Masterclass: Wensdenken

De Groene publiceert deze week drie essays van deelnemers aan de masterclass van Groene-filmrecensent Gawie Keyser. Tijdens deze masterclass, die werd georganiseerd in samenwerking met Domein voor de Kunstkritiek en EYE Filmmuseum, bogen de cursisten zich over het thema New Horizons. In ‘Wensdenken’ buigt Jurre Plantinga zich over de vraag wat we wel en niet hoeven te verwachten van virtual reality-technnieken.

Wie zo gelukkig was om een kaartje te bemachtigen, kon Marina Abramović vorige maand redden van de verdrinkingsdood. Met de VR-installatie Rising, die te zien was in Filmmuseum EYE, wilde de performancekunstenaar bezoekers confronteren met de gevolgen van klimaatverandering. Het is niet voor het eerst dat virtual reality wordt ingezet om engagement rond een maatschappelijk thema op te wekken. Logisch ook: als je iemand iets kunt laten ervaren, maakt dat doorgaans meer indruk dan het zoveelste alarmerende VN-rapport over smeltende ijskappen.

Met die belofte in het achterhoofd experimenteert men in de journalistiek en sectoren als het onderwijs al langer met VR. En is het dankbaar fantaseren over hoe de techniek, eenmaal geschikt voor massagebruik, ons gezamenlijke inlevingsvermogen een welkome oppepper kan geven. Hopeloos naïef? Wellicht. Het is natuurlijk terecht dat we steeds vaker kritisch zijn over de impact van technologie op onze levens. Maar niet elke technologische ontwikkeling hoeft zich als een gemiddelde aflevering van Black Mirror te ontvouwen. Positief stemmende voortekenen zijn er in ieder geval genoeg.

Eerder dit jaar was, eveneens bij EYE, de installatie CARNE y ARENA te zien. Ook hier stond een maatschappelijk thema centraal: de internationale vluchtelingencrisis. Regisseur Alejandro Iñárritu hoopte zijn publiek te laten ervaren wat migranten dagelijks meemaken, op weg naar de Verenigde Staten. Het project kreeg veel lof en Iñárritu ontving er in 2017 een speciale Oscar voor.

Bij CARNE y ARENA is alles erop gericht om de beleving van het vluchtelingenverhaal zo intens mogelijk te maken. Voordat je de ruimte van de VR-ervaring binnengaat, moet je wachten in iets wat op een koelcel lijkt. Het is eenzelfde soort cel waarin de migranten soms dagenlang verblijven nadat ze door de grenspolitie zijn opgepakt. Het is er koud, en je moet er je schoenen uitdoen. Om je heen liggen de afgetrapte exemplaren die vluchtelingen in de woestijn achterlieten terwijl ze de oversteek waagden.

In de volgende ruimte, met de VR-bril eenmaal op, wanen bezoekers zich in het grensgebied tussen Mexico en de Verenigde Staten. In het staartje van de nacht, blootsvoets schuifelend door het koele woestijnzand, komt er eerst een groep vluchtelingen aangelopen. Mannen, vrouwen, kinderen. Een helikopter duikt op, met speurende zoeklichten. En dan verschijnt de grenspolitie, waarop een confrontatie volgt die het steeds moeilijker maakt om slechts toeschouwer te blijven.

Bij de laatste akte, de bril weer af, wordt het effect van die ervaring pas echt duidelijk. In het laatste zaaltje hangen de portretten van de vluchtelingen én de grensofficier op wiens verhalen Iñárritu zijn interactieve film baseerde. Eén voor één vertellen ze hun persoonlijke geschiedenis. Het is het soort verhaal dat je wel vaker hebt gehoord, zeker sinds de internationale vluchtelingencrisis een aantal jaar geleden ook in Europa een kookpunt bereikte. Toch komt het anders binnen, heftiger. Omdat je je even daarvoor een paar minuten lang in hun wereld hebt gewaand.

Het werk van zowel Abramović als Iñárritu laat zien hoe met behulp van VR een intense, zintuiglijke ervaring kan worden gecreëerd die ervoor zorgt dat een min of meer bekend verhaal – klimaatverandering, migratie – harder binnenkomt. En, zo hopen de kunstenaars, engagement opwekt. Niet voor niets experimenteren media als The New York Times en The Guardian al een paar jaar met de technologie om journalistieke verhalen verder tot leven te wekken en lezers zo nog meer bij hun werk te betrekken. De Times laat je onder meer rondkijken in een vluchtelingenkamp en aan de frontlinie in Irak. Bij de Britse krant kun je ervaren hoe het is om in een isoleercel te zitten. Gewoon thuis, met je smartphone en een kartonnen VR-bril van Google. Die laagdrempeligheid is belangrijk voor de verdere ontwikkeling van virtual reality. Installaties zoals die bij EYE kunnen vaak slechts één of twee toeschouwers tegelijk aan. De toegangskaarten voor Rising waren dan ook binnen de kortste keren uitverkocht.

Het is verleidelijk om in dit alles een trend te zien. En om dus – in de geest van Abramović en Iñárritu – te fantaseren over de maatschappelijke impact van de technologie zodra het gebruik ervan eenmaal door de massa’s is omarmd. Als een paar documentaires op Netflix mensen al kunnen bewegen om hun eetpatroon drastisch te veranderen, wat brengt een virtuele trip door de gekapte oerwouden van Brazilië en Borneo dan wel niet teweeg? Voorlopig voelt dat vooral nog als wensdenken. Met name door de negatieve spiraal waarin een vorige technologische revolutie, die van de sociale media, is terechtgekomen.

