Max van Weezel 9 juli 1951 – 11 april 2019

Scherp, humorvol, charmant en onpartijdig bewoog de journalist Max van Weezel zich veertig jaar in de hectare rond het Binnenhof.

‘Bij Max vroeg ik me wel eens af’, schrijft Kamervoorzitter Khadija Arib in het Liber Amicorum dat de redactie van Vrij Nederland voor hem maakte, ‘wie was er eerder, Max of de politiek? Ik denk eigenlijk Max, maar dat kan ik helaas niet bewijzen.’ Aan dat Liber Amicorum, dat vorig jaar mei verscheen, toen Max van Weezel al ongeneeslijk ziek was, werkten niet alleen collega’s mee, maar ook de bepalende politici van de afgelopen decennia: van Mark Rutte tot Dries van Agt, van Hans Wiegel tot Frits Bolkestein, van Ed van Thijn tot Job Cohen.

Allemaal roemden ze zijn vakmanschap, ze vreesden zijn scherpte, maar laafden zich tegelijkertijd aan zijn humor en charme. Max van Weezel werd als linkse jongen journalist bij een links weekblad in een linkse tijd, maar politici van alle kleuren voelden zich serieus en fair door hem behandeld. Zoals Wiegel het formuleerde: ‘Ja, we stonden ideologisch ver van elkaar af. Maar ik vond het lollig dat Max er andere ideeën op nahield, en hij vond dat volgens mij van mij ook. We konden het heel goed scheiden: je politieke opvattingen en de vraag of je op elkaar gesteld was.’ Ik heb Max vaak zelfs horen zeggen dat vvd’ers aardiger zijn dan linkse politici, die de ideologische messen altijd geslepen hadden.

Veertig jaar bewoog Max van Weezel zich in de hectare rond het Binnenhof. In 1976 werd hij redacteur bij Vrij Nederland, drie jaar later vormde hij een politiek duo met Joop van Tijn. Het was de glorietijd van het weekblad van het linkse levensgevoel, dat wel voer bij de rechtse kabinetten Van Agt en Lubbers. Vrij Nederland voerde oppositie tegen het opkomende conservatieve tijdsgewricht, maar tegelijk ontwikkelden Van Weezel en Van Tijn een vorm van politieke verslaggeving die de partijdigheid ontsteeg. Ze waren meesters in het politieke interview, en in de politieke reconstructie. Dat laatste genre werd op de VN-redactie soms licht geringschattend ‘kleedkamerjournalistiek’ genoemd, maar het tekende waar Van Weezel en Van Tijn in waren geïnteresseerd: niet alleen de politiek voor de bühne, maar ook die achter de schermen: daar kon je achterhalen hoe de macht werkt.

Die nieuwe vorm van politieke journalistiek is ingehaald door de tijd, of is niet meer exclusief aan Vrij Nederland voorbehouden. Reconstructies verschijnen overál. Politieke interviews ook, ze kennen bovendien geen enkele onbevangenheid meer. Politiek assistenten, mediastrategen en voorlichters zien de vraaggesprekken vooral als marketinginstrument en proberen hun bazen te behoeden voor de geringste uitglijder. Max van Weezel wist – met zijn staat van dienst en met zijn grote vermogen een sfeer van vertrouwdheid te creëren – nog wel spraakmakende interviews te maken, maar het werden er minder en hij was de uitzondering op de regel. Zoals hij ook de uitzondering was als markante eenling.

Zijn tas leek een chaos, maar Max wist precies dat ene stuk uit 'Ha’aretz' of 'Le Monde' te vinden

Terwijl de kranten nu Haagse redacties hebben die groter zijn dan vrijwel alle opiniebladredacties en politiek verslaggevers hun eigen specialismen hebben en in ploegendienst werken, was Max van Weezel de laatste journalist die op het Binnenhof en met name ook in sociëteit Nieuwspoort lééfde. En dan was hij bij ieder debat, bij elke nazit, en ook op ieder politiek congres. Je moest, wist hij, de politieke ins en outs niet alleen volgen, maar ook voelen en ruiken. En hij was zoals een journalist van oudsher werd uitgetekend: morsige regenjas, uitpuilende leren tas, sigaren, sigarendoosjes om aantekeningen op te maken. Multitasker voor het woord bestond, telkens de nieuwste technologie aan dat multi toevoegend: hij kon tegelijkertijd een gesprek voeren, aan een stuk tikken, naar Radio 1 luisteren door een oortje, en googelen op zijn smartphone.

De tas van Max was legendarisch. Hij bevatte in de tijd dat ik met hem samenwerkte in de hoofdredactie van Vrij Nederland ongepubliceerde stukken die driftig van strepen en aantekeningen waren voorzien, internationale tijdschriften vol ezelsoren bij interessante stukken, uitgescheurde krantenknipsels uit de wereldpers. Die tas leek een chaos, maar Max wist na enig grabbelen altijd precies dat stuk uit Ha’aretz of Le Monde te vinden dat van toepassing was. En eigenlijk was dat niet eens nodig, want zijn geheugen was fenomenaal en om het even als het over de Haagse politiek ging, Israël, New Labour of de nieuwste geopolitieke ontwikkelingen: Max was een wandelende encyclopedie.

Gaandeweg ontwikkelde Max zich tot allround journalist: hij interviewde, maakte columns, boeken, schreef behalve over ‘Den Haag’ over Israël, over de ‘gewone man’ die eerst op Fortuyn en later op Wilders stemde, werd radiopresentator van Met het oog op morgen en Argos, met die hartelijke stem van hem die eeuwig jongensachtig leek te blijven. Hij was niet alleen een character, hij was gewoon ook heel succesvol. Een journalist die zelf steeds meer een BN’er werd. En toch, je hoefde Max helemaal niet zo goed te kennen om dat te zien, knaagde altijd ook de onzekerheid. Hij was niet, om met Ischa Meijer te spreken, het jongetje dat alles goed moest maken, maar het jongetje dat telkens weer zijn bestaansrecht moest bewijzen.

Al werd hij na de oorlog geboren, de oorlog werkte altijd in hem door. Hij was een seculiere jood en juist de oorlogsgeschiedenis was bepalend voor zijn identiteit. Natascha van Weezel liet in haar documentaire en boek over de derde generatie zien hoe haar joodse ouders – Max was getrouwd met Anet Bleich – haar ook doordrenkten met de oorlog, haar van herdenking naar herdenking sleepten. Max reflecteerde daar steeds openlijker op en schreef er prachtige brieven over met zijn dochter.