is terminaal. Hij had alle mogelijke moeite gedaan om me op te sporen en hij schreef: “Weet je nog hoe we met z’n duizenden op het Starometské Namestí moesten roepen Leve de Sovjet-Unie, Met de Sovjet-Unie voor eeuwig! en hoe jij me dwong om op dat ritme te scanderen Zwijnen, nog heel even en het is met jullie gedaan! Jij ging me voor, terwijl ik angstig om me heen bleef kijken. Vlak achter ons ontdekte ik twee leden van de volksmilitie. Toen heb ik je weggetrokken en wat mij betreft gered. Dat is in mijn beleving”, schreef Jarda me, “de dag waarop ik man ben geworden.”’

Ik kan me voorstellen dat u sinds uw vlucht in 1968 geen zin meer hebt om te liegen.

‘Ik ken toptennissers die geen zin hebben om te tennissen, omdat het ze al vanaf hun vierde wordt opgedrongen. Maar ze doen het toch, en graag, omdat ze het verschrikkelijk goed kunnen. Als je zo goed kunt liegen als ik zou je wel gek zijn als je daar geen gebruik van zou maken. Maar misschien is het niet waar, wat ik nu zeg. Misschien zeg ik het alleen maar omdat ik speels ben, en liegen is spelen, spelen met vuur. Dubbel aantrekkelijk dus, voor groot en klein.

Maar om serieus op uw vraag in te gaan: met honderd procent openheid ben ik ooit hier in het Westen begonnen. Men dacht dat ik getraumatiseerd was, of de taal niet machtig. Mijn grap “Kom snel weer eens langs elkaar praten!” werd begrepen als een foutief gebruik van de Nederlandse uitdrukking, en ik liet het uiteindelijk maar zo. Ik paste me aan, werd steeds vaker beleefd in plaats van altijd oprecht. In plaats van me kritisch op te stellen, ging ik des te meer luisteren naar de hartslag van mijn nieuwe landgenoten. Vaak met verbazing, zoals ik mijn nachtelijke radioprogramma altijd afsloot: “Blijf luisteren, blijf je verbazen, samen met mij.” Dat meende ik bloedserieus. Mijn uitlaatklep werden mijn cartoons. Van kritiek op de maatschappij heb ik nooit een halszaak gemaakt, ook niet in Italië. Ik doe mijn best om me als gast te gedragen waar ik ook ben, al trap ik toch nog wel eens met mijn maat 47 op lange tenen.’

Waarom bent u na de val de Muur niet terug naar Tsjechoslowakije gegaan?

‘Omdat ik ook daar na al die jaren buitenland een buitenstaander ben. En gast zijn in je vaderland doet pijn.’

Hebben uw kinderen het liegen al ontdekt?

‘Nog niet echt. Ze hebben wat slappe pogingen op hun naam, over een chocolaatje of zoiets. Maar het is de hoogste tijd voor het echte werk. Want de waarheid spreken kan nog gevaarlijker zijn dan liegen. En zeker in Calabrië, het rijk van de ’Ndrangheta, waar zij deels opgroeien. De kleinste, Nuru van zeven, heeft laatst tegen een man die niet goed bekendstaat gezegd: “Non mi rompere il cazzo”, zoiets als “Lul, laat me met rust”. De man behandelde hem met de lollig bedoelde neerbuigendheid van de dommen naar een kind, en daar houdt onze Nuru niet van, want hij wil serieus genomen worden. Daar kan ik me iets bij voorstellen, want dat had ik ook, als nakomertje. De huurmoordenaar beklaagde zich bij Iris, mijn vrouw: “Zorg dat je hem straft, anders doe ik het de volgende keer zelf.” “Daar kunt u op rekenen”, zei Iris snel. Ons zoontje viel haar in de rede: “Nou, reken daar maar niet op, want ik heb gelijk.” Iris gaf hem een luchtschop onder zijn kont en riep: “Naar huis jij!”

