Maskers waar niets achter zit

Herman Melville, De maskerade. Vertaling Anneke Brassinga. Uitgeverij Athenaeum, Polak & Van Gennep, 345 blz., 355,-
Zie voor de besprekingen van de overige genomineerde boeken voor het Groene-Boek van de Maand pagina 24.
ROEM IS vluchtig, een waan van de dag. Wat gisteren werd toegejuicht en bewierookt, is morgen vergeten. Wie vandaag een meesterwerk schrijft, doorstaat niet vanzelfsprekend de tand des tijds. Hoe het allemaal werkt, weet niemand, anders was het uitgeven van boeken ongetwijfeld een slaapverwekkend beroep. De marktwetten zijn ondoorgrondelijk, terwijl er velen zijn die menen die markt te kunnen manipuleren. Er zijn zelfs schrijvers die beweren dat ze een bestseller op bestelling kunnen schrijven. Maar de chemie van het succes blijft een geheim, alle elementen die ertoe bijdragen moeten samenvallen en samenwerken. Er is geen recept. Eén stoorzender en de schrijver kan het vergeten.

Bovendien, is de auteur die het publiek meent te kunnen bespelen wel te vertrouwen? Wordt niet uitgerekend hij, die de taal commercieel denkt te kunnen uitbuiten, vroeger of later ontmaskerd als een poseur, een querulant, een geldwolf of een oplichter?
Stelt u zich een negentiende-eeuwse Amerikaanse schrijver voor die een moeilijke start had. Zijn vader ging bankroet, in 1830. Hij was te goed van vertrouwen, deze calvinist die op God, de Deugd en de Voorzienigheid steunde en zijn verstand had verloren toen hij in 1832 stierf. De elfjarige zoon moest van school worden gehaald om zijn bijdrage te leveren aan het overleven van het grote gezin. Hij werd bankbediende, boerenknecht, assistent in de bontzaak van zijn oudere broer, dorpsschoolmeester, landmeter (bij de aanleg van het Eriekanaal), kajuitsjongen op een pakketboot. Uiteindelijk, na een mislukte reis in 1840 naar een oom in Mississippi, monsterde hij op 3 januari 1841 aan op de walvisvaarder Acushnet, waarna jaren van ontberingen, muiterij en overlevingszwerftochten onder menseneters op Stille-Zuidzee-eilanden volgen.
Maar dan is het genoeg. De zoon keert terug naar Amerika en neemt de pen op om over zijn avonturen te vertellen. Hij schrijft romans, gemaskeerd als reisverhalen, die een succes zijn. Gestimuleerd door de verkoop van zijn boeken waagt hij het een boek te schrijven (Mardi, 1849) dat weliswaar begint als reisverslag maar dat zich plotseling ontpopt als een zinnebeeldige speurtocht naar een verdwenen eiland. Zijn lezersschare vindt dat niet prettig. Zij willen meer van hetzelfde: avontuur, sensatie. Maar dat is op.
HERMAN MELVILLE, want over deze grote schrijver gaat het hier, wil de lezer niet dwarszitten, maar zijn pen lijkt een eigen wil te hebben. Die pen schrijft een boek - noem het maar een roman - dat de walvisvaart tot onderwerp verheft. Dat is niet zo verwonderlijk als men bedenkt dat de Amerikaanse economie anderhalve eeuw geleden, toen de aardoliewinning in Texas nog lang niet aan de orde was, stevig steunde op de walvisvaart. Dat boek, Moby Dick, or The Whale (1851) wordt verteld door een zekere Ismaël - ‘Zeg maar Ismaël’, luidt de beroemde openingszin - ooggetuige-verteller van het ondergangsverhaal van kapitein Ahab, die zijn zinnen heeft gezet op het vangen en doden van de albinowalvis Moby Dick, die jarenlang dood en verderf op de wereldzeeën heeft gezaaid.
De misleidende witheid of reinheid van de walvis verdoezelt wellicht het kwaad. Maar kan de wereld wel zonder meer in goed en kwaad worden onderverdeeld? Moby Dick, een potvis, is een versmelting van de bijbelse leviathan en het Egyptische monster Typhon, dat niet alleen de oceaan verbeeldt maar alles in de natuur wat de mens kwaadaardig gezind is. Herman Melville had zijn allegorische roman - waarin vertelling, essay, wetenschappelijke verhandeling, bijbelkennis, toneeldialogen en sterrenwichelarij perfect samenspannen - ook Moby Dick, de laatste tyfoon kunnen noemen.
