Antisemitisme, zionisme en antizionisme 

Matzes bakken met maagdenbloed

Vijfentwintig jaar geleden leidde Het vuil, de stad en de dood van Fassbinder tot een nationale rel, dit jaar werd het stuk geruisloos opgevoerd in het kader van 4 en 5 mei. Wat zegt dat over het antisemitisme van onze tijd? Over een mijnenveld van emoties, feiten, subtekst en goede en slechte bedoelingen.

Vijfentwintig jaar geleden hield een merkwaardig gezelschap betogers de uitvoering tegen van Rainer Werner Fassbinders Het vuil, de stad en de dood. Het vermeend antisemitische stuk zou worden opgevoerd in een klein theater in Rotterdam, maar protest onder aanvoering van joodse en niet-joodse betogers verhinderde dat. Eerder, in 1985, was iets dergelijks gebeurd in Frankfurt, de stad uit de titel van Fassbinders stuk. Was het protest daar nog te begrijpen uit een mengeling van onverwerkt oorlogsverleden en het feit dat de tekst verwees naar de pijnlijke lokale geschiedenis, in Rotterdam was dat niet het geval. Het zogenaamde antisemitisme uit Het vuil, de stad en de dood hadden de Rotterdamse demonstranten van horen zeggen. Niemand had de tekst gelezen.

Op het hoogtepunt van de affaire, want dat werd het, schreef Harry Mulisch een ingezonden brief, die in de Volkskrant werd geplaatst. De brief vatte samen hoe weinig het oproer te maken had met het stuk en hoeveel met emoties die voortkwamen uit de Nederlandse oorlogsgeschiedenis. Mulisch beschuldigde zijn collega van ‘literaire moord’ op de jood in zijn stuk door ‘de held van het stuk, te midden van al die arme Germanen een naam te onthouden, en als rijke jood te presenteren’. Dat klopte niet, want dat personage heette A., een letter die schreeuwde om interpretatie. ‘Heus’, schreef Mulisch, ‘de morbiditeit van dat stuk is afgrondelijk. Fassbinder heeft niet voor niets zelfmoord gepleegd. Dat siert hem.’

Het sierde Mulisch niet om die regels te schrijven, niet alleen omdat Fassbinders tekst daartoe geen aanleiding gaf, en zijn oeuvre al helemaal niet, maar vooral ook omdat hier de ene schrijver de andere verweet wat zijn personages zeiden en deden.

Antisemitisme is een mijnenveld van emoties, feiten, subtekst en goede en slechte bedoelingen. Het is een vorm van discriminatie die zelfs daar voorkomt waar het onderwerp, de jood, afwezig is. Het bestaat in Japan, dat geen joodse geschiedenis kent, het is virulent in Arabische landen, waar bijna geen joden meer wonen, het komt voor bij Nederlanders die nog nooit een gesprek met een jood hebben gevoerd en als je goed oplet kun je het zelfs bij sommige joden ontdekken. Antisemitisme kent religieuze aanleidingen (joden als ‘godsmoordenaars’), economische (de jood als kapitalist), sociale (ze zijn anders), culturele (joden beheersen de media), nationalistische (hun loyaliteit ligt bij een ander land), politieke (in de vermomming van antizionisme) en historische (te veel om op te noemen). Het kan slaan op joden als volk, als soort, als natie, als de vleesgeworden vertegenwoordigers van de Israëlische politiek. Het is ook het slagveld waar niet-joods onbegrip en joodse emotie elkaar treffen, waar de geschiedenis zo oud is dat niemand nog iemand begrijpt en bij het minste of geringste wordt gegrepen naar feiten van lang geleden en vooroordelen die alle partijen elkaar verwijten.

Neem Shakespeare. Ter gelegenheid van het Britse World Shakespeare Festival, dat de vierhonderdste sterfdag van ‘The Bard’ luister bijzet, werd een opvoering van het Nationale Toneel van Israël, Habima, onderwerp van heftige discussie en oproep tot boycot. Niet omdat Habima het nog altijd omstreden De koopman van Venetië zou spelen (pikant, joden spelen een stuk dat onder ernstige verdenking staat van antisemitisme), maar omdat het een Israëlisch gezelschap betrof dat wel eens in een nederzetting in bezet gebied had gespeeld. Waarom, vroeg actrice Maureen Lipman (inderdaad: joods) aan collega en demonstrant Roger Lloyd Pack, wel in de benen gekomen tegen Israël en nooit iets gezegd over Birma, Tibet of Noord-Ierland ten tijde van ‘The Troubles’. ‘Dat is een heel andere situatie’, zei Lloyd Pack.

