Maryse conde; afrika is geen heden voor mij’

Een gesprek met de schrijfster van Het valse leven (vertaling Eveline van Hemert, uitgeverij In de Knipscheer, 398 blz., gebonden f 55, paperback f49,50)
Ik hield van lezen! Ik vond het alleen jammer dat de boeken nooit gingen over mij, een kleine, zwarte negerin die geboren was in Riviere au Sel’, zegt een van de personages van Maryse Condes roman Tocht door de Mangrove. Het is een speelse verwijzing naar haar eigen autobiografie, want toen zij zelf jong was zocht ze naar die boeken over zichzelf als een speld in een hooiberg. ‘Ze waren er niet. Toen ik een kind was wachtte ik op die boeken. Maar je kan het nu niet meer zeggen, omdat er sindsdien heel wat romans geschreven zijn’, zegt Maryse Conde in haar trage Engels met slepende Franse tongval. Ze is in Nederland voor de Annie Romein Verschoor-lezing; het grauwe Hollandse weer had haar op het vliegveld echter al direct te pakken. Sniffend en snuitend staat ze mij te woord.

Haar eigen boeken gaan over ‘zwarte negers en negerinnen’ in Europa, Amerika, Afrika en de Antillen. En misschien schrijft ze inderdaad haar romans voor het kleine meisje dat ze toen was. Want het schrijven, zo zegt ze in elk interview ferm, doet ze voornamelijk voor zichzelf: 'Ik zie het niet als een taak om boeken te schrijven. You just do it! Het is geen missie. Als je schrijft, schrijf je alleen voor jezelf. De enige lezer die je in gedachten hebt, ben je zelf. Natuurlijk schrijf ik voor de Caribische mensen, dat is stilzwijgend aangenomen. Het zijn de lecteurs impliques. De Caribische dichter Aime Cesaire zei ooit op de vraag voor wie hij schrijft: “Mijn mond is voor hen die geen stem hebben.” Dat is heel mooi, maar het is een ouderwetse vorm van engagement die ik niet meer voel. De enige betrokkenheid van de schrijver moet bij de taal liggen.’
Maryse Conde werd in 1937 geboren op het kleine Frans-Antilliaanse eiland Guadaloupe en groeide op 'als ieder ander Frans meisje van de provincie’. Ze behoorde immers tot de zwarte bourgeoisie van het land, een bevolkingsgroep die zich als een volgzaam kind naar de Franse zeden en gebruiken schikte, die zich zo 'blank’ mogelijk gedroeg. In de jaren vijftig vertrok zij, als zo veel jongeren van haar generatie, naar Parijs om letteren te studeren aan de Sorbonne. Als jong meisje wilde ze niets liever dan Guadaloupe verlaten: 'Het was er doodsaai. Wij werden opgevoed met het idee dat het geluk te vinden was in het moederland, Frankrijk. Vooral Parijs was voor ons de plaats waar het echte leven zich afspeelde.’
In de jaren zestig leefde ze, wederom als kind van haar tijd, jarenlang in Afrika. Zij was rond de twintig toen de Afrikaanse landen hun onafhankelijkheid verwierven en zij was er, net als veel leeftijdgenoten, van overtuigd dat de ontwikkelingen in Afrika hun evenzeer aan het hart gingen als de mensen daar. Conde: 'Malcolm X kwam naar Parijs en zei dat de toekomst van de zwarten in Afrika lag. Ik las de gedichten en essays van Aime Cesaire die stelde dat alle zwarten, waar ze ook woonden, dezelfde cultuur hadden. Afrika was het echte moederland.’ De jaren die ze met haar Guinese man in West-Afrika doorbracht - in Guinee, Ghana, Ivoorkust en Senegal - waren echter een grote teleurstelling: 'Ik was er helemaal niet “thuis”. Er was daar armoede, politieke onderdrukking en corruptie, begaan door de zogenaamde socialistische zwarte leiders. De mensen hadden er, heel begrijpelijk, geen tijd om bij mijn Antilliaanse problemen stil te staan.’
