Buitenland

Matig gevaar

Toen Franse commando’s begin dit jaar al-Qaeda-strijders verjoegen en Timboektoe innamen, vonden zij daar een opmerkelijk document: de ondervragingsnotulen van Gilles Le Guen, alias ‘Abu Jalil de Fransman’.

Le Guen was een voormalige scheepskapitein, ex-medewerker van Artsen Zonder Grenzen, bekeerling tot de islam, en sinds vorig jaar strijder van al-Qaeda in de Maghreb (AQIM), compleet met wervingsfilmpje op YouTube. Le Guen zal wel wat vooroordelen hebben moeten overwinnen, want ‘Witte al-Qaeda’ zijn minder populair bij hun kompanen sinds de leider van al-Qaeda in Jemen werd gedood na verraad van een Deense undercover-agent in hun rangen. Le Guen werd kennelijk scherp in de gaten gehouden, en al rap werd hij ervan beschuldigd een telefoontje te hebben gekregen van de Franse ambassade. Bovendien bleek hij geldstortingen te ontvangen uit Frankrijk – geld dat volgens hem van zijn moeder kwam. Hij werd duchtig aan de tand gevoeld, en AQIM stelde daar netjes een verslag van op. Van Le Guen is niets meer vernomen.

De vondst van Le Guens relaas ondersteunt het gevoel dat de Fransen hun zaakjes prima op orde hebben in Mali. In een mum van tijd veegden Franse commando’s al-Qaeda en hun Touareg-bondgenoten uit de bevolkingscentra van Noord-Mali, en als de schijn niet bedriegt hebben ze ook mooie infiltraties lopen binnen de rangen van hun tegenstander. Voor de Nederlandse speciale troepen zijn wellicht alleen nog wat achterhoedegevechten over – ‘nettoyer le Nord’, zoals de Franse kranten het noemen. Dat klinkt mooi, maar er is in Mali meer troep dan half-verslagen strijders. Het land heeft zojuist een spectaculaire afdaling gemaakt van modeldemocratie tot mislukte staat, en ik moet de eerste Mali-kenner nog lezen die meent dat het fortuin weer rap omgebogen kan worden en het land de weg naar boven vindt.

Bij de Werdegang van een land spelen altijd oneindig veel factoren mee, maar het is nu vooral politiek opportuun om de radicale islam eruit te vissen als factor die de broze stabiliteit in Mali de afgelopen jaren fataal heeft aangevreten. Dat is zeker waar, maar we mogen in Europa ook naar onszelf kijken: naar onze smaak voor drugs. In het eerste decennium van deze eeuw gingen Zuid-Amerikaanse drugskartels naar Afrika kijken voor het doorvoeren van hun handelswaar, en Mali was een van de landen op hun radar. In de Malinese stad Gao ontstond in korte tijd een wijk met wanstaltige villa’s die in de volksmond ‘Cocainebougou’ genoemd werd; Timboektoe had zijn eigen lokale variant. De VN schatten dat jaarlijks ter waarde van 1,25 miljard euro door Mali gevoerd wordt – evenveel als de helft van de nationale begroting.

We mogen in Europa ook naar onszelf kijken

Zulke drugswinsten trekken de lokale economie uit het lood, lokken geweld uit en maken politici en politie corrupt – problemen die Nederland en andere bestemmingslanden voor drugs steevast als ‘lokale problemen’ zien van minder ver ontwikkelde landen. Het was jammer dat precies Mali aan die verleiding werd blootgesteld, want het land werd vaak als model voor Afrika omhoog gehouden. In 1991 had het straatarme land afgerekend met dertig jaar dictatuur: na een staatsgreep volgde een diepe, zorgvuldige nationale dialoog. Daar rolde een democratie uit, waarin warempel politici boven kwamen drijven die bouwden aan consensus en eenheid. Mali werd een ware donor darling. Maar achter die façade bloeide de corruptie op, en dreef het noorden verder van het land af. De regering liet de broeiende opstand daar over aan lokale machthebbers, en probeerde stabiliteit te kopen in plaats van te verstrekken. Het stelen uit de nationale ruif was zo diep verankerd in de politieke cultuur dat de elite er nog mee doorging terwijl de jihad al door Noord-Mali golfde, die etnische en religieuze tegenstellingen aanwakkerde. Die jihad is teruggeworpen, maar Mali zit er niet minder diep door in de problemen. ‘Het is moeilijk om voor Mali een uitweg te zien’, schreef Mali-kenner Bruce Whitehouse.

Maar er is natuurlijk hoop: een VN-missie, met daarin een brigade onder Nederlandse vlag. Die gaat in een woestijngebied met maatje Frankrijk de lokale strijders en hun buitenlandse vrijwilligers opjagen en doden. Dat is waarschijnlijk militair gezien een stuk overzichtelijker dan het bijvoorbeeld in Afghanistan was, maar er zijn in de afgelopen halve eeuw wel vaker militaire interventies mislukt vanwege de politieke en sociale problemen in de staat waar de interventie plaatsvond. En dan heeft Noord-Mali een slecht cv: er is een mislukte, in diskrediet geraakte staat, die moet worden opgebouwd met een sloot buitenlands geld; een inefficiënt en vaak corrupt leger; radicale strijders hebben onderdak gevonden bij lokale stammen en sluiten aan op de drugshandel; een recente jihad die steun had bij een deel van de bevolking; criminaliteit als meest verbreide vorm van economische activiteit. De Nederlandse missie in Mali heeft het officiële predikaat ‘matig’ risicovol te zijn. Ik zou toch zeker ‘matig tot redelijk’ willen voorstellen.

H.J.A. Hofland is afwezig