Schrijvers die andere schrijvers complimenteren met hun zelfmoord (wat overigens in het geval van Fassbinder nooit vast is komen te staan), acteurs die eisen dat andere acteurs niet spelen – het antisemitisme-­discours is een circus dat je van de ene in de andere verbazing doet vallen.

Om bij Shakespeare te blijven. De oppergod van de Amerikaanse literaire kritiek, Harold Bloom (ja, joods), schreef twee jaar geleden een jubelende bespreking van Trials of the Diaspora, een boek waarin de Engelse topjurist Anthony Julius (hij ook) het op zich neemt een geschiedenis van het Britse antisemitisme te schrijven. Nu is er over die karakteristieke vorm van antisemitisme inderdaad een boek te schrijven. Ik (ook joods) heb het aan den lijve ondervonden en ben er jaren later nog niet over uit hoe dat nu precies in elkaar zit. Laat ik ermee volstaan te zeggen dat ik een beschaafdere en meer welgemanierde vorm nog moet tegenkomen en dat dat op de een of andere manier verontrustend is.

Harold Bloom windt er geen doekjes om: The Merchant of Venice is antisemitisch. Waar Anthony Julius het stuk nog wel wil beschouwen als een representatie van antisemitisme gaat Bloom verder als hij stelt dat het naoorlogse humaniseren van Shylock zijn monsterlijkheid alleen maar doet toenemen. Een merkwaardige uitspraak. Dat humaniseren is een door de geschiedenis ingegeven reactie. Sinds de Tweede Wereldoorlog wordt Shylock niet meer gespeeld als een karikaturale, inhalige en boosaardige jood, maar als een bittere man, die door zijn onaangename gedrag laat zien wat uitsluiting, vervolging en beschimping met een mens doen. Het zit allemaal, en overduidelijk, in Shylocks beroemde ‘If you prick us, do we not bleed?’-monoloog.

Die regels worden vaak geciteerd, maar de andere, waarin Shylock de reden van zijn wraakzuchtige gevoelens verklaart, zelden. ‘He hath disgraced me, and hindered me half a million; laughed at my losses, mocked at my gains, scorned my nation, thwarted my bargains, cooled my friends, heated mine enemies; and what’s his reason? I am a Jew. (…) The villany you teach me, I will execute, and it shall go hard but I will better the instruction.’ Je zou zeggen dat een beroepslezer als Harold Bloom in staat moet zijn om The Merchant te analyseren als een tekst die gaat over het werkelijke vergif van discriminatie, en dat is niet de kwetsuur van degene die zo wordt bejegend, maar het feit dat racisme, homofobie, seksisme, antisemitisme, noem maar op, op den duur het monster schept waarvoor het slachtoffer wordt gehouden. Shylock is de schepping van Shakespeare, maar meer nog het product van de jodenhaat van zijn tijd.

Er is wat voor te zeggen dat antisemitisme minder met joden heeft te maken dan met antisemieten. Veel, misschien wel de meeste antisemieten weten helemaal niets van joden, kennen ze niet en zijn niet bijster geïnteresseerd in het object van hun obsessie. Neem Mel Gibson, acteur, regisseur en erelid van het internationale gezelschap van notoire anti­semieten. Zijn vroegere vriend en compagnon Joe Esterhasz, scriptschrijver van Flashdance, Basic Instinct, Sliver en Showgirls, is net als Gibson streng katholiek. In het boek dat Esterhasz over zijn getroebleerde vriendschap met Gibson heeft geschreven blijkt de laatste een idioot zoals je ze maar zelden tegenkomt. Hij haat iedereen, inclusief zichzelf, maar meer nog haat hij joden. Tijdens een gesprekje tussen de twee onthult Gibson dat de thora (de eerste vijf boeken van het oude testament, voor wie het niet meer weet) passages bevat waarin christenen door joden bij wijze van religieus offer worden vermoord. Daarmee voegt Gibson een nieuw hoofdstuk toe aan het dikke boek over de oude beschuldiging dat joden christelijke maagden offeren om met hun bloed matzes te bakken. Dat die offerpassages staan in een tekst die stamt uit een tijd waarin nog niet zoiets bestond als christendom hindert Gibson niet. Het is een vorm van antisemitisme die zo stompzinnig is dat je er alleen maar om kunt lachen. Gelooft Gibson wel in joodse mensenoffers, in de holocaust niet. Dat is, volgens hem, ‘mostly a lot of horseshit’ en joden zijn ‘just a bunch of oven dodgers’. Antisemitisme is makkelijk als het zo duidelijk is.