In haar eerste roman Heremakhonon, als pocket uitgebracht onder de nieuwe titel De pelgrimage van Veronica, wijst zij de afro-mythe van de hand. Voor haar is het ideaal van raciale eenheid, het nostalgisch geloof in de zwarte mythe, vals. Ze moet niets hebben van de droom van een etnisch gekleurde eenheid: kleur wordt daarin verward met cultuur. Hoe aantrekkelijk die droom ook is: 'You know, juist als je deel uitmaakt van de diaspora droom je over Afrika.’
Pas in 1976, toen Maryse Conde een reis maakte langs de Niger, door Mali, zag ze een ander gezicht van Afrika. Ze typeerde de reis later als 'toerisme op zoek naar zichzelf’ en gebruikte de indrukken voor haar indrukwekkende epos Segou. Die imposante roman, die het resultaat was van tien jaar historisch onderzoek en uit maar liefst twee vuistdikke delen bestaat, beschrijft het hoogtepunt en verval van het Bambararijk, een machtig koninkrijk dat in zekere zin symbool staat voor Afrika en de zwarte wereld. Conde: 'Het is het verslag van mijn ontdekking van Afrika. Toen ik er woonde was ik verblind door de materie"le en politieke problemen die er speelden. Toen ik in Mali was, kreeg ik zicht op een oud en schitterend mooi Afrika dat verdwenen is door de huidige verwording van het continent.’
Segou is een monument voor Afrika; geen zoektocht naar haar eigen roots. Na haar nutteloze queeste in Afrika naar haar 'echte’ identiteit, schreef Conde genuanceerde essays over de complexe Antilliaanse inborst. Antillianen kunnen niet simpel het driedelige kostuum van de westerse identiteit aantrekken - dat merkt elke zwarte Antilliaan die verhuist naar het Europese 'moederland’ - en kunnen niet veilig terugvallen op hun Afrikaanse wortels. De Antillianen moeten kortom hun eigen identiteit smeden uit de smeltkroes van culturen op hun eilanden. Zwarten, mulatten, blanken en Aziaten wonen er vrijelijk door elkaar. Wat authentiek is, wat bij wie hoort, is niet meer te achterhalen. Maryse Conde vatte het gevecht voor een eigen identiteit ooit schertsend samen: 'Om met Simone de Beauvoir te spreken: ik ben niet als Westindische geboren, maar er een geworden.’
Onlangs verscheen de Nederlandse vertaling van haar in 1987 geschreven roman La vie scelerate, een omvangrijk en weergaloos boek dat zich op Guadaloupe afspeelt. Zoals Segou is geprezen als de grote roman over Afrika, zo wordt Het valse leven nu al de Antilliaanse roman genoemd. En dat lijkt mij volkomen terecht. Conde laat in het breed uitwaaierende epos zien hoe de rampzalige geschiedenis van de Cariben - een geschiedenis van slavernij, meedogenloze contractarbeid, racisme, onderdrukking - diepe sporen achterlaat in een zwarte, allicht exemplarische familie in de twintigste eeuw.
'Dit is inderdaad de eerste Antilliaanse roman’, licht Maryse Conde toe. 'Daarna heb ik al weer vier nieuwe romans geschreven, die voor een deel ook op de Cariben spelen. Toen ik Segou afrondde en in 1985 naar Guadaloupe terugging, moest ik een verhaal vinden dat goed bij me paste. Tijdens het schrijven van Segou was ik al tot de conclusie gekomen dat mijn volgende boek niet weer over Afrika moest gaan. We moeten ons niet steeds op het verleden richten, dat werkt verstenend, en Afrika is geen heden voor mij. In Guadaloupe was ik in het heden.’
Hoewel voor in de roman de plichtmatige opmerking wordt gemaakt dat elke gelijkenis met bestaande personen geheel op toeval berust, vertelt Conde onbekommerd dat Het valse leven de uiteraard gefictionaliseerde geschiedenis van haar familie is. Deed ze voor Segou en voor Tituba: de zwarte heks van Salem nauwgezet historisch onderzoek, voor Het valse leven dook ze het familiearchief in: 'Ik heb de foto’s gezocht die we nog hebben, de aantekenboeken, de dagboeken. Het was een recherche naar de binnenwereld van mijn familie. Ik moest dus ook mijn broers en zussen naar hun belevenissen vragen.’
