Max von Sydow, 10 april 1929 – 8 maart 2020

De carrière van de Zweedse acteur Max von Sydow was rommelig, met Ingmar Bergman als startpunt en nieuw succes vanaf de eeuwwisseling, toen zijn ouderdom hem extra gravitas gaf.

Acteurs zijn vaak vreemde verschijningen in films. Wat telt is dat ze er zijn, hun gezichten, hun lichamen, hun fysieke aanwezigheid, nog helemaal los van de rol die ze spelen. Het is een beetje zoals met feestjes, waar je het leuk kunt vinden dat een bepaald iemand er is, zonder dat je die persoon daadwerkelijk hoeft te spreken. Hun aanwezigheid vergroot de feestvreugde. Omgekeerd kun je op hun aanwezigheid, zonder dat je enige interactie met ze hebt, ook afknappen; wat doe die nou weer hier?

Wanneer je Max von Sydow – in de laatste decennia van zijn carrière bij uitstek een bijrolacteur – in een film tegenkwam, was dat bijna altijd zo’n verhoging van de feestvreugde. Hij zag eruit als iemand zoals Quentin Blake die getekend zou hebben voor de boeken van Roald Dahl. Een lang, dun lichaam, waar hij zelf nooit helemaal raad mee leek te weten. Omdat hij zo vaak in het zwart gekleed ging, staken zijn pianovingers extra af, en leken ze extra knokig en lang. En dan het zware accent in zijn versleten stem – die altijd leek te breken.

Je kon Von Sydow in een film vanuit je ooghoek voorbij zien komen – terwijl het geluid van je tv uitstond en je eigenlijk iets anders aan het doen was – en direct het gevoel hebben dat er extra gewicht werd toegevoegd aan de film. Von Sydow stierf vorige week, op zijn negentigste, al had je het waarschijnlijk ook geloofd als het zijn honderdste of honderdtiende was. Misschien kwam dat gewicht van Von Sydow gewoon door het feit dat hij zo oud was, zoveel levenservaring met zich leek mee te dragen.

Zijn ouders waren Maria Margareta, barones Von Rappe, een lerares, en Carl Wilhelm von Sydow, een hoogleraar in Scandinavische folklore. Carl Wilhelm was vijftig toen hij zijn zoon kreeg – hij was dus, kun je zeggen, twee generaties verwijderd van zijn zoon