De lessen van Dr. Strangelove

Massamoord als grap

Dr. Strangelove van Stanley Kubrick is de ultieme Koude-Oorlog-film. Kubrick leerde ons: aan feiten hebben we niets. Dan liever de grap. De leugen.

IN HET ATOOMTIJDPERK kwam het woord ‘megadeath’ in gebruik, een woord waarvoor geen Nederlands equivalent bestaat dat de poëtische lading ervan volledig dekt. Megasterfte, massasterfte of massamoord? Massaslachting? Het punt is dat 'megadeath’ in de Angelsaksische volksmond iets 'gaafs’ suggereert, ook al ontlokt het woord visioenen van massadestructie uit de Koude Oorlog. Misschien is dat het punt: deze beelden zijn een vruchtbare voedingsbodem voor populaire anti-utopische verhalen: in de postapocalyptische Britse strip Judge Dredd heet de verloren stad Mega City One, en begin jaren negentig maakte de Amerikaanse heavymetalband Megadeth het bekroonde album Countdown to Extinction.

De bron van dit 'sexy’ gebruik van het voorvoegsel 'mega’ is in werkelijkheid veel serieuzer, namelijk de Amerikaanse wetenschapper en strategische denker Herman Kahn. Kahn, geboren in New Jersey in 1922 en opgegroeid in de Bronx, publiceerde in 1960 in dienst van Rand, de researchafdeling van de Amerikaanse luchtmacht die in die tijd het atoomarsenaal beheerde, het standaardwerk On Thermonuclear War. Kahn hield zich bezig met het hypothetische geval waarin miljoenen mensen in één keer komen te overlijden. Een megadeath.

'Mega’ is ook waar het Buck Turgidson om te doen is. Daarom heeft deze generaal de map 'World Targets in Megadeaths’ bij zich als hij in de War Room in aanwezigheid van andere leidinggevenden overlegt met president Merkin Muffley over het probleempje van de Amerikaanse B52 die over exact een kwartier een atoombom in Rusland zal laten exploderen. De oplossing die Buck uit zijn map tovert is eenvoudig: een totale, pre-emptieve aanval. Mega, dus.

'Want, meneer de president’, zegt Buck triomfantelijk, 'het moment van de waarheid is aangebroken. Ja, de waarheid kan hard zijn. Maar we moeten kiezen tussen twee ongelukkige maar duidelijk te onderscheiden naoorlogse werkelijkheden: in de ene heb je twintig miljoen doden en in de andere 150 miljoen doden.’

Muffley, van zijn stuk gebracht: 'Maar dat is geen oorlog, dat is massamoord!’

Buck straalt. 'Ik zeg niet dat we geen klap zullen krijgen. Ik zeg wel: tien tot twintig miljoen. Hooguit!’

Hoe Buck dat zegt - ogen glimmend, kauwgom in de mond, pompende kaken - illustreert de ondertoon van Stanley Kubricks Dr. Strangelove, Or: How I Learned to Stop Worrying and Love the Bomb (1964), namelijk: massamoord als grap. Het idee voor deze benadering ontstond terwijl Kubrick en producent James B. Harris ’s avonds laat aan het script werkten en door verveling of vermoeidheid of beide melig gingen doen. Het bronmateriaal, de roman Red Alert, geschreven door een voormalig Brits geheim agent, is juist nuchter en feitelijk. Maar Kubrick besefte al gauw dat het gegeven te bespottelijk voor woorden was: twee supermachten die de totale uitwissing van de aarde in gang zetten door onwillekeurig een doomsday-apparaat te activeren? En een waanzinnige Amerikaanse luchtmachtgeneraal die een vloot atoombommenwerpers op Rusland af stuurt? Ongeloofwaardig. Absurd. Dat was het natuurlijk ook. En toch, hoe vertel je zo'n verhaal?

Nog iemand worstelde met precies dezelfde vragen: de wetenschapper Herman Kahn. En Kubrick kwam in contact met hem. Tijdens de productie van Dr. Strangelove overlegden de regisseur en de strategisch denker herhaaldelijk. Het klikte. Kahn had gevoel voor humor, wat in het veld waarin hij werkte niet altijd op prijs werd gesteld. Toch moest zijn op het oog 'artistieke’ benadering enigszins begrijpelijk zijn geweest. Immers, een vorm van 'spel’ lag ten grondslag aan de theorieën waarmee Kahn en zijn collega’s bij Rand zich aan het begin van de Koude Oorlog bezighielden. Vragen als hoeveel miljoen mensen tijdens een atoomaanval moesten overlijden, wilde Amerika het overleven. Scenario’s - dat woord alleen al: alsof het om een toneelstuk of film ging.

In haar boek The Worlds of Herman Kahn (2005) analyseert Sharon Ghamari-Tabrizi de culturele betekenis van Kahn. Volgens haar heerste er tijdens de Koude Oorlog een 'avant-gardesfeer’ bij Rand waarin de wetenschapper zich thuis voelde. Zijn creatieve geest paste bij de problematiek: hoe je je het uitwissen van vele miljoenen mensen tegelijkertijd voorstelde. Hoe je 'Iets’ uit 'Niets’ fabriceerde. Het bleek een taak die perfect paste bij Herman Khan, een 'virtuoos’ als het ging om 'onbekende onbekendheden’, aldus Ghamari-Tabrizi.

Juist op dit punt vonden Kubrick en Kahn elkaar. Beiden stonden voor dezelfde taak: een angstig publiek ervan overtuigen vrijelijk over de atoomoorlog na te denken. Hun oplossing: groteske humor. Relativering was cruciaal, vonden beiden. Kahn: 'Wie wil analyseren, veranderen of kritiseren, kan beter een humoristische benadering gebruiken.’ En Kubrick: 'Waarom zou je over de Bom moeten nadenken terwijl je je in een staat van verwondering bevindt? Verwondering is een verlammende manier van denken.’ Het hek was van de dam, Dr. Strangelove werd een comedy. Kubrick kon niet meer schrijven zonder zich kapot te lachen.

Het hardst lachte hij bij zijn mooiste schepping: Dr. Strangelove, de aan een rolstoel gekluisterde, Duitse wetenschapper die president Muffley adviseert over nucleaire zaken. En over de werking van de Doomsday Machine, een apparaat dat de wereld niet alleen in geval van een aanval zal vernietigen, maar ook wanneer men zou proberen het te deactiveren. Het blijft onduidelijk op welke historische figuur Kubrick zijn Strangelove precies baseerde. Kahn zelf? Of Edward Teller, vader van de waterstofbom? Of Henry Kissinger, die toen al naam maakte als strategisch denker? Of zelfs Wernher von Braun, de vanuit Duitsland naar Amerika gevluchte raketwetenschapper? Misschien is Strangelove een amalgaam van al deze figuren die allemaal clownesk tot op het bot zijn, potsierlijk in lichaam en geest, maar desalniettemin dodelijk gevaarlijke geopolitieke rolspelers.

DR. STRANGELOVE komt slechts een paar minuten lang in beeld, maar zijn thematische betekenis overheerst de hele film. Om te beginnen zijn naam. Kubrick speelt in de hele film met namen: Turgidson (turgid: opgezwollen of moddervet), generaal Ripper (naar de seriemoordenaar) of Muffley (to muff: zichzelf belachelijk maken). En 'Strangelove’. Vreemde liefde. Oftewel de perverse aantrekkingskracht tussen mens en machine. De connectie tussen mannelijke seksualiteit en een atoomoorlog is al aanwezig in de openingsbeelden waarin een bommenwerper in het luchtruim wordt bijgetankt met een lange slurf: de belofte van seks vervat in het beeld van een dreigende megadeath. De ironie hierbij is dat de mannen, Turgidson uitgezonderd, tamelijk impotent overkomen. Vooral Ripper, de waanzinnige generaal om wie het allemaal begonnen is, die eigenlijk heel sympathiek uit de doeken doet dat hij van vrouwen houdt maar er toch voor kiest zijn 'kostbare lichaamsvloeistoffen’ voor zichzelf te houden.

Ook Dr. Strangelove is slechts een halve man; hij zit in een rolstoel en heeft een mechanische arm. Deze fusie tussen het menselijk lichaam en apparaten of machines, waardoor menselijke eigenschappen steeds meer vervagen, is een terugkerend motief in veel van Kubricks films, zeker in Dr. Strangelove, in de eerste scène al: we zien een kamer vol met computers zo groot als kasten en een lange rol printerpapier waarachter kapitein Mandrake beteuterd verschijnt, alsof hij de weg kwijt is geraakt in een oerwoud van technologie, of alsof hij onwillekeurig een verlengstuk van de machines is geworden. En even later: het beeld van een gracieuze B52, verleidelijk doorschijnend geplaatst over dat van het in een bikini gestoken lichaam van Turgidsons secretaresse.

Hoe erotisch de technologie ook is, juist het falen ervan leidt tot massavernietiging. In de bommenwerper waar majoor Kong de leiding heeft, werkt de radio niet. De bemanning is nauwelijks te onderscheiden van het elektronische netwerk van knopjes die moeten worden bediend om de missie succesvol te voltooien. De mannen zijn radertjes, niets meer. Behalve de bevelvoerder: majoor Kong, onvergetelijk gespeeld door Slim Pickens, en misschien wel de grote ster van de film. Kong is cowboy in hart en nieren; Pickens vertoefde in het echt jaren in het rodeocircuit van Amerika. In de magistraal opgezette finale scènes doet hij zijn cowboyhoed op en komt in actie wanneer een mechanische fout met de deuren van de bommenwerper de missie alsnog dreigt te laten mislukken. De ontknoping is hilarisch, opwindend en vol ironie: de mens herstelt de technische fout waardoor de atoombom alsnog kan worden geworpen, met Kong erop, rijdend als een rodeocowboy, schreeuwend van plezier zijn dood tegemoet gaand. En die van de aarde. Want de Doomsday Machine wordt seconden later geactiveerd.

DR. STRANGELOVE is de ultieme Koude-Oorlog-film, een duistere grap, een inspirerend sprookje. Het werk heeft na al die jaren niets aan artisticiteit of ideologische zeggingskracht ingeboet. Dat komt doordat het idee van megadeath springlevend is, door 11 september 2001 en de nieuwe geopolitieke werkelijkheid die erna ontstond. Hoewel, 'werkelijkheid’? Als Dr. Strangelove iets laat zien, is dat wel dat het allerminst om harde feiten gaat in het wereldje van het internationale strategische denken. Meer om 'scenario’s’, in het jargon van Rand-wetenschapper Herman Kahn, die in de jaren zeventig en tachtig een soort futuroloog werd die voorspelde dat de mens het heelal zou koloniseren en die zich vlak voor zijn dood een fervent aanhanger van het beleid van Ronald Reagan toonde.

Dit leerden Kahn en Kubrick ons: feiten zijn onvoldoende om een megadeath uit te leggen of te analyseren of te voorspellen. Want feiten zijn te groot en te echt. Dan liever de grap. De leugen. Liever de 'onbekende onbekendheden’ van Ghamari-Tabrizi. Met 'onbekende onbekendheden’ refereert de auteur aan de goocheltruc van de Amerikaanse defensieminister Donald Rumsfeld, die in 2002 de wereld ervan overtuigde dat megadeath het gevolg zou zijn indien men Saddam Hoessein niet hard aanpakte. Dat deed Rumsfeld met khaniaanse Koude-Oorlog-retoriek die evengoed bij een stand-up comedian zou hebben gepast: 'There are things we know… we know. There are known unknowns, things… we now know we don’t know. But there are also unknown unknowns. Things we don’t know we don’t know.’ (Overigens schreef Rumsfeld het boek Known and Unknown: A Memoir.)

Inmiddels is natuurlijk duidelijk waar het Rumsfeld om ging: scenario’s. Een script. Een verhaaltje. Totale fictie. En dat kan een grap zijn, ja, lees die quote hardop en zie die ernstig kijkende Rumsfeld voor je. Met zijn bril op. Zo weggelopen uit de War Room, waar je van president Muffley vooral niet mag vechten. Rumsfeld. Een clown die oorlog ernstig opneemt, net als generaal Ripper. Teller en Ripper en Strangelove en Rumsfeld en Muffley en Bush en Kahn en Westmoreland en Schwarzkopf jr. - dit zijn de namen, de magistrale bedenkers en makers van de megadeaths: bloedserieus en daardoor bespottelijk tot op het bot. Hilarisch. Dodelijk.


Dr. Strangelove is op 15 maart te zien in het EYE Filminstituut Nederland in Amsterdam, 19.30 uur. Voorafgaand geeft filmrecensent Jan Salden een 'klassiekerlezing’. Deze voorstelling maakt deel uit van de multidisciplinaire programmareeks Actueel, Avontuurlijk, Aangrijpend van het Koninklijk Concertgebouworkest, thema Out of Control!