Ingewikkelder wordt het als Arsenal-fans een website voor donaties opzetten en de gierigste bijdragers belonen met een davidster. Grapje? In de orde van Theo van Goghs beruchte ‘Wat ruikt het hier naar caramel? Vandaag verbranden ze alleen de suikerzieke joden’?

Van Goghs uitspraken, door sommigen gezien als humoristische kritiek op joodse exploitatie van de holocaust, horen bij een chaotisch complex waarin de moord op het Europese jodendom enerzijds wordt gerelativeerd en anderzijds wordt geduid. En die duiding is zelf ook weer relativerend. De vraag is wat het doel kan zijn van dergelijke humor. Is dat ontkenning, is het kwetsen, of gaat het verder en is dit een van de vele koppen van de hydra die antisemitisme is? In het geval van Van Gogh dacht de rechter, na een lange tocht door het juridisch bestel, dat dat laatste niet het geval was en dat hij niet de bedoeling had joden in het algemeen, als groep, te beledigen. Dat kan zijn. De suggestie is dan dat joden die zich wel geraakt voelden lange tenen hadden en niet als jood naar Van Goghs uitspraak hadden moeten luisteren, maar als niet door de geschiedenis geraakte identiteitslozen.

Dat kun je vinden. Net zoals je kunt vinden dat Van Gogh een uitspraak deed waarvan elke simpele ziel op zijn Hollandse klompen kon aanvoelen dat die kwetsend was voor op z’n minst een groot deel van een bevolkingsgroep. Of dat tot een veroordeling moet leiden kan de vraag zijn, maar het is naïef om te denken dat zo’n uitspraak, bedoeld om schrijver Leon de Winter te kwetsen, niet op een bevolkingsgroep is gericht.

Iets vergelijkbaars gebeurde met een column van een zekere Arnold Scheepmaker, die in september 2006 in het studentenblad Havana schreef: ‘Sinds de nazitijd is het niet echt cool om negatieve dingen te zeggen over joden, maar soms snap ik best hoe het in 1937 allemaal zo ver heeft kunnen komen.’ De rechter besloot dat die column binnen de strafrechtelijke grenzen van de vrije meningsuiting bleef.

Zijn vrienden en fans beschouwden Van Goghs grappen ook als een vorm van vrije meningsuiting, maar de vraag wordt zelden gesteld, laat staan beantwoord, om welke mening het dan precies gaat als je het hebt over de geur van caramel en het verbranden van suikerzieke joden of als je wel snapt waarom de Duitsers zoveel joden vermoorden.

Veel interessanter dan de vraag of en in welke mate we dat soort uitspraken voor antisemitisch moeten houden, is dan ook de kwestie van relativering en duiding. Waar houden die op te zijn wat ze zijn en waar begint iets dat vertrekt bij nonchalance en aankomt bij ontkenning?

Mij overkwam het na een lezing dat een lid van het publiek zich, zonder aanleiding, hardop afvroeg hoe het toch kwam dat joden door de eeuwen heen zo vervolgd waren. Nu gaat mijn werk niet over de oorlog en voel ik mij ook niet geroepen om het daar de hele tijd over te hebben. Mijn antwoord was daarom nogal vaag: dat het ingewikkeld was, een lange geschiedenis, enzovoort, enzovoort. Dat bleek merkwaardig genoeg het signaal voor een deel van de aanwezigen om hier eens verder over te filosoferen. Als je zo vaak werd vervolgd, dan zou je je natuurlijk toch kunnen afvragen of het ook niet een beetje aan jezelf lag? Misschien kwam het wel door de grote invloed van joden in de financiële sector. En in de media! vulde iemand aan.

Ik vind het verontrustende uitspraken, vooral de suggestie dat de shoah wel eens de eigen schuld van de joden kan zijn, maar ik ben er niet over uit of ze antisemitisch zijn of vooral domme stereotypen.

