Popmuziek: Arcade Fire

Mary verdient geen liefde

Arcade Fire is het tegenovergestelde van een one trick pony: buiten de mainstream en tegelijk groter dan welke underground dan ook. Het nieuwste album Everything Now is op enkele nummers na een meesterwerk.

Medium muziek 2
Arcade Fire © Guy Aroch

Het is moeilijk om Arcade Fire niet enorm te bewonderen. Moeilijker is het om ronduit van ze te houden, daarvoor is het onmiskenbare charisma van voorman Win Butler wellicht te weinig op sympathie gebouwd. Arcade Fire is het tegenovergestelde van een one trick pony. De band heeft een volstrekt eigen positie verworven in de popmuziek (misschien alleen vergelijkbaar met Radiohead) door een begerenswaardige mate van autonomie uit te stralen. Buiten de mainstream en tegelijk groter dan welke underground dan ook.

De eerste single die het nieuwe album Everything Now voorging, het lichtvoetig gearrangeerde titelnummer, met dat Abba-achtige koortje dat die twee woorden herhaalde, was heerlijk, en gek genoeg niet eens ondanks maar dankzij dat werkelijk spuuglelijke motiefje rond dat refrein, dat klonk als een keyboardspeler die een panfluit naspeelde.

Toen moest de tweede single Creature Comfort nog komen, bijna gekmakend opzwepend, wat al begint bij de dreigende synths die zo uit een film van Nicolas Winding Refn lijken weggelopen. Laag op laag stapelen, broeien zonder te ontploffen: Creature Comfort grijpt meteen bij de lurven. ‘Some boys hate themselves/ Spend their lives resenting their fathers/ Some girls hate their bodies/ Stand in the mirror and wait for the feedback.’ Vier korte zinnen, een universum geschetst, een probleem geponeerd, inclusief de symptomen, en de oorzaken. En dat zingen met zoveel geknepen venijn, alsof hij de woorden eruit spuugt. Nog voor het refrein schroeft Butler de pijn op en zoomt hij verder in: ‘Saying/ God, make me famous/ If you can’t just make it painless/ Just make it painless.’ Zelfmoord, aandacht en erkenning: Butler begeeft zich op een weg die van valkuilen aan elkaar hangt. Dat moet hij weten, want wat hij hierna doet is even knap als fragiel: hij maakt het onderwerp persoonlijk en trekt het naar een eigen ervaring toe. ‘Assisted suicide/ She dreams about dying all the time/ She told me she came so close/ Filled up the bathtub and put on our first record.’ Dit had werkelijk zo ontzettend ijdel kunnen uitpakken, maar dat doet het niet. Het nummer is een wurggreep, tekstueel en muzikaal.

Neem Chemistry: het ritme is reggae, de gitaar is rock, de baslijn funk, de koortjes zijn soul. En alles tezamen is het Arcade Fire, de triomf van het eclecticisme. Laat een andere band het spelen en ze verslikken zich of hebben een punknummer in handen. Maar bij Arcade Fire leidt ook een eenduidige compositie niet automatisch tot een eenduidig nummer. Spel en productie zijn geen ondersteuning, maar tegenkleur. De band speelt haar eigen oppositie.

Een heel album vol met nummers met deze dwingendheid, en je hebt een meesterwerk. Arcade Fire kan dat. The Suburbs (2010), Neon Bible (2007), Funeral (2004): genadeloze albums. Dat is Everything Now niet. Electric Blue bijvoorbeeld, wat is dat voor niksigheid? Dat flauwe falsetje, die lauwe funk. Een vormexperiment vermomd als nummer. Het doet af aan het geheel, jazeker, maar niet aan de momenten waarop Butler raakt. Intens droevig stemmend, zo’n verhaal over het betreurenswaardige leven van hoofdpersoon Mary en haar geliefde in het twaalfde nummer. Drankproblemen, godsvrees, liefdeloze ouders, een kutnummer op de radio. En dan die verpletterend trieste conclusie: ‘Maybe we don’t deserve love.’


Arcade Fire, Everything Now