Moby Dick was geen denderend succes, en de roman die erop volgde, Pierre, werd een regelrechte commerciële ramp. Het publiek was nog lang niet rijp voor een gecompliceerde psychologische roman (Henry James was toen een kind).
WAT TE DOEN als schrijver met een gezin? Melville schreef nog een verhalenbundel, The Piazza Tales (1856), en een roman, The Confidence Man: His Masquerade (1 april 1857). De bundel werd nog wel gewaardeerd, maar de roman kreeg een honend onthaal. Exit Herman Melville. Aan zijn vriend Nathaniel Hawthorne, aan wie Moby Dick is opgedragen, schreef hij al in juni 1851: 'Hoewel ik de gospels schrijf in dit land, ga ik dood in de goot.’
Zo'n einde à la Edgar Allan Poe was niet voor hem weggelegd, maar vergetelheid werd wel zijn deel. Een lezingentoer door Amerika mocht niet baten. Het jonge land was nog lang niet rijp voor de vrijzinnige, modernistische Melville.
Wat te doen als vader van een gezin? In 1866 werd hij douanebeambte in de haven van New York. Hij bleef schrijven - poëzie, uitgegeven in eigen beheer - en stierf op 28 september 1891, tweeënzeventig jaar oud, veertig jaar na de publikatie van zijn meesterwerk Moby Dick, als een vergeten schrijver. In zijn nalatenschap werd het schitterende prozawerk Billy Budd, Sailor aangetroffen, dat pas in 1924, in de tijd dat Herman Melville werd herontdekt, een uitgever vond.
Als ik dit levensverhaal aan Herman Melville zelf had kunnen vertellen, zou hij mij wellicht als fantast, flessentrekker, kwartjesvinder, leugenaar of oplichter betiteld hebben. Maar dit is zijn verhaal, zonder opsmuk. Ik hoor hem lachen, homerisch, en denken: dit is de grootste grap die ik jullie, lezers, heb kunnen leveren: beroemd, verguisd, vergeten, en weer beroemd, wereldberoemd. Wie doet mij, twijfelaar die zowel gelooft in de edele vermogens van de mens als in zijn kwade bedoelingen, dat na?
Toen ik Moby Dick herlas om mij voor te bereiden op de vertaling, na honderdveertig jaar, van The Confidence Man: His Masquerade, vielen mij deze zinnen op: 'Het is zonder meer duidelijk dat de kop van deze leviathan bij het levende dier in ongeschonden staat bezien, schedelkundig beschouwd op één grote misleiding neerkomt. Wat de ware hersenen betreft, daar valt geen spoor van te bezien of te bevoelen. Gelijk alle machtige zaken houdt ook de walvis een vals front voor de buitenwereld op.’ De potvis is gelaatkundig een sfinx, laat Melville ons geloven. In zijn aanschijn liggen vergelding, plotselinge wraak en eeuwig kwaad besloten. Misschien is hij wel het zinnebeeld van de wereldwijde samenzwering die het heeft voorzien op… ja, waarop?… op de menselijke goedgelovigheid en onnozelheid? Ik weet het niet.
MOETEN WE WEL zo zwaar tillen aan Melvilles boeken, met name aan The Confidence Man, nu door Anneke Brassinga in het Nederlands vertaald als De maskerade? Is zijn laatste roman niet eerder een komedie dan een satire, een taalfeest waarin alle woorden een masker dragen, een groteske en welbewuste communicatiestoornis waarbij een reeks van filosofen - Emerson en Thoreau voorop; hun zogenaamde spiritualiteit maskeert slechts materialisme - aan het kortste eind trekken? Het kan geen toeval zijn dat uitgerekend van The Confidence Man in 1982 een opera is gemaakt, waarbij het komische tot in de titel weerklonk.