Echt ingewikkeld wordt het als dat soort ideeën meer zijn dan stereo­typen. Die Arsenal-fans, bijvoorbeeld, plaatsten hun afkeurende davidsterren op een forum dat de titel ‘We are the Herd’ draagt. Is dat een verwijzing naar de kozakkenhorden, die zich onder Chmielnicki nogal intensief bezighielden met het uitmoorden van joden? Je zou zeggen dat de gemiddelde voetbalfan niet over zoveel historisch besef beschikt. Anderzijds: ik ken zwaar getatoeëerde, kaalgeschoren Feyenoord-fans met een gymnasiumopleiding.

Duidelijker wordt het als Duitse voetballiefhebbers Itay Shechter, een Israëlische speler in dienst van Kaiserslautern, tijdens een trainingssessie uitschelden voor vuile jood en daarbij de nazigroet brengen. Minder duidelijk is het als het om het Palestijns-Israëlische conflict gaat en compassie met en steun aan de Palestijnen tot retoriek leidt die zwaar leunt op verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog.

Sommige critici van Israël kunnen de verleiding niet weerstaan om vergelijkingen te trekken met de Tweede Wereldoorlog. Wat de staat Israël de Palestijnen aandoet, kan alleen maar worden vergeleken met wat nazi-Duitsland de joden ooit aandeed, vluchtelingenkampen zijn concentratiekampen en de Palestijnen de joden van de joden. Op YouTube wemelt het van de zelfgebakken filmpjes waarin dit soort parallellen aan de hand van veel beeldrijm zichtbaar worden gemaakt: hekken van concentratiekampen en daarachter de joden in streepjesvodden versus het hek om een Palestijns vluchtelingenkamp, de beroemde foto van het joodse jongetje met pet en geheven handen (gemaakt tijdens een razzia in het getto van Warschau) versus eentje waarop een huilend Palestijns jongetje staat.

Zijn er overeenkomsten tussen die beelden? Ja, dezelfde als die tussen een pak wasmiddel en een wolkenkrabber.

Het moet toch mogelijk zijn om, zonder de trieste situatie van de Palestijnen te relativeren, iets te zeggen over de Israëlische politiek zonder de perverse vergelijking te maken met de nazipolitiek die tot de moord op zes miljoen joden leidde?

Wie het gebied betreedt waar over Israël en de Palestijnen wordt gesproken, ziet de vlaggen wapperen van het zionisme en antizionisme. Ik ben allesbehalve een zionist. Het idee om deze tijd een natiestaat te stichten vind ik een politiek en cultureel anachronisme. De gedachte dat het iets betekent als je in Enschede bent geboren, in plaats van tien kilometer verderop, in Gronau, vind ik idioot. Het is een naïef idee, dat fijn klinkt als Thé Lau ‘Iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen’ zingt, maar ik hecht eraan. Er is genoeg pragmatisme in de wereld om mij de illusie van het wereldburgerschap toe te staan. Maar ik heb ook een meer praktisch probleem met de zionistische gedachte. Veel joden in een land is iets anders dan een land voor joden. Dit gaat niet alleen om de gedachte, die door veel Israëliërs wordt aangehangen, dat eigenlijk alle joden ‘naar huis’ moeten komen, maar vooral over het idee dat een land vooral een plek voor één soort mensen is.

Zionisme is dus niet mijn ding. Maar antizionisme ook niet. Al was het maar omdat het Israël verbiedt wat het andere volkeren toestaat. En ook omdat het soms zo’n huiveringwekkend huwelijk is tussen antisemitisme en kritiek op zionisme.

Er is een verschil tussen de staat Israël en joden. Zoals de katholiek niet gelijk is aan het Vaticaan en de eigenaar van het Chinese restaurant op de hoek niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het beleid van de Chinese overheid, zo zijn joden niet de vertegenwoordigers van het Israëlische beleid. Desondanks zijn radicale antizionisten vaak niet in staat dat onderscheid te maken en dat is dan weer de wortel van een ingewikkelde woekering waarin het ‘De Joden’ zijn die ‘De Palestijnen’ iets aandoen en voor je ‘40-45’ kunt zeggen zijn de eersten de nazi’s voor de laatsten, want het is veel pikanter om ‘de joden’ slecht te laten zijn dan zoiets abstracts als een staat.

