31 mei 1911 - 9 oktober 2010

Maurice Félix Charles Allais

Hij was de enige Franse econoom die ooit de Nobelprijs won. Zijn kennis en inzichten wilde hij in de eerste plaats gebruiken om de wereld te verbeteren.

SINDS DE KREDIETCRISIS over ons vaardig is, buitelen de economen over elkaar om te claimen dat zij hem zagen aankomen. De enige vooraanstaande econoom die met recht die aanspraak kon doen gelden, werd in 1911 geboren boven een onaanzienlijk Parijs kaaswinkeltje. Maurice Allais was een kind van de Eerste Wereldoorlog en de economische depressie van de jaren dertig, een combinatie die het beste en het slechtste in zijn generatie naar boven bracht.
Zijn vader vocht in 1914 aan de Marne en stierf een jaar later in Duits krijgsgevangenschap. Maurice zwoer zijn vaders naam hoog te zullen houden en wist zulke goede schoolresultaten te behalen dat hij in 1931 werd toegelaten tot de École Polytechnique. Twee jaar later studeerde hij af als ingenieur. De toegepaste wetenschap lokte, al was het maar om wille van den brode, maar Allais was een geboren theoreticus. Hij verschanste zich in een baan op het ministerie van Mijnbouw en begon vrijwel dadelijk te publiceren over natuurkundige onderwerpen.
Net als andere westerse landen maakte Frankrijk een diepe economische en politieke crisis door. Die uitte zich in electorale instabiliteit, straatgevechten, massastakingen, extreem-rechtse agitatie en een diepe morele verslagenheid bij de hele burgerij. Slechts een enkele creatieve of verlichte geest roeide tegen de stroom in. Allais werd geen communist, fascist of snob, maar besloot zijn leven te wijden aan de vraag hoe de maatschappelijke malaise moest worden overwonnen. Hij koos voor de economie op heel andere gronden dan hedendaagse economen die - als je enquêtes onder economiestudenten mag geloven - in meerderheid voornamelijk aan hun portemonnee denken.
‘De krach van 1929 heeft mijn aandacht op de economie gericht’, zei Allais ooit. Na een bezoek aan de Verenigde Staten, waar de depressie zo mogelijk nog harder had toegeslagen, maakte hij een soort bekering door. 'Toen ik er was in 1933 was dat land een massagraf van industrieën. Dat gegeven wilde ik uitdiepen, dat wilde ik begrijpen.’ Hij deed dat met hetzelfde vooruitgangsoptimisme dat in die jaren ook leefde in de exacte wetenschappen: 'Ik wilde de armoede en werkloosheid helpen opheffen, de levensomstandigheden verbeteren’, zei hij later in interviews: 'Ik hoopte in de economie een antwoord te vinden op tal van andere problemen die de wereld bezighielden. Ik zag het als een manier om mensen te helpen.’
Zijn motivatie was sociaal, maar zijn mentaliteit bleef die van de Franse topambtenaar die vraagstukken niet oplost door vuile handen te maken maar door ze als cartesiaanse puzzels vanachter het bureau op te lossen. Behalve evidente nadelen heeft die mentaliteit ook een groot voordeel. Een cartesiaan hoeft zich niet neer te leggen bij wat bestaat, hij mag dromen van ongekende verten mits hij zijn dromen rationeel en liefst wiskundig kan onderbouwen. De voornaamste bijdrage van Allais aan de economische wetenschap lag dan ook op het terrein van de rationele keuzetheorie. Hij kreeg er in 1988 als eerste en vooralsnog enige Franse econoom de Nobelprijs voor.
Zijn specialisatie bracht hem in contact met economen als Friedrich von Hayek en Ludwig Mises. Hij nam samen met hen in 1947 deel aan de oprichtingsconferentie van de neoliberale Mont-Pélerin Vereniging, maar Allais weigerde het handvest te tekenen omdat het naar zijn opvatting te veel nadruk legde op het eigendomsrecht en het dogma van de vrije markt en de rationele consument. Mensen zijn volgens Allais geen rationele wezens en zelfs hun berekende keuzes zijn enkel rationeel vanuit de optiek van de beslisser. Hij verduidelijkte dit met zijn 'gelijkenis van de reiziger uit Calais’.
Als een gehaaste reiziger zonder kaartje in de trein van Calais naar Parijs stapt, zal de conducteur geneigd zijn een oogje toe te knijpen omdat één extra reiziger hem geen financiële strop oplevert. De machinist zal echter bedenken dat als zestig reizigers hetzelfde doen er een extra treinstel moet worden aangehangen, zodat deze reiziger ten minste moet opdraaien voor één-zestigste van de afschrijving van een treinstel. De baanchef zal eisen dat de reiziger proportioneel opdraait voor de kosten van een voorziene verdubbeling van het aantal treinen. De spoorwegdirectie ten slotte zal de extra kosten van een vergroting van het hele spoornetwerk proportioneel willen doorberekenen. Die vergroting heeft weer tal van maatschappelijke gevolgen die althans bij benadering aan de reiziger berekend moeten worden.
De kosten van een goed of dienst zijn dus afhankelijk van de maatschappelijke consequenties van de keuze die een beslisser maakt. Geen enkele economische beslissing kan los van die maatschappelijke gevolgen worden bezien. Dit inzicht maakte Allais tot tegenstander van de onbeperkte marktwerking, een verzet dat hij tot zijn laatste dag volhield ook al plaatste hij zich volgens vele vakgenoten daarmee definitief buiten de orde. In zijn ogen profiteerden alleen de grootste bedrijven en de goed opgeleide, goed verdienende bovenlaag van de samenleving van de vrijhandelspolitiek die de Europese Gemeenschap sinds 1974 en de Europese Unie en de Wereldhandelsorganisatie sinds 1995 opleggen. In La crise mondiale aujourd'hui (1998) zette hij nauwkeurig uiteen waarom ons kredietkaartenhuis momenteel instort. In wezen komt dat doordat het onze tijd zowel aan goede directeuren als aan verantwoordelijke conducteurs ontbreekt.