The Confidence Man is een roman die zich op één dag afspeelt, 1 april, op de stoomboot Fidèle die de Mississippi tussen St. Louis en New Orleans bevaart. De Fidèle lijkt op een narrenschip vol idioten van diverse pluimage, een doorsnee van de Amerikaanse bevolking: 'Inheems volk in alle soorten, en buitenlands volk; plezier- en zakenreizigers; salonvolk en voortrekkersvolk; farmjagers en faamjagers; jagers op erfgenames en op goud, buffeljagers, bijenjagers, geluksjagers, waarheidsjagers en de nog fellere jagers op al deze jagers.’
Op het schip waart een man rond die zich in de meest vernuftige vermommingen kan hullen en eenieder om vertrouwen vraagt. Hij is de con(-fidence) man in vele gedaanten: de doofstomme man in het roomkleurig kostuum die zonder bagage aan boord komt en spreuken van Augustinus over naastenliefde op een leitje schrijft en dat de passagiers voorhoudt; hij is Swarte Guinje, een zwerver die de latere rollen van de con man weet op te sommen; hij is de rouwdrager John Ringman, de geestelijke, de kruidendokter en de kosmopoliet Frank Goodman. En deze man met de miljoen maskers probeert het vertrouwen van de passagiers te winnen door hen aan te spreken op hun gevoel voor naastenliefde. Onder het mom een collecte te houden voor het Weduwen- en Wezenhuis voor de Semiolen (indianen) zet de confidence man zijn propaganda voor geestelijke waarden om in klinkende munt. Ook de zogenaamde Zwartstroom Kolenmaatschappij, waarvan hij mede-eigenaar schijnt te zijn, mag zich verheugen in een grote belangstelling die in geld wordt omgezet. En de kwakzalver raakt heel wat geneeskrachtige kruiden kwijt aan mensen met kwaaltjes.
Toch gaat het in De maskerade eerder om het spel met identiteiten dan om de knikkers, hoe belangrijk die ook zijn als bewijs voor geleverd vertrouwen: 'Geen mens begeeft zich zonder doel in de massa, en dat doel van maar al te velen valt samen met dat van de zakkenroller: een portemonnee.’ Anneke Brassinga vertaalt dit voor mij veel te vrij als: 'Geen mens begeeft zich in het gedrang anders dan om te bemachtigen wat hij hebben wil; en maar al te velen willen hetzelfde als de zakkenroller - een vette beurs.’ Hoewel de geest van Wall Street boven de stoomboot Fidèle hangt en geld een grote verleider blijft, groeit Melvilles spel met vloeiende identiteiten uit tot een feest vol verrassende verschijningen en verdwijningen. Zelfs de scheepsbarbier laat zich overhalen om zijn bordje 'Geen krediet’ - bewijs van wantrouwen in de mens - even weg te halen als de kosmopoliet Frank Goodman op hem inpraat en na zijn scheerbeurt zonder te betalen verdwijnt in de nacht. Het is dan 2 april geworden, Fool’s Day is afgelopen en de jongleur van de maskerade rust even uit.
DE MASKERADE is altijd zeer populair in de Verenigde Staten geweest. Er bestaat zelfs een boek, van Gary Lindberg, over The Confidence Man in American Literature. Het rollenspel van de con man heeft alles te maken met de status van Amerika, het land waar je Amerikaan moet wórden door je oude identiteit af te schudden, te breken met het verleden. Om te kunnen overleven als 'nieuwe Amerikaan’ moet je flexibel opereren en inventiviteit aan de dag leggen. De Amerikaan heeft niet zomaar een zwak voor de intelligente oplichter; de con men behoren niet alleen tot de amusementsindustrie, ze zijn ook van economisch en literair belang. Emerson en Thoreau, die als Mark Winsome en Egbert in The Confidence Man hevig worden bekritiseerd om hun koele filosofengedrag dat geen naastenliefde veelt, schreven erover, maar ook Melvilles vriend Nathaniel Hawthorne (The Scarlet Letter), Mark Twain, F. Scott Fitzgerald (The Great Gatsby), Ernest Hemingway (de Nick Adams-verhalen), Ralph Ellison (Invisible Man), Toni Morrison, William Gaddis, Thomas Pynchon, William T. Vollmann, David Foster Wallace en Paul Auster. Gaddis’ roman The Recognitions is zelfs een hommage aan Melvilles laatste roman, tot in de manier waarop de con men beschreven worden (de man met de reispet - Melville; de man met de koortsogen - Gaddis).