De aantrekkingskracht van de vergelijking heeft niets te maken met de slechte omstandigheden in de bezette gebieden. Het is een fascinatie die voortkomt uit de behoefte om het shoahleed te compenseren door de slachtoffers van toen van hetzelfde in onze tijd te beschuldigen. Die ver­gelijking is een balsem voor West-Europese gevoelens van schuld voor wat er gebeurde enerzijds en wrevel over het eindeloze van de herinnering anderzijds. Voor de Arabische wereld, waar de vergelijking nazi’s-joden ook graag wordt gemaakt, is het een sleutel die directe toegang geeft tot dat schuld-wrevelcomplex.

Maar het heeft ook iets te maken met de onuitgesproken verwachtingen die aan de jonge ‘joodse staat’ kleefden. Dat waren dezelfde verwachtingen die ontstonden na de Russische Revolutie. Beide sociale en politieke experimenten riepen ideeën op die te maken hebben met een diepgevoelde behoefte aan een nieuw begin, een schone lei en de Umwertung aller Werte. De beeldtaal die daarbij hoort, vertoont opmerkelijke overeenkomsten. De geknechte Russische arbeider die transformeerde tot de spierbundel die de held van de revolutie heet, ziet er niet heel anders uit dan het kampslachtoffer dat uit het niets een land opbouwt. Maar het Russische experiment ging ten onder aan staatsterreur en blind centralisme en Israël bleek een land te zijn als alle andere, waar helemaal niet de godganse dag werd gevolksdanst en men utopisch-socialistisch in kibboetsiem hokte.

De voorstelling van Israël als een soort Asterix en Obelix-dorpje dat zich moedig handhaafde te midden van omringende vijandige naties, een vluchtheuvel voor de slachtoffers van de West-Europese geschiedenis, maakte plaats voor het meer realistische beeld van een staat die net zo laakbaar handelde als, bijvoorbeeld, de Britten in Noord-Ierland en de Nederlanders in Indonesië. En dat hadden we van ‘de joden’ niet verwacht.

De grote ommekeer in de naïeve beeldvorming over Israël kwam na de slachtpartij in Sabra en Shatila. Op 16 september 1982 trokken falangisten die Palestijnse kampen in Libanon binnen. In de daaropvolgende twee dagen werden ruim duizend Palestijnen (cijfers van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken) vermoord met vuurwapens, messen en bijlen. Het Israëlische leger, dat zich sedert een eerdere inval in Libanon bevond, had kunnen ingrijpen, maar hield zich afzijdig.

In de krantenberichtgeving van die dagen was het aanvankelijk onduidelijk wie precies de kampen in was getrokken en in enkele gevallen werd gesproken over het Israëlische leger dat dat samen met de falangisten had gedaan. In de krant waarvoor ik destijds over kunst en cultuur schreef verscheen een hoofdredactioneel commentaar dat als strekking had dat je anders had mogen verwachten van de joden, die zelf zo veel hadden meegemaakt in de oorlog. Mijn ingezonden brief, de eerste en enige die ik ooit schreef en waarin ik mij afvroeg of het commentaar soms suggereerde dat Auschwitz bedoeld was als een soort collectieve opvoeding van de joden, opdat ze maar nooit iets slechts zouden doen, werd niet geplaatst.

Maar het is een legitieme vraag. Als je Israël verantwoordelijk houdt voor iets afschuwelijks en de daad van de staat vervolgens als een daad van ‘de joden’ beschouwt en dat dan weer verbindt met wat ‘de joden’ in de Tweede Wereldoorlog is overkomen, wat probeer je dan aan te tonen? Dat Israël gelijkstaat aan ‘de joden’ en dat die het beter moeten doen dan de Nederlanders, de christenen, de eskimo’s? Dat de joden tussen 1936 en 1945 hun lesje zouden moeten hebben geleerd?

Gevoeligheden over en weer leiden tot onbeheerste instinctieve ­reacties als we over antisemitisme, antizionisme en de staat Israël praten. De irrationaliteit van het antisemitisme vindt een pendant in de irrationaliteit van joodse overgevoeligheid daarvoor. Deze maand nog kon een concert in het auditorium van de Universiteit van Tel Aviv niet doorgaan omdat tegenstanders er de halve regering bij haalden om dat te verhinderen. En dat omdat er een paar stukken van Wagner op het programma stonden. Nu was Wagner een antisemiet die populair was bij antisemieten, maar zijn werk houdt zich vooral bezig met een nogal warrige mix van Noordse mythes over niet-bestaande Duitse geschiedenis. Moet je muziek verbieden omdat de verkeerde mensen het mooi vinden, omdat de componist een antisemitisch warhoofd was?