Thuis excuseerde ze zich voor de symbolische schop, nam potlood en papier, en tekende een klein kringetje. “Kijk Nuru, dit is onze familie. Binnen dit kringetje mag je alles zeggen. Als je papa een lul noemt zal hij niet juichen, maar hij zal je vragen waarom je dat zegt, of je beseft wat je zegt, of hij jou iets heeft aangedaan. Maar hoe dan ook, binnen dit kleine kringetje zijn we onder elkaar, hier wordt niet geslagen, hier wordt gepraat en begrip getoond. We houden van elkaar en we vertrouwen op elkaar. Rondom ons kleine kringetje zit nog een cirkeltje. Dat is de kring van vrienden. Daar zit Vittorio bijvoorbeeld tussen.” “Weet ik”, zei ons zoontje, “Vittorio, het kale bolletje.”

“Ja precies”, zei Iris, “en zoals je weet: je mag Vittorio rustig kaal bolletje noemen. Jullie houden van elkaar, hij heeft weinig haar en kan tegen een grapje. Rondom dit cirkeltje zit nóg een groter kringetje, van kennissen, buren, oudere mensen, die aardig voor ons zijn. Die groet je beleefd, en als iets je niet bevalt mag je ze er rustig op aanspreken, maar netjes, niet beledigend, niet brutaal. En tot slot heb je de kring van de buitenwereld, van mensen die je helemaal niet kent en die jou niet kennen. Daar heb je geen andere keuze dan beleefd zijn. Want onder hen zitten de mensen zoals Saverio, waar wij niets mee te maken willen hebben. En met die beleefdheid houd je ze op afstand. Als ze iets van je willen, zeg je: ‘Een andere keer, ik moet nu naar huis, ik ben te laat.’ Iemand waar we niets mee te maken willen hebben heb je vandaag beledigd. Je hebt onszelf, en ons allemaal uit ons kleine kringetje, in gevaar gebracht, begrijp je dat?”

“Waarom is hij gevaarlijk?” vroeg Nuru.

“Omdat hij net zo makkelijk een mens doodmaakt als wij een vlieg. Wij zijn voor hem een vlieg, dus we laten hem met rust. Buongiorno, buonasera, en daarmee basta. Begrepen?”

“Begrepen”, zei Nuru.’

Is het niet erg om je met zoiets bezig te moeten houden?

‘Het zal met mijn eigen jeugd te maken hebben dat ik het makkelijker vind om het verschil tussen zwart en wit uit te leggen dan een paarse regering of een paarse piet. Eerst moet je de basiskleuren leren kennen. Door aan een kind opening van zaken te geven vertrouw je hem een geheim toe. Dat maakte mijn leven spannend. Als ik andere kinderen op de kleuterschool zag vroeg ik me af of ze ook zo’n geheim hadden.

Ik leerde al snel meelopers van individuen te onderscheiden en kinderen van communisten van die van anticommunisten. Het zit er zo diep in dat ik tot op vandaag de mensen die ik ontmoet inschat op of ik bij ze in de oorlog zou durven onderduiken ja of nee. In Calabrië is het verschil tussen goed en kwaad evident. Je hebt er inderdaad mensen die voor geld anderen omleggen, maar er is ook de meerderheid, die liever in armoede leeft dan zich met misdaad in te laten. Hier in het Westen profiteren we met z’n allen van onze twijfelachtige welvaart, die we ten koste van zwakkeren hebben opgebouwd, en sussen we ons geweten met liefdadigheid. Dat valt aan een kind veel moeilijker uit te leggen, vind ik, te meer daar ik zelf niet weet hoe de vork precies in de steel zit. Ik wil niet alles voor zoete koek aannemen, maar ik wil ook niet paranoïde worden en in complottheorieën gaan geloven. Ons huichelachtige geweten is nauwelijks te volgen. De mens is er een kanjer in om zichzelf te belazeren als het hem zo uitkomt.’

Maar hoe moet het dan met al die eerlijke mensen, als vandaag eerlijkheid langzamerhand een synoniem is voor sulligheid of zelfs domheid, terwijl slimheid en geldingsdrang het synoniem is voor ‘winnaar’?

‘Ik ben bang dat we, voor we in de positie komen om de eerlijke mensen te kunnen helpen, nog heel veel moeten liegen.’

Beeld: Corbino / HH