The Confidence Man gaat om het menselijk vermogen plotseling te kunnen veranderen. De roman staat vol met aanschouwelijke, meeslepende vertellingen over mensen die van gedaante verwisselen (Augustinus, de indianenhater John Moredock, China Aster, in wie we Melvilles vader een beetje mogen herkennen) of iets tegenstrijdigs in hun karakter hebben. Melville houdt in enkele essayistische intermezzi een pleidooi voor de wereld als schouwtoneel en voor mensen als acteurs die maskers dragen waarachter niets zit. Iedereen gaat helemaal op in zijn rol.
Melville is voor een verhevigde werkelijkheid in de kunst, dat wil zeggen voor meer realiteit dan het echte bestaan te bieden heeft. Het leven is een gekostumeerde picknick waaraan iedereen meedoet en de idioot kan uithangen. De mensen in een roman of toneelstuk moeten zich kleden zoals niemand zich kleedt, praten zoals niemand dat doet. 'Voor een roman geldt hetzelfde als voor godsdienst: hij dient een andere wereld te tonen, een waarmee wij toch verbinding voelen.’
DEZE KUNSTMATIGE opvatting van de roman - een kunstwerk van taal dat verlicht en misleidt - is uiterst modern, zoals ook Melvilles manier van vertellen van deze tijd is. Als fictie een vorm van bedriegen is (onwaarheden vertellen) en lezer en schrijver zijn overeengekomen dat er een verbond en een band is, wil Melville via zijn zogenaamde alwetende verteller (maar weet die wel alles?) dat verbond verbreken. Wat moet de lezer met Melvilles verhalen uit de tweede en derde hand, zijn raamvertellingen waarvan het kader niet eens vaststaat, zijn vermenging van feit en fictie? Kan de lezer de verteller nog wel vertrouwen?
Het is die ongemakkelijke leeshouding die een hoofdstut vormt van de ironische en satirische taalhumor in The Confidence Man, een humor die tegelijkertijd de goedgelovigheid van de (lezende) mens ondermijnt.
Over de vertaling van Anneke Brassinga - waarbij een notenapparaat zoals de Penguin Classics-editie kent, helaas ontbreekt zodat vele verwijzingen duister blijven voor de hedendaagse lezer - heb ik zeer gemengde gevoelens, zoals ik al heb laten doorschemeren. Ondanks prachtige vondsten ('gentleman-madman’ wordt 'heer van krankzinnige stand’) en het laten herleven van een reeks in onbruik geraakte woorden ('verlijen’, maar ook, helaas, het Vlaamsachtige 'doorheen’) vind ik ook dat ze soms veel te vrij of inconsequent vertaalt ('purse’ wordt plotseling 'vette beurs’; 'charity’ vertaalt ze eerst met 'liefde’, dan met 'barmhartigheid’ en 'naastenliefde’) of omslachtig, zoals het fragment over de zakkenroller, maar ook bij Melvilles versie van Drydens Vergilius-vertaling, daar waar Aeneas’ wond dankzij kruiden en de geest van Venus geneest: 'This is no mortal work, no cure of mine,/ Nor art’s effect, but done by power divine’ wordt bij Brassinga: 'Deze zaken gebeuren door geen mens, noch mijne kunst,/ noch ’t raken van mijne hand geenszins:/ hier dringt een godheid door.’ Van twee versregels maakt zij er drie en het rijm is weg. Ik noem het een archaïsche vertaling die Drydens poëzie nodeloos ouderwets en omslachtig maakt.
AL HET PROZA van de Amerikaanse grootmeester Herman Melville zou in het Nederlands verkrijgbaar moeten zijn. Maar in de boekhandel is alleen zijn debuut Typee, een pocket van Moby Dick en deze vertaling van The Confidence Man (waarom vertaald als De maskerade en niet Zijn maskerade, om Melville als ontsnappingskunstenaar erbij te betrekken?) te vinden. En die laatste roman van Melville, waarna hij tientallen jaren uit de literatuur verdween, blijkt nu een immense invoed te hebben op de huidige Amerikaanse literatuur. Wie zou, bijvoorbeeld, Paul Auster zonder Melville zijn? Een veel mindere schrijver, misschien wel iemand van wie we nooit gehoord zouden hebben, zoals we het ook een halve eeuw zonder Herman Melville moesten stellen. Maar hij is terug, om nooit meer weg te gaan.