23 april 1918 – 14 april 2009

Maurice Druon de Reyniac

De Franse schrijver en oud-politicus Maurice Druon schreef het bloed terug in de Franse geschiedenis en prees De Gaulle als de laatste echte leider.

VOOR FRANKRIJK-GANGERS die het land slechts kennen van de Michelingids en klank- en lichtspektakels van de VVV is het misschien schrikken, maar wat Fransen vanouds hun patrimoine (‘nationaal erfgoed’) noemen is een nogal onverkwikkelijk fantasma van bloed en bodem, roomse piëteit en met de hooivork in de hand afgedwongen lokaalromantiek. In de verering van dit ‘eeuwige’ Frankrijk ontmoeten hoge en lage cultuur elkaar al sinds de negentiende eeuw toen restaurateur Viollet-le-Duc besloot lieflijke puntdakjes op de citadel van Carcassonne te zetten die er in de Middeleeuwen nooit op hebben gezeten.
Merkwaardig genoeg heeft de reactionaire historicus en schrijver Maurice Druon veel bijgedragen aan de ontmanteling van dat bedrieglijke romantische beeld. Aanvankelijk leek zijn schrijverschap geblokkeerd te worden door de oorlog. Als kleinzoon van gevluchte Russische joden vocht Druon tot de laatste kogel in de wanhoopsslag bij Saumur, ging in het verzet en week in 1942 uit naar Londen, waar hij voor Charles de Gaulle werkte. In de vrijmetselaarskroeg White Swan schreef hij samen met zangeres Anna Marly en zijn oom, de schrijver Joseph Kessel, het fameuze Chant des Partisans.
Na de oorlog wijdde hij zich geheel aan de pen. Hij gebruikte zijn Prix Goncourt, in 1948 gekregen voor de roman Les grandes familles, om een schrijversatelier op te zetten onder leiding van Edmonde Charles-Roux. De historische romanserie Les rois maudits (‘De vervloekte koningen’) die onder zijn naam verscheen, heeft veel aan haar en aan de begaafde stylist Pierre de Lacretelle te danken. Druon heeft hun alle eer bewezen die hun toekwam, maar de inspiratie voor het project kwam ontegenzeglijk van hem. En de cyclus staat nog immer als een huis.
Hij opent met de morele ontsporing van Filips de Schone. De koning verkeert in geldnood en besluit in 1307 de Tempeliers van ketterij te beschuldigen teneinde hun bezittingen te naasten. Het komt hem te staan op de fameuze vervloeking van hun aanvoerder, kruisridder Jacques De Molay. De zeven romans beschrijven de halve eeuw vol oorlogen, hongersnoden, sluikmoorden, gijzelingen, huwelijkskuiperijen en pauselijke intriges waarin deze vloek bewaarheid wordt. Behalve om de Franse troonopvolging draait de handeling ook om de machtstrijd in het graafschap Artois tussen de vileine douairière Machteld en haar imposante maar grofbesnaarde neef Robert III.

Door de ogen van deze Robert – belichaming van de rusteloosheid van feodaal Frankrijk, open naar alle kanten en begeerd door al zijn buren – schetste Druon een tot dan toe ongekend, niets verhullend panorama van de platvloersheid en machtswellust van edelen en kerkvorsten, nauw verborgen onder een laagje vroomheid en hoofse manieren. In de romans wordt geneukt, gemoord en op het laagste morele niveau geïntrigeerd. De ‘sodomiet’ Edward II wordt ter dood gebracht zoals dat in het echt is gebeurd: de beul drijft een roodgloeiende pook in zijn anus. De schrijver geeft zijn personages graag de ruimte om de contemporaine oordelen over vrouwen te ventileren: onder de twintig zijn ze te naïef, boven de twintig te lelijk om serieus te nemen.
En hij bekent tegen het eind openlijk zijn sympathie voor de cholerische, machtsbeluste Robert wanneer ‘onze held’, op het slagveld ongeëvenaard maar politiek uitgespeeld, in 1342 door Bretonse boeren wordt opgejaagd en als een dolle beer afgemaakt. Daar staat tegenover dat wanneer de liefde een enkele keer triomfeert, onbeholpen en omgeven door schroom en heimelijkheid zoals het destijds moet zijn gegaan, de beschrijving even aards als ontwapenend is.

HELAAS WAS Druon een karikatuur van zijn boeken. Als gaullist was hij begin jaren zeventig even minister van Cultuur, maar hij maakte zich door zijn ‘robertisme’ onmogelijk. Hij klaagde dat het vooruitstrevende Tweede Vaticaans Concilie (1962-65) zich ‘in de eeuw had vergist’ en dat het ‘de roeping van een kerk is om zekerheden te prediken, niet om twijfel te zaaien’. Karakteristiek was de lompe uitspraak waarmee hij zich keerde tegen toetreding van Marguerite Yourcenar tot de Academie Française: ‘Voor je het weet zitten er veertig van die dametjes te breien bij de zittingen van de taalkundecommissie.’ Eigenlijk was de schrijver bij zijn leven al niet van deze tijd, schrijft een Franse krant.
Dat is waar, maar het zegt ook iets over onze heerlijke nieuwe wereld. Druon zocht bij hedendaagse leiders tevergeefs naar innerlijke overtuiging en oprechte machtswil. Eigenschappen die hij voor het laatst herkende in De Gaulle, een in 1940 vrijwel onbekende generaal die het lef had om via de Britse radio te verkondigen dat hij, en niet de collaborerende maarschalk Pétain, Frankrijk vertegenwoordigde.
Wie macht wil uitoefenen mag zich noch achter zijn volgelingen (of kiezers), noch achter hogere machten verschuilen. De vluchtigheid van het mandaat in de moderne democratie herinnert aan de voosheid van de ‘Franse’ pausen die door Filips in een schitterend paleis in Avignon werden geïnstalleerd, maar nooit de goddelijke zegen of het respect van de gelovigen afdwongen. In Druons romancyclus doolt een van hen, Johannes XXII, rusteloos door zijn werkkamer. Zijn investituurfeest is voorbij, de gasten zijn vertrokken en hij loopt met kleine pasjes alsof hij vreest dat de grond onder hem elk moment kan wijken. ‘En de wind van de Rhône kroop onder de deuren door en weeklaagde in de gangen van zijn mooie nieuwe paleis.’