Bijna niets wist ik van de dichter José Angel Valente, wiens gebloemleesde gedichten al geruime tijd op mijn bureau liggen. De bundel De compositie van de stilte werd samengesteld en vertaald door Bart Vonck, mooi uitgegeven door Wagner & Van Santen. Het achterplat geeft als enige richtlijn een citaat uit een van de opgenomen prozagedichten: «Het gedicht neigt uit zijn aard naar de stilte. (…) Een gedicht bestaat niet als je er niet vóór zijn woord zijn stilte in hoort.» Tussen die twee zinnen staat de poëticale definitie die de bundel zijn naam gaf. Erboven, als reeds bijna overbodige titel: Ut pictura.
Dat zijn solide topoi uit de dichtkunst, ongetwijfeld waar, maar juist daardoor helpen ze niet verder. Welke poëzie zou niet willen dat dit voor haar gold? Te veel houvast biedt dit proza, te midden van een poëzie die in zijn hermetisch minimalisme nog het meest aan Paul Celan doet denken. Diens naam duikt ook in deze bloemlezing een enkele keer op. Het nawoord vermeldt dat Valente – Spaans-Galicisch dichter in franquistische ballingschap, ambtelijk vertaler in Genève en Parijs – ook diens poëzie in het Spaans heeft overgebracht.

Tussen een teveel en te weinig aan nadrukkelijkheid, geeft tenslotte toch een eerste prozatekst oriëntatie. «Op de hiëroglyfe stond een vogel (…). Honderden jaren las ik het opschrift vergeefs. Naar het einde van mijn dagen toe, toen al niemand meer kon geloven dat er nog iets ontcijferd was, begreep ik dat de vogel op zijn beurt mij las (…).» Direct doemt de herinnering op aan het verhaal van Zhuangzi die van een vlinder droomde en bij het ontwaken niet meer wist of hij Zhuangzi was, dromend van een vlinder, of een vlinder dromend Zhuangzi te zijn.

Maar bij Valente gaat het niet om een oude metafysica, aarzelend tussen werkelijkheid en droom. Zijn vogel is een hiëroglief, «door een as van licht tegen de lege hemel genageld». Hij is een teken, of toch niet? Vliegt hij misschien, aan gene zijde van de steen waarin hij staat gebeiteld? Zoals de lezer werkelijk leest, en misschien op zijn beurt door een as van licht tegen de lege hemel genageld staat? Werkelijkheid verschuift hier niet naar de droom, maar naar een andere weerszijde: de idee. Voor wie het niet begrepen heeft, legt Valente het in de titel uit: «Over de stralende ondoorzichtigheid van de tekens».

En daarmee zij wij plotseling terug in de twintigste eeuw en haar linguistic turn. De filosofische triomf te zien dat ieder probleem een _taal_probleem is, wordt voor de dichter juist de grootste zorg. Niet het gedroomde bedreigt de werkelijkheid, maar het idealisme van de taal die zichzelf van de weeromstuit voor de realiteit houdt. De dichter redt de werkelijkheid van de woorden, waarin de materie een idee wordt die het denken restloos ter beschikking staat.

Zijn daarmee de rollen omgedraaid? De dichter, hoeder van het woord, wantrouwt een taal die zich van het bestaande te luchthartig meester maakt? Zo lijkt het wel. Het begrip «materie» duikt bij Valente steeds weer op. «Het woord in materie omzetten/ waar wat wij zouden willen zeggen niet/ verder kan doordringen/ dan wat de materie ons zou zeggen»: zo begint het gedicht dat ten overvloede ook nog eens Materia heet.

Als de filosofie de werkelijkheid vergeet, dan is de poëzie er om haar te bevechten op de woorden. Niet om die laatste te beschamen, maar om eraan te herinneren dat taal slechts iets kan zijn dat naar iets anders wijst. Pas dan kan zij de wereld op haar beurt transfigureren en, zoals van oudsher, een pneuma worden dat nog iets te redden heeft.

«Jij was het niet, het was je stoffelijk overschot», lees ik op deze paasmorgen, gewijd aan de heropstanding van alle geliefden. «Jij was het niet, je lichaam niet, over-/ leven deed uiteindelijk de doorschijnendheid».