Dezelfde irrationaliteit doemt op in de discussie die losbarstte rond de 4 mei-herdenking waar overgevoelige joden (althans die ene man die zich Federatief Joods Nederland noemt) de rechter wilden laten verbieden dat ook Duitse gevallenen werden herdacht en de krantensites spontaan volstroomden met commentaren waarin ‘de joden’ ervan werden beschuldigd ‘onze dodenherdenking te claimen’ en de ‘joden doen hetzelfde als de nazi’s’-constructie’ van stal werd gehaald. Er waren commentaren (op de site van NRC Handelsblad) als: ‘Deze rechter geeft mij het gevoel dat ik in een joodse staat leef, waarin een joodse minderheid dicteert hoe ik moet denken’ en de vraag werd gesteld of de rechter zich nu ook zou gaan bemoeien met kerkdiensten als joden bezwaar maakten tegen de woorden van Jezus. Anderen spraken over ‘de joden [als] een piep klein (sic) splintergroepje met zelf ook aardig wat boter op hun hoofd’. Een enkeling sprak het vermoeden uit dat de rechter ‘zeer waarschijnlijk zelfs joods’ was of concludeerde dat ‘toetsenbordzionisten (…) deze lokale gebeurtenis hebben weten op te blazen’.

Wat je ook wilt en kunt denken over de actie van fjn (en voor de duidelijkheid: ik vond het onzinnig), er is geen aanleiding om te denken dat Nederland nu ineens een joodse staat is waarin ‘de joden’ bepalen wat men moet denken en het zionisme heeft er al helemaal niets mee te maken. Het kan mijn overgevoeligheid zijn, maar ik voel een lichte huiver als een gesprek over vorm en inhoud van de dodenherdenking met zoveel gretigheid tot dit soort suggesties en veralgemeniseringen leidt.

Waar ging die Fassbinder-affaire van 25 jaar geleden eigenlijk over? Ik kom daarop terug omdat ik denk dat die gebeurtenis veel zegt over het wederzijds onbegrip dat tot zoveel smoezelige confrontaties leidt. Destijds, in de Gouvernestraat in Rotterdam, manifesteerde zich iets wat ik alleen maar kan omschrijven als een uitbarsting van onderdrukte woede. Toen het dagelijks leven na de oorlog weer werd opgepakt was er weinig aandacht voor het joodse leed. Het was overheidsbeleid om te benadrukken dat het hele Nederlandse volk had geleden en niet één groep in het bijzonder. Maar van de 140.000 Nederlandse joden werd 75 procent (104.000 tot 110.000) vermoord. Die zeer zwaar getroffen groep vond weinig gehoor voor haar beroerde omstandigheden. Sterker: joden die terugkeerden uit kamp of onderduik en een wereld aantroffen waarin hun familie, hun bezit en zelfs hun herinneringen er niet meer waren, werden niet met open armen ontvangen. Op dat moment begon een tweede onderduik, in dit geval het verbergen van gevoelens van rouw, woede en wraakzucht. Die gevoelens kwamen pas weer naar boven toen de vrijlating van de Drie van Breda, in 1972, ter sprake kwam. De emoties rond die kwestie en de nasleep daarvan hebben ertoe bijgedragen dat de na­oorlogse generatie, geraakt door de kwetsuren van ouders en groot­ouders, zich zelfbewuster ging opstellen. Die ontwikkelingen maakten het werk mogelijk van Leon de Winter, dat het begin is van ‘de joodse literatuur’ in Nederland.

Anderzijds hebben ze geleid tot grote gevoeligheid voor antisemitisme en de weigering om zoiets nog langer te accepteren. Niet-joods Nederland, dat zich de ‘iedereen heeft het moeilijk gehad en nu gaan we weer aan het werk’-houding van de overheid eigen had gemaakt, werd overvallen door zoveel en zulke sterke emoties. De ruimte tussen de onverwerkte joodse gevoelens van boosheid en rouw en de gevoelens in de rest van de samenleving, dat het allemaal lang geleden is en niet specifiek joods, hebben een braakland geschapen waarover heen en weer wordt geroepen en het meeste onduidelijk, slecht begrepen en slecht gehoord blijft. Er is een Fassbinder of een Shakespeare voor nodig om daarin helderheid te verschaffen.