Het valse leven wordt verteld vanuit het perspectief van een jonge vrouw, Coco. Zij is de laatste van de vier generaties die worden gepresenteerd. Het boek is de neerslag van haar speurtocht naar het leven van haar voorvaderen, een speurtocht die teruggaat tot haar in 1948 overleden overgrootvader Albert Louis. Conde: 'Zij zou mijn dochter kunnen zijn, ze heeft dezelfde verjaardag, in april 1960. Ik dacht dat het goed was om het verhaal vanuit haar te vertellen omdat er op die manier een kritische afstand is ingebouwd. Zij kan op een afstand beoordelen waar we faalden, wat we wel hadden moeten doen en wat niet. Zij praat over haar moeder zoals een jonge vrouw over haar moeder praat, met lichte verwijten. Het is fictie, dus je verdeelt jezelf tussen wat je voelt en je verbeelding van iemand anders.’
Een paar jaar geleden, zij was toen nog aan het schrijven aan de familiegeschiedenis, sprak Maryse Conde zich uit over de contouren die de Antilliaanse roman naar haar idee moest aannemen: hij moest verhalen over 'gewone’ mensen, moest met beide voeten stevig in het heden staan en een niet chronologische structuur hebben. 'Het valse leven is een soort “Segou du pauvre”, een “Segou van arme mensen”, geeft Conde toe. 'In Segou heb je een illustere familie dicht bij zwarte rand rondom foto laten staan de politieke macht. Zij maken geschiedenis. De familie in Het valse leven is bescheiden, zij heeft niets met de belangrijke beslissingen te maken. De roman gaat over de charme van gewone mensen. Aan het eind van de roman besluit Coco het boek te schrijven. Haar moeder was jaren geobsedeerd door het idee revolutionaire romans te schrijven. Haar moeder was ook gewend over grote, respectabele mensen te denken. Over revoluties. Coco komt er achter dat het een foute benadering is. Dat als je de beslissing neemt te gaan schrijven, je dat gewoon kan doen over mensen die je op straat ontmoet, die een heel gewoon leven leiden.’
Inderdaad neemt Conde via Coco ironisch afstand van vroeger gekoesterde denkbeelden. Nadat Coco met haar grootvader heeft gesproken en antwoord op eindeloos veel vragen heeft gekregen, wil zij de waarheid tonen, met haar gezicht vol wonden en littekens, en het verhaal van haar familie vertellen: 'Het zou mijn eigen monument voor onze doden worden. Een heel ander boek dan de ambitieuze boeken waarvan mijn moeder had gedroomd, “Zwarte revolutionaire bewegingen” en meer van dat soort dingen. Een boek zonder grote beulen of roemrijke martelaars, maar dat toch zijn gewicht aan mensenlevens in de schaal zou leggen.’
De zoektocht naar de Caribische identiteit, zo'n belangrijk thema van haar essays, speelt in de familieroman geen belangrijke rol meer. Conde lijkt te hebben geaccepteerd dat de geschiedenis en cultuur van de Cariben vooral overeenkomst vertonen met het onontwarbare wortelstelsel van de mangrovebomen die er zo volop groeien: 'Ik sprak vorige week met een Duitse journaliste en zei haar: waarom wordt het ons altijd gevraagd, schrijvers uit de derde wereld, hoe de zoektocht naar onze identiteit verloopt. Maar zelfs Marcel Proust is in La recherche du temps perdu op zoek naar zijn identiteit. Wie ben ik, waar kom ik vandaan, wat is mijn samenleving? - daar gaan zijn boeken over. Als een schrijver zeker is van zijn identiteit, als hij die door en door kent, zou hij niets produceren. Het is een cliche om de vraag naar identiteit alleen op de schouders van mensen uit de derde wereld te leggen. Het verschil is dat onze identiteit wordt gefixeerd door de buitenwereld. You, people of Europe, are doing that.’
De overgrootvader van Coco, Louis Albert, wordt geboren als zoon van een suikerrietplanter. Op de begrafenis van zijn vader zweert hij, als hij de kist met door de verzengende zon en harde werk verschrompelde lijk ziet, dat zijn lot anders zal zijn. Inderdaad verlaat hij als jongeman de plantage om zijn geluk te beproeven als arbeider bij de aanleg van het Panamakanaal. Conde: 'Hij wil de rest van zijn leven geen suikerrietplanter blijven, dus probeert hij een beter leven te vinden. Daarom gaat hij in ballingschap en als hij in Panama is, vertelt iemand hem dat als je naar San Francisco gaat, daar overal goud is, dat je het maar van de grond hoeft op te rapen. Dus gaat hij daarnaar toe. Hij is niet op zoek naar zijn identiteit, maar naar een betere manier om Louis Albert te zijn, om een mens te zijn. Want hij gelooft dat als je werkt op een suikerrietplantage, je niet echt een mens bent. Maar het is niet eenvoudig om op de sociale ladder te klimmen. Hij is zwart, hij is praktisch analfabeet, hij is gewend op het veld te werken. Niemand wil dat hij vooruit gaat. Dus heeft hij te maken met racisme. Hij ontmoet in Jamaica een man die een diepe indruk op hem maakt, Marcus Garvey, en hij wordt door hem beinvloed.’
Marcus Garvey, daadwerkelijk een historische persoon, keert meermalen in het boek terug als verpersoonlijking van het zwarte verzet tegen de onderdrukking: 'Er werd gezegd dat de woorden uit zijn mond golfden als een stroom lava van een vulkaanhelling en dat na zijn vlammende toespraken mensen die tot dan toe het hoofd hadden gebogen onder het gewicht van het treurige bestaan, het avontuur van de opstand met opgeheven hoofd tegemoet gingen.’
'Hij stierf in bittere armoede in Londen in 1947’, vertelt Conde. 'Gelukkig ontmoette hij voor zijn dood een man, een student van hem, die later president van Uganda werd. Daardoor werd er nog iets van zijn ideee"n gerealiseerd. Zo gaat het: telkens proberen mensen het leven te verbeteren en telkens worden ze geconfronteerd met een mislukking. En ze proberen het opnieuw. Voor mij is dat de schoonheid van het leven. Omdat je, ondanks alles, je er niet bij neerlegt. Je raakt niet ontmoedigd, je gaat maar door, op zoek naar vooruitgang. We houden van het leven en proberen het te veranderen. Maar weinigen van ons plegen zelfmoord. We vechten en gaan door. De familieleden in Het valse leven, tot de kleindochter Tekla toe, proberen een revolutie te bewerkstelligen. De enige die daar nuchterder over is, is Coco. Zij realiseert zich dat al die politieke dromen te groot zijn. Laten we maar proberen bescheidener te zijn.’
Het politieke ijveren van de personages in Het valse leven wordt dan ook spottend voorgesteld. Albert Louis en zijn zoon Jacob zetten zich wel in voor het zwarte ras; tegelijk zijn ze als kleine kapitalisten 'zwarte Shylocks’. Conde: 'Er is een zekere contradictie tussen hun ideaal om de zwarte man te leren zichzelf mooi te vinden, en wat zij feitelijk doen. Proberen geld te verdienen, is proberen rijker te worden. Daarvoor vernietigen zij mensen. Het is een soort waarschuwing dat we niet altijd trouw zijn aan onze idealen. Albert wil zijn volk helpen, maar tegelijk onderdrukt hij ze. Hij is gedwongen ze te exploiteren om rijk te worden. Het is heel makkelijk om mensen te veroordelen, om te zeggen die is slecht en die is goed. Ik wil, zoals elke romanschrijver, laten zien dat goed en slecht in werkelijkheid niet zo makkelijk te scheiden zijn.’
Misschien is dat ook een reden om over het heden te schrijven. Conde heeft namelijk meermalen verkondigd dat zwarte mensen graag vergeten dat ze niet alleen slachtoffer zijn, en hoe meer je het heden nadert, des te moeilijker is het daders en slachtoffers aan te wijzen. 'Wij zijn de grootste slachtoffers van de wereld, we hebben geleden, we worden als slachtoffers gezien. Tegelijkertijd zijn we verantwoordelijk voor onszelf en moeten we vechten. Dat is wat ik probeer. Mensen houden niet van dat soort redeneringen. Veel zwarte mensen oogsten liever medelijden. Daarom is het voor ons zwarten maar moeilijk in het heden te leven.’