TONEEL

Mathijs de onverwoestbare

De opgaande zon

‘Spel van de middenstand in tien tonelen’, zo noemt Herman Heijermans zijn toneelstuk over Mathijs de Sterke (de wérkelijke achternaam, aangenaam) en zijn oneerlijke schaduwbokswedstrijd met de grote winkelreus De opgaande zon van kapitalist Christiaan Jensen. De grote buur van Mathijs’ nerinkje-met-van-alles-en-nog-wat heeft bij aanvang van de eerste acte zojuist zijn 'illuminatie’ ontstoken en daar verpietert het winkeltje bij als een nachtpitje in een sneeuwstorm. Maar Mathijs de Sterke kent zijn bijbelboeken: 'De aarde was nog woest, ledig en duister en met diepe wateren overdekt. Daarop sprak de Heer: het worde licht. En terstond werd het licht en helder.’ En over zijn tegenstander: 'Hij moet zich, met eigen verblinde ogen, overtuigen dat we nog krediet bij de gasfabriek hebben. Hij Goliath - ik David!’
Bij Heijermans, die Hollandse Shakespeare van de Gewone Man, gaan we direct in het 'eerste tooneel’ naar het oog van de orkaan. En we komen er bij Arie de Mol en zijn ensemble van Toneelgroep Maastricht niet meer uit ook. De opgaande zon (1908) zet hier in als een kakofonische kermis van het overleven en slingert zich als een eindeloos lange wintersjaal om de hals van de toeschouwer. Heijermans kon een verhaal vertellen, De Mol zet er een gasbrander onder. Beiden geven er in de loop van de vertelling nog een existentieel-psychologische slinger aan, waardoor tegen het eind iedere zwartkijker gaat slikken en zijn oogkassen rap moet leegvegen. De speelvloer (Theo Tienhoven, mag die man een Oscar?!) oogt als een complete lommerd weggepropt in een benauwd dubbeltjespand: hoe de toneelspelers daarin nog tot zoiets als een mise-en-scène komen is een van de godswonderen van deze rijke toneelavond.
Natuurlijk handelt het stuk over het taaie gevecht tegen de Molochentronie van de grootschaligheid en in die zin ademt de kracht van Mathijs de Sterke een aandoenlijke tijdloosheid uit, via alweer die op z'n kop gezette calvinistische lijfspreuk (klagen zonder lijden in plaats van lijden zonder klagen). Maar de engagementsvorsers onder de Heijermans-exegeten zien de psycholoog in onze nationale toneeltrots over het hoofd: Mathijs heeft zijn onverwoestbare levensvreugde op zijn dochter Sonja overgedragen, maar is als het ware vergeten die oerkracht met de inboedel mee te verzekeren. Als hij één moment wankelt, wankelt zijn sterke meid mee en de hele voorpui van onverzettelijkheid dreigt in elkaar te lazeren, of beter: vlam te vatten. Mathijs kan dan nog maar één ding doen: voorkomen dat zijn kind met een verschrikkelijk geheim rond moet blijven lopen, hij kan zijn sterke dochter immers niet met een trauma opzadelen dat groter is dan zijzelf.
Dat is de dreun die de schrijver uitdeelt in de laatste pagina’s van dit stuk. Arie de Mol en zijn hecht samenspelend volkstoneelensemble incasseren ook die laatste klap als de dubbele daalder die hij waard is. Gaaf werk van Jessie Wilms trouwens, een puik actrice. Voor de rol van Mathijs de Sterke, zo fluisterde iemand me in, heb je eigenlijk een circusartiest nodig, iemand die de nokken van het toneelspelersvak kent. Jack Vecht speelt hier Mathijs de Sterke en hij doet dat vanaf zijn eerste opkomst met zoveel prachtige energie dat deze toeschouwer af en toe niet wist waar hij kijken moest. Zijn spel is heet als de pons van brandewijn, citroensap en specerijen, smaakvol als rollade op zondag, en glanzend als het Gouden Kalf uit dat andere bijbelverhaal dat Mathijs graag verspijkeren zou, zodat het kalf niet vermorzeld wordt door die sukkel Mozes, maar naar de bank van lening wordt gebracht, zodat De Sterke er een voorschot op kan nemen. Wie deze volzin wil begrijpen, heeft nóg een goede reden om de voorstelling te gaan zien. Dat kan nog net.

De opgaande zon is alleen nog te zien in Theater Bellevue in Amsterdam, vrijdag 26, zaterdag 27 en zondag 28 november (matinee)