Film & Leven: Popculture

Masterclass: Morele ambiguïteit, mislukte gangsters en knuckleheads

In de Masterclass Film & Leven Editie Popculture speuren aankomende critici onder begeleiding van Gawie Keyser van De Groene Amsterdammer naar nieuwe manieren om over film en cultuur te schrijven. In de vierde en laatste van een publicatiereeks onderzoeken de cursisten het element ‘gevoel’ in een kritische beschouwing. Aan de hand van de auteurscinema van de gebroeders Coen en Paul Thomas Anderson schrijven ze over ongeremde fascinaties, morele ambiguïteit, mislukte gangsters en knuckleheads van wie je kunt houden.

Hartstochtelijke extremen

door Thom Lunshof

Medium hard eight
Hard Eight (1996)

Als dertienjarig jochie bekeek Paul Thomas Anderson de pornobanden van zijn vader met een ongeremde fascinatie. Dat was het begin van zijn visie op film, op verhalen en bovenal op personages. Op zijn 24ste schreef hij het scenario voor de film die later Boogie Nights (1997) werd, over de porno-industrie in de jaren zeventig. Wegens de ambitieuze omvang van de debuutfilm die hij voor ogen had, was hij genoodzaakt een tussenstap te zetten: Hard Eight (1996), een film die het fundament vormde voor de toekomstige juwelen.

Waar die fascinatie voor porno uit ontspringt, en in hoeverre deze te herleiden valt in zijn debuut, is niet helemaal duidelijk. Toch bespeur ik een interesse, bijna een betovering, voor de invloed van de hartstochtelijke extremen waarmee de mens zich voedt. Een gokpaleis, de porno-industrie of een olieveld (There Will Be Blood, 2007). In deze groteske, inhumane omgevingen probeert Anderson de mens te vinden, de kleine, fragiele persoon die deel uitmaakt van de grote wereld om hem heen.

Omdat we in het medium film niet in de hersenpan kunnen tasten, proberen makers de interne wereld extern te maken. Waar het gemiddelde filmboek deze regel in alle glorie uiteenzet, heeft Anderson een eigen bijbel gecreëerd. Volgens zijn ‘geboden’ wordt de externe wereld intern. De werelden die we zien zijn reflecties van de personages zelf. Anderson transformeert alle audiovisuele componenten van zijn films tot een harmonieus geheel waarin de geestestoestand, emotie en wil van het personage terugkeren. De wereld past zich aan, versmelt zich als geheel met de geest en schept verwondering.

Zo kan het kikkers regenen in Magnolia (1999) en kan een plots afgeleverde piano een eigen personage vormen in Punch Drunk Love (2002). Anderson tast op deze manier vanuit een bijzonder perspectief in de emotionele wereld van de personages; we kruipen niet alleen in de gedachte, maar de gedachte vormt de werkelijkheid, wórdt de werkelijkheid. En juist op deze manier komt het witte doek tot leven en ontstaan er reële, voelbare situaties.

Zelf heeft Anderson een keer aangegeven niet precies te weten waar de dialogen in zijn films naartoe gaan, wat de personages van elkaar willen en wat ze zelf verlangen, verwachten of waar ze naar op zoek zijn. Maar bestaat de mens niet uit een combinatie van een eigen gedachtenwereld en een constante zoektocht naar betekenis? Waar veel filmmakers blijven dralen bij slechts één kant van de medaille vangt Anderson deze tweeledige essentie in het frame.


Onbestemde eenzaamheid

door Timo Koren

Medium casino
Casino (1995) © Universal Pictures

Toen ik Sydney in Hard Eight (1996), de debuutfilm van Paul Thomas Anderson, door het casino zag lopen, moest ik denken aan de meester van de gangsterfilm, Martin Scorsese. Aan de manier waarop hij het milieu van zijn personages schept: uitgebreide tracking shots die elk detail van hun leefwereld verkennen. Beide regisseurs hebben een voorkeur voor succesvolle, moreel ambigue mannelijke hoofdpersonages en leerling-meester-relaties. Toch is het effect dat ze bereiken heel anders: door de regie van Anderson ráákt Sydney (Philip Baker Hall) in Hard Eight de kijker meer dan bijvoorbeeld Ace (Robert De Niro) in Casino (1995) van Scorsese.