Ook daar waren de verwachtingen aanvankelijk hooggespannen. ‘Facebook-revolutie!’ jubelden commentatoren toen bleek dat de jonge opstandelingen van de Arabische Lente sociale media gebruikten om zich te verenigen. De wereld meer verbonden maken en onderdrukten een stem geven: what’s not to like? Inmiddels zijn we die onschuld wel voorbij, worden de wereldverbeterende plannen van techbedrijven vooral met argusogen bezien en is ons vocabulaire ‘verrijkt’ met termen als filterbubbel, nepnieuws en trollenfabriek.

Als we het tegenwoordig over de maatschappelijke impact van Big Tech en dan met name die van sociale media hebben, is dat vooral in negatieve zin. Of het nu gaat om de negatieve effecten van passief gebruik op het mentale gestel, grootschalige privacylekken of het inzetten van de verschillende platforms om haat en leugens te verspreiden. Een van de gevolgen hiervan is dat het publieke vertrouwen in technologie een flinke deuk heeft opgelopen.

Dát virtual reality de komende decennia een steeds grotere rol in onze levens gaat spelen, lijkt hoe dan ook een zekerheid. De grote techbedrijven investeren al jarenlang flink in VR. Zo telde Facebook in 2014 een paar miljard neer om brillenbouwer Oculus in te lijven. Amazon wil de techniek inzetten om de manier waarop we online winkelen ingrijpend te veranderen. En in de game-industrie groeit het aanbod van VR-spellen exponentieel.

In sectoren als de zorg en het onderwijs wordt al geregeld met virtual reality gewerkt. Chirurgen oefenen er standaardoperaties mee en psychologen zetten de techniek onder meer in om mensen met een posttraumatische stressstoornis te behandelen. Kennisnet, een Nederlandse organisatie die zich bezighoudt met digitale geletterdheid en ICT in het onderwijs, publiceerde een aantal jaar geleden al een uitgebreide brochure over het gebruik van virtual reality in de klas. In deze publicatie staat onder meer een interview met de Amerikaanse onderzoeker David Kleeman, die 25 jaar lang aan het hoofd stond van het American Centre for Children and Media.

Kleeman gelooft dat de technologie inderdaad kan helpen om het inlevingsvermogen en de empathie van mensen te vergroten. Hij wijst op het eerder genoemde VR-project van The New York Times, dat het mogelijk maakt om de leefomstandigheden van kindvluchtelingen te ervaren. Het bleek dat kijkers veel meer meeleefden en begrip kregen voor de schrijnende situatie dan wanneer mensen deze vanuit een regisseursoogpunt voorgeschoteld kregen op een normaal scherm, vertelt de onderzoeker.

Dat klinkt prachtig. Net zoals het onderzoek onder basisschoolleerlingen dat Kleeman in hetzelfde interview aanhaalt. Gevraagd wat volgens hen de beste toepassing van VR zou zijn, ging het uiteraard over gamen, maar het was niet het meest gehoorde antwoord. Nee, het liefst zouden de kinderen virtual reality inzetten tijdens de geschiedenislessen. Zodat ze de historische gebeurtenissen uit de lesboeken, ‘echt’ konden beleven.

Natuurlijk is er alle reden om de opmars van de technologie met een kritische blik te bekijken. Want hoe leuk het ook is dat kinderen erover fantaseren om op virtuele reis naar de piramiden of het oude Rome te gaan, veel volwassenen houden er vast en zeker heel andere fantasieën op na. In dystopische fictie wordt de populaire toepassing van VR dan ook geregeld een duisterder ontwikkeling toegedicht. Zoals in Spielbergs Minority Report, een van die sciencefictionfilms waarvan opmerkelijk veel ‘toekomstvoorspellingen’ daadwerkelijk zijn uitgekomen.

Richting het einde van de film belandt het door Tom Cruise gespeelde hoofdpersonage in een ondergrondse club. Een lange, donkere gang met rijen peeskamers waar elke bezoeker zich aan z’n eigen virtuele fantasie laaft. Je ziet virtuele seks, uiteraard, en de klant die net binnenkomt wil graag – opnieuw – z’n baas vermoorden. Als de mogelijkheden grenzeloos zijn, transformeert iedereen echt niet ineens tot een wereldverbeteraar.

Sterker nog, het is goed voor te stellen dat de virtuele wereld voor sommige mensen zó aantrekkelijk wordt dat de echte er niet meer mee kan concurreren. Een cocktail van verslavingsgevoeligheid en escapisme is de moderne mens niet vreemd. En wie heeft er nog zin in een saaie kantoorbaan of een avondje bankhangen als er in de virtuele wereld een leven als monster of superheld wacht zonder de consequenties of beperkingen die daar normaal gesproken bij komen kijken?

Toch, of het nu gaat om de kinderwens om er in de klas een soort tijdmachine bij te krijgen of de pogingen van kunstenaars om hun publiek met aangewakkerd engagement huiswaarts te laten keren, de talrijke mogelijkheden van virtual reality prikkelen het voorstellingsvermogen en doen dat toch veelal op een positieve manier. De reflex om bij het denken over de impact van technologie op onze levens van het zwarte scenario uit te gaan, voelt voor velen inmiddels vertrouwd. Laat het niet tot klakkeloos cynisme leiden.