Marvin Minsky, 9 augustus 1927 - 24 januari 2016

Marvin Minsky werkte zijn leven lang als een doctor Frankenstein aan slimme computers. Hij bevrijdde die van hun rol als opgeschroefde rekenmachine, in de overtuiging dat ze op een dag het mensenbrein zouden overtreffen.

In 1956 bracht een groep wetenschappers uit verschillende delen van de wereld de zomer door op Darthmouth College in de VS. Hun doel was een onderzoeksprogramma schrijven voor het ontwikkelen van slimme machines die alles konden wat tot dan toe aan de menselijke geest voorbehouden was. De Darthmouth Conference ging de geschiedenis in als het moment waarop de term ‘kunstmatige intelligentie’ werd gemunt.

Een van de prominenten op Darthmouth was Marvin Minsky, wiskundige, cognitiewetenschapper en computerexpert in een tijd waarin computers nog een studeerkamer vulden. Minsky, die onlangs op 88-jarige leeftijd overleed aan de gevolgen van een herseninfarct, was er stellig van overtuigd dat de mentale vermogens van de mens op een goede dag door elektronische circuits zouden worden geëvenaard. De laatste mijlpaal in de race tussen mens en machine heeft Minksy net niet meer meegemaakt. Kort na zijn dood werd bekend dat een computer de beste menselijke speler van het bordspel Go had verslagen met 5-0.

Minsky werd geboren in New York, studeerde op Harvard en Princeton en zat zijn hele loopbaan aan het Massachusetts Institute for Technology in Boston. Een korte tijd bij de marine aan het eind van de Tweede Wereldoorlog was ‘zijn laatste contact met niet-academische mensen’, zo vertelde hij ooit aan een journalist van The New Yorker.

Vanaf de vroege jaren vijftig werkte Minsky als een doctor Frankenstein aan slimme computers. Met onderdelen van een oude B-24 bommenwerper knutselde hij de eerste lerende machine in elkaar, met een intern geheugen en hendels om zichzelf te bedienen. Hij doopte zijn creatuur ‘Snarc’, een afkorting van ‘Stochastic Neural Analog Reinforcement Calculator’. Snarc kon niet veel meer dan fouten in zijn eigen systeem opsporen en corrigeren, maar legde de basis voor technologie die logisch kan redeneren, patronen kan herkennen en lerend vermogen heeft. Een latere versie van de Minsky-computer kon met muziek aangeven waar in zijn circuits bugs zaten, als een patiënt die pijn heeft.

Volgens een van zijn collega’s werd dankzij het werk van Minsky de computer ‘bevrijd’ uit zijn beperkte rol als opgewaardeerde rekenmachine. Het bouwen van kunstmatige intelligentie combineerde Minsky met speculeren over het robotbrein. Stanley Kubrick ging bij hem te rade toen hij eind jaren zestig werkte aan 2001: A Space Odyssey. Kubrick wilde weten of een sprekende computer in de lijn der verwachting lag.

In tegenstelling tot de meeste hedendaagse wetenschappers hoefde Minsky zich over geld geen zorgen te maken. Dankzij gulle beurzen van het Amerikaanse leger kon hij aan een succesvolle carrière bouwen zonder ooit een beursaanvraag te hoeven schrijven. Publicatiedruk was hem eveneens vreemd. Als jonge wetenschapper vond hij nieuw bewijs voor de Dekpuntstelling van Brouwer, vernoemd naar de Nederlandse wiskundige L.E.J. Brouwer die aantoonde dat wanneer je alle punten van bijvoorbeeld een bolvorm verplaatst om een nieuwe bol te maken er altijd één punt op zijn oorspronkelijke plek blijft staan. Minsky besloot zijn ontdekking niet te publiceren. Hij meende dat een wetenschapper drie, misschien vier echte ontdekkingen kon doen in zijn leven en hij wilde de wereld niet lastigvallen met deelresultaten.

Kubrick ging bij Minsky te rade voor A Space Odyssey

Voor Minsky bestond er geen wezenlijk onderscheid tussen kunstmatige en menselijke cognitie. Beide worden gevormd in neurale netwerken. De wetenschap omarmde dit paradigma. Het bestuderen van hoe een mensenbrein leert, en dat vervolgens digitaal proberen te simuleren, is nog steeds een vruchtbaar onderzoeksgebied. Minsky trok zijn fundamentele inzicht door naar de gehele kosmos. In zijn traktaat The Society of Mind uit 1986 schreef hij dat intelligentie niet iets individueels is, maar bestaat uit interactie tussen verschillende ‘agents’. En die kunnen net zo goed van vlees en bloed als van plastic en metaal zijn.

Af en toe flirtte Minsky met cyber-mystiek: ‘Het is heel goed mogelijk dat wij het product zijn van een of ander extreem krachtig gecompliceerd programma, dat draait ergens op een grote computer. Er is geen enkele manier om dat te onderscheiden van wat wij de realiteit noemen’, zei hij in een interview.

‘Binnen één generatie is het probleem hoe kunstmatige intelligentie te creëren volledig opgelost’, voorspelde Minsky in 1968. Dat was wat al te optimistisch, maar wel tekenend voor de verwachtingsvolle beginjaren van het kunstmatige-intelligentie-onderzoek. De vrees van sommige experts dat een op hol geslagen ‘superintelligentie’ de mens overbodig maakt of zelfs vernietigt, werd door Minsky weliswaar gedeeld, maar dat doemscenario kon volgens hem worden verhinderd door computers heel goed te programmeren.

Inmiddels overheerst de twijfel of de mens wel in staat zal zijn om zijn eigen technologische schepping onder controle te houden. De natuurkundige Stephen Hawking bestempelde kunstmatige intelligentie als een existentiële bedreiging voor de mens. Universiteiten doen volop onderzoek naar mogelijke scenario’s waarin robots de mens uitroeien, met kwade opzet of als ongelukkig bijgevolg van een plan dat de machines zelf verzinnen. Vorig jaar ondertekenden tientallen tech-prominenten en robotica-onderzoekers een open brief die vroeg om een moratorium op de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie voor oorlogsdoeleinden. Een mondiale robot-wapenwedloop moest volgens hen worden voorkomen.

En als de machines ons niet wegvagen, dan pikken ze onze banen wel in. Het overlijden van Marvin Minsky onderstreepte die zorg nog maar eens. Het tijdschrift Wired besloot zijn necrologie door een computerprogramma te laten schrijven.


Beeld: