Matthijs Vermeulen

‘Een Feniks in kuikenvorm, met nestharen, een jongen die zomaar om het hoekje van de wereld kwam kijken’ noemde toenmalig hoofdredacteur Henri Wiessing de 22-jarige Matthijs Vermeulen, die in 1910 muziekrecensies voor De (Groene) Amsterdammer ging schrijven. Vermeulens onbevangen kijk en eigengereide oordeel werden door Wiessing driftig aangemoedigd, hetgeen leidde tot talloze woedende brieven. Toen Wiessing in 1915 na zijn ontslag De Nieuwe Amsterdammer lanceerde, ging Vermeulen mee. Spoedig daarna werd hij chef van de kunstredactie van De Telegraaf.

In 1946 haalde R.H. Dijkstra, mede-eigenaar en de facto hoofdredacteur van De Groene, hem terug naar het weekblad. Daarna zou hij tien jaar lang niet alleen tekeergaan tegen holle virtuositeit, risicoloze vermaaksmuziek en de beroerde positie van componisten, maar ook genadeloos uithalen naar alles wat in zijn ogen politiek niet deugde. Verbitterd en geschokt door een oorlog waarin zijn vrouw overleed en zijn zoon sneuvelde, behoorde hij tot de eersten die protesteerden tegen de atoombewapening.

De meeste reacties kwamen echter op zijn onophoudelijke aanvallen op het Concertgebouworkest. Uiteraard was hij kwaad dat zijn composities nooit werden gespeeld, maar hij richtte zijn tirades vooral op de in zijn ogen te hoge frequentie van ‘foute muziek’ in de muziektempel. Wanneer een Duitse gastdirigent met een ‘bruin’ verleden in Amsterdam optrad, mobiliseerde Vermeulen via De Groene honderden demonstranten die het concert onmogelijk maakten, waarbij Vermeulen zelf eens door een dame met paraplu op het hoofd is geslagen. (RH)