Marx als stoephoer

Karl Marx, Das Kapital: Kritik der politischen Okonomie. Deel 23, 24 en 25 van de Marx Engels Werke, Dietz Verlag, 3073 blz., f0,50 per deel (30 april op de Amsterdamse vrijmarkt)
Das Kapital, eerste zin: ‘De rijkdom van samenlevingen waarin de kapitalistische produktiewijze heerst, verschijnt als een “verschrikkelijke opeenstapeling van waren”.’

De ‘verschrikkelijke opeenstapeling van waren’ staat tussen aanhalingstekens omdat het een citaat is uit een eerder werk van Marx, Zur Kritik der Politischen Okonomie. Daarin zegt hij het allemaal wat aanschouwelijker: 'In de levendige straten van Londen verdringt de ene winkel de andere. In hun holle glazen ogen staan alle rijkdommen van de wereld te pronken, Indische shawls, Amerikaanse revolvers, Chinees porselein, Parijse korsetten, Russisch pelswerk en tropische specerijen. Maar al die wereldse lustartikelen dragen op hun voorhoofd fatale kaartjes, waarop Arabische cijfers prijken, voorafgegaan door de lakonische tekens, sh. of d. Zo zien waren eruit wanneer ze in circulatie worden gebracht.’
Tussen beide citaten zit zo'n acht jaar. Wat is er misgegaan met Marx in die tijd? Wat heeft hem, de ooit zo begenadigde stilist, doen afglijden naar het zompige, onverteerbare proza van Das Kapital?
Als twintiger was hij een getalenteerd dichter uit de romantische school, die evenwel voor een naaldscherp puntdicht zijn hand niet omdraaide. Neem het volgende epigram, waarin hij zijn hele filosofische credo samenbalt: 'Kant und Fichte gern zum Ather schweifen,/ Suchten dort ein fernes Land,/ Doch ich such’ nur tuchtig zu begreifen,/ Was ich - auf der Strasse fand!’
Wist de grote dichter & denker toen al dat hij het wezen van de wereld zou aantreffen in een Londense winkelstraat?
Marx verruilde de filosofie en poezie voor de journalistiek, waar hij onmiddellijk zo'n brille tentoonspreidde dat hij, gemuilkorfd en wel, zijn biezen moest pakken naar Parijs.
Daar ontwikkelde hij zich tot een superieur polemist, die soms met machtige mokerslagen, dan weer met ratelende series stoten, de jong-, oud-, links- en rechts-hegelianen door de ring joeg. Men leze (Geheimtip!) het laatste hoofdstuk van Die heilige Familie, waarin hij een recensie die een van zijn tegenstanders gewijd had aan de beroemde damesroman Les mysteres de Paris van Eugene Sue, bijna zin voor zin en woord voor woord fileert. Een vijftig pagina’s lang hoogtepunt uit de polemische wereldliteratuur.
Let vooral op de manier waarop Marx zich gaandeweg dat geschrift volledig vereenzelvigt met de hoofdpersoon van de Mysteres de Paris, het hoertje Fleur de Marie. Want daarin ligt de sleutel tot Marx’ teloorgang als stilistisch genie. Ik ontleen de redenering aan de Franse postmodernist Jean-Francois Lyotard, hoewel die zelf het verband met Fleur de Marie niet legt. Waarom deed Marx er zo lang over om Das Kapital af te ronden? vraagt Lyotard zich af. Omdat in zijn borst twee zielen streden. Aan de ene kant de ziel van de gedreven aanklager, die met geheven vuist en blikkerende ogen de perversiteiten van het kapitalisme aan de schandpaal nagelt. Aan de andere kant de heftig tegenwerkende ziel van een verliefde deerne, die zich verlustigt aan de obscene uitstalkast van het kapitalisme - de etalages met shawls, korsetten en bontstola’s.
Vandaar dat Marx vijftien jaar heeft zitten zweten op zijn aanklacht tegen de lusten van het kapitaal. En vandaar ook dat onder het communisme de etalages zo leeg waren.