Televisie: I Love Venice

Massa

Voor we iets in werkelijkheid zien (Matterhorn, Vermeer, sovjet-oorlogsmonument) kennen we het al van afbeeldingen. Meestal blijkt het origineel groter, kleiner, mooier, afschuwelijker dan we dachten. Maar hebben we het eenmaal ‘echt’ gezien, dan roept voortaan zelfs de armzaligste afbeelding die ‘ware sensatie’, ontroering of afschuw, terug.

Sinds ik een gigantisch flatgebouw traag over het Noordzeekanaal zag schuiven terwijl ik de Coentunnel in reed en vanwege sciencefictionervaring bijna de macht over het stuur verloor, betekenen cruiseschepen ook op televisie iets anders. In de documentaire I Love Venice vaart er af en toe eentje die lagune in. Gruwelijke aanblik door de botsende schaal van oude stad en nieuw schip, nu verhevigd door ‘eigen ervaring’. Die gruwel is nog versterkt doordat we dankzij de filmers naar die kolossen kijken door de ogen van activisten – Venetianen die zich verzetten tegen het massatoerisme dat de stad overdag themapark en ’s nachts dode stad maakt. En door het besef dat hun nietige demonstratie op een overvolle kade vanaf die reuzenboot nauwelijks opgemerkt wordt, terwijl hij tegelijk wel door duizenden camera’s van opvarenden wordt vastgelegd: je filmt nu eenmaal je aankomst in wat als hoogtepunt van de westerse cultuurgeschiedenis en dus van de cruise geldt. De demonstranten zijn creatief, theatraal verkleed en trekken met leuzen de aandacht. Vrolijk zwaaien passagiers terug: wat een aardige ontvangst en dat door echte inboorlingen. Het is de paradox van massatoerisme: doordat volksstammen ‘the real thing’ willen valt dat letterlijk en figuurlijk niet meer te zien.

Gezien de rijen voor het Rijks vraag ik me af of ik Het joodse bruidje ooit nog voor mezelf zal hebben, zoals ooit Van Gogh. Terwijl ik Amsterdammer ben! Zo wordt men elitair xenofoob. Ons soort is immers nooit toerist maar bereist als Herodotus de wereld, kijkt als Van Gogh naar een schilderij en vindt moeiteloos het laatst overgebleven ‘authentieke’ cafeetje, pension, oude moedertje. Zijn wij jong dan zetten we dat op Facebook. Hoe meer toeristen, des te minder Venetianen blijven over vanwege onleefbaarheid en onbetaalbaarheid. Woonhuis wordt bed breakfast. Het inwonertal rond 1950 was 120.000. Toen het recent de zestigduizend naderde, plaatste de actiegroep een lichtkrant waarop de stand wordt bijgehouden. Tijdens het maken van de film waren het er nog 58.679 van wie de meesten bejaard. Twintig jaar geleden werd het ooit vermaarde carnaval door de middenstand leven ingeblazen omdat het winterseizoen slapjes was. Succes fou, waardoor de overgebleven bewoners in die voorheen stille periode op de vlucht slaan.

De makers bouwen de gruwel visueel langzaam op: beginnend in de winter lijkt het nog te doen, al zien en horen we al de lamentatio van actievoerders. Langzaam wordt het erger en krijgt ook de kijker het Spaans benauwd van schuifelende mensenmassa’s en gondelfiles in smalle kanalen. Mooie monologen van mensen die hun stad en verleden al lang kwijt zijn voor ze zelf vertrekken. Weemoed en vergeefsheid is de grondtoon; machteloos lijkt het artistiek getinte verzet. Al is er de concrete eis van een maximum aantal bezoekers per dag. Waar het stadsbestuur geen oren naar heeft vanwege de inkomsten. Lang geleden was ik in Venetië, een halve middag. Wonderbaarlijk. Zelfs de San Marco goed te doen. Natuurlijk zou ik ooit terugkeren, en dan langer. Maar het is te laat. De stromen uit India en China komen pas op gang.


Quirine Racké, Helena Muskens, I Love Venice, VPRO, Holland Doc, woensdag 5 juni, Nederland 2, 23.00 uur