Dat zit ’m vooral in hoe het casino gefilmd wordt. Als Scorsese het gokparadijs introduceert gaat het om de regels: wie is er belangrijk, wat doet ertoe? Hij legt uit hoe Ace denkt door te vertellen; de voice-over zegt alles. De kijker wordt in hoog tempo meegenomen in de sprankelende wereld van neonlicht, gokkasten en bedrog – en omdat Ace zelf er de lakens uitdeelt, voelt hij zich er aanvankelijk als geen ander op zijn plek. Door die snelle montage beklijft vooral het beeld van een indrukwekkend, chic gokparadijs.

Ook Paul Thomas Anderson introduceert het casino door de mores ervan uit te leggen, als Sydney – een grijze, aardige man die in een hotel woont – vertelt hoe je moet valsspelen. Maar later steekt Anderson de meester Scorsese naar de kroon: nog voordat Sydney langs de gokkasten naar de dobbeltafel loopt zien we hem de serveerster (Gwyneth Paltrow) observeren. In slow motion flirt zij met mannen aan een andere tafel terwijl die haar opzichtig een fooi geven. Sydney heeft haar net verteld dat ze dat bij hém niet hoeft te doen, dat ze die fooi sowieso krijgt. Daarna staat hij op en loopt hij de speelzaal in. De muziek is onveranderd; het omgevingsgeluid is zacht; de camera loopt traag met hem mee.

De scène heeft nauwelijks dialoog, maar ze vertelt alles over Sydney’s onbestemde eenzaamheid. Hij is de enige in beweging, de rest van de aanwezigen zit als zombies achter een gokkast. Daardoor krijgen al die knipperende lichten een tragisch randje, als die van een verlaten kermis in een badplaats ergens in januari. Voor Sydney heeft het casino alle glamour verloren; tegelijkertijd is het de enige wereld die hij door en door begrijpt. Hij blijft er daarom komen, maar beseft ook hoe moeilijk het is betekenisvolle relaties met mensen aan te gaan – dat gevoel verfilmt Anderson weergaloos.

Meestal als ik over straat loop kom ik wel iets fascinerends tegen. Ik zie een situatie (twee mensen hebben ruzie) en probeer hen te ontleden (de een is de ander geld verschuldigd). Dan is mijn blik als de camera van Martin Scorsese. Maar er zijn ook andere, zeldzamere dagen. Ze komen vaak voor als ik moe ben, na een lang, gelukkig weekend waarin ik veel mensen heb gezien en intensief contact heb gehad. Dan wandel ik door mijn buurt en is het alsof de stad vertraagt, dan lijken alle kleuren dieper en alle geluiden voller. Op de gezichten van voorbijgangers staan diepe groeven, waaraan vervlogen dromen en hardnekkig berouw af te lezen zijn. Dan kijk ik als Paul Thomas Anderson.


Mislukte gangster

door Koen Posthuma

Medium millers crossing 2
Miller’s Crossing (1990)

In Miller’s Crossing (1990) is Johnny Caspar niet een huis-tuin-en-keukengangster. Ter vergelijking: twee andere maffiabazen, Vito Corleone (The Godfather) en James Conway (Goodfellas), zijn rustig. In controle. Zij maken zich niet druk om de kleine dingetjes. Maar wanneer het nodig is, zijn ze keihard. Niet Caspar. Toegegeven: hij is een gangster die zich naar boven heeft geknokt tot baas van zijn eigen organisatie. Maar verder? Hij is dik en door zijn rode hoofd is hij nauwelijks serieus te nemen wanneer hij boos wordt. Hier komt ook nog bij: naïef en goedgelovig.

Het enige waarin hij verschilt van de mensen om hem heen zijn de principes die hij erop nahoudt. Caspar (Jon Polito) vindt vriendschap, karakter en ethische waarden belangrijk. Van alle karakters in deze klassieker van de gebroeders Coen lijkt Caspar de enige die volledig te vertrouwen is: een karaktereigenschap waar de rest van de onderwereld in Miller’s Crossing graag misbruik van maakt.

Ergens moet hij dit door hebben, want hij probeert uit alle macht over te komen als een intellectueel die graag filosofeert. Maar zodra iemand daar doorheen prikt en de draak steekt met zijn ‘intelligente uitspraken’ komt zijn ware aard boven. Dan laat hij je in elkaar slaan. Want hoe stom hij ook kan zijn, hij blijft wel de baas.

Exemplarisch voor zijn goedgelovigheid is zijn vertrouwen in hoofdpersoon Tom Reagan (Gabriel Byrne). Reagan krijgt de opdracht een van zijn vrienden neer te schieten, omdat die een door Caspar gefixte wedstrijd zou hebben doorgespeeld. Caspar verliest geld, iemand moet boeten.

Maar Tom laat zijn vriend lopen. Handlangers van Caspar, meegegaan om te kijken of de hit wel wordt uitgevoerd, hebben vrede met de situatie wanneer ze twee schoten in het bos horen. Kennelijk is de goedgelovigheid van Caspar besmettelijk. Het wordt nog wranger als Caspar een man – de enige die Tom niet vertrouwt – door het hoofd schiet.

Dit is het begin van het einde voor Caspar. Dezelfde principes die hem status geven weerhouden hem van adequate reacties: hij is een jammerlijk mislukte gangster. Hij sterft boven aan een trap, vermoord door iemand van wie hij dacht dat die dood was.


Meevoelen met de knuckleheads

door Devi Smits

Medium millers crossing still 1317
Miller’s Crossing (1990)

What heart?’ vraagt Tom Reagan (Gabriel Byrne) aan Bernie Bernbaum (John Turturro), als de laatste de eerste smeekt in zijn hart te kijken en hem te laten leven. Een retorische vraag, want direct daarop jaagt Reagan Bernbaum een kogel door de kop.

Miller’s Crossing (1990) is illustratief voor de sympathie waarmee de gebroeders Coen hun personages portretteren. Dit zijn vrijwel altijd antihelden: vaak sukkelig, narcistisch, kleingeestig, lichtgeraakt of moreel verward maar meestal een combinatie van dit alles. De Coens spreken zelf graag van knuckleheads. Toch veroordelen de Coens deze figuren nooit. Natuurlijk, onheil treft hen onvermijdelijk – na een opeenstapeling van geklungel en moreel dubieuze keuzes. Maar nooit heb je het gevoel dat deze personages hun noodlot echt verdiend hebben. De Coens voelen oprecht sympathie voor deze potsierlijke mislukkelingen en filmen hen met liefde.

Protagonist Tom Reagan is in zekere zin geen doorsnee Coen-personage. Hij bezit een coolness die deze figuren normaal gesproken niet hebben. Reagan is een hooggeplaatste in de Ierse maffia. Hij wordt alom gerespecteerd en is verbaal superieur aan iedereen. Maar er schuilt ook een knucklehead in Reagan: om de drie scènes wordt hij weer in elkaar geslagen, omdat hij een rivaliserende partij op de tenen is gaan staan met zijn bijdehante praatjes. Bovendien loopt zijn gokschuld gedurende de film steeds verder op, omdat hij steevast wedt op het sloomste paard.

En net als veel Coen-personages is Reagan allerminst een held. ‘What heart?’ is de vraag waarmee hij zijn koelbloedigheid laat blijken. Toch overtuigt hij niet helemaal; hij is geen koud en meedogenloos personage. Geen psychopaat zoals we die in zoveel gangsterfilms zien. Hij getuigt ondanks alles van een bepaalde vorm van liefde en menselijkheid. Dit idee keert terug in de prachtige soundtrack, vooral The Lament for Limerick, bewerkt door Carter Burwell: lieflijke en warme muziek die eigenlijk niet thuis hoort in film noir en die empathie voor het hoofdpersonage uitdrukt. Warmte in dit duistere genre films – dat is typisch de Coens. Daarmee is Miller’s Crossing een van de weinige gangsterfilms die je na het kijken het gevoel geeft dat de mensheid niet bedorven en cynisch, maar liefdevol en oprecht is.

Reagans koelbloedig bedoelde vraag over zijn hart aan het eind van de film valt derhalve een beetje uit de toon, alsof een andere scriptschrijver, met de conventies van de gewone gangsterfilm in zijn hoofd, het tijdelijk had overgenomen. De kijker weet al lang: ergens in Tom Reagan klopt een klein hartje, het doodschieten van Bernie Bernbaum daargelaten, maar dat was toch een eikel.


Het innerlijke vierkant

*door Thijs Remmers *

Medium the square review
The Square (2017)

In Ruben Östlunds nieuwe film The Square is Christian, curator van een museum voor moderne kunst, druk bezig met een expositie. Het belangrijkste werk in die expositie is een vierkant van vier bij vier meter op het plein voor het museum. Ernaast staat een bordje met een tekst die aangeeft dat wie in het vierkant staat altijd geholpen moet worden door de mensen erbuiten, of dat nu is met een aalmoes of een maaltijd, met huiswerk of zwemlessen, of met iets veel groters.

Christian en anderen hebben de mond vol over het helpen van anderen, maar zelfs bij hen is de solidariteit ver te zoeken. Ze lopen bedelaars voorbij zonder die een blik waardig te keuren en zijn continu bezig hun eigen straatje schoon te vegen. Het vierkant voorziet in een behoefte.

Paul Thomas Anderson laat in zijn regiedebuut Hard Eight (1996) zien dat mensen ook minder egoïstische motieven kunnen hebben om hun medemens te helpen. De oude, ervaren gokker Sydney neemt de jonge hond John onder zijn hoede – schijnbaar zonder andere reden dan dat hij het gevoel heeft dat John wel wat hulp kan gebruiken. Dat klopt: John is eenzaam, verdrietig en heeft zijn laatste geld verloren in zijn wanhoopspogingen zesduizend dollar bij elkaar te gokken om de begrafenis van zijn moeder te betalen.

Sydney leert John hoe hij met 150 dollar en een hoop geduld een maaltijd en een hotelkamer bij elkaar kan gokken, zonder een cent te verliezen. Hij legt het principe simpel en met veel geduld uit, zakelijk, maar teder – bijna als een vader die zijn zoon leert fietsen. Sydney heeft dan ook iets vaderlijks: zijn rust, zijn wijsheid en zijn onvoorwaardelijke steun aan John, zelfs als die er een zootje van maakt.

Toch blijft het idee sluimeren dat er meer achter Sydney’s hulp aan John zit: The Square leert ons dat mensen nu eenmaal niet zomaar goed zijn voor anderen. Er is altijd iets dat iemand doet beslissen die ander te helpen. Een persoonlijk vierkant als het ware. Sydney heeft verteld dat hij getrouwd is geweest en dat hij zijn twee volwassen kinderen niet meer spreekt. Ziet hij iets van zijn kinderen in John en wakkert dat zijn vaderlijke gevoelens aan?

Uiteindelijk blijkt een tragisch gedeeld verleden Sydney’s ‘innerlijke vierkant’ te zijn. Sydney weet dat hij een verleden deelt met John, maar John weet dat niet. Het is zijn schuldgevoel bij dat verleden dat Sydney ertoe aanzet John te helpen en niet de goedheid van zijn hart of het feit dat hij dacht dat John wel wat hulp kon gebruiken. Zo bewijst hij het gelijk van Östlund.


Deze masterclass is een initiatief van het Domein voor Kunstkritiek in samenwerking met EYE Filmmuseum en Cinema Egzotik, het cultfilmprogramma van regisseur Martin Koolhoven en EYE-programmeur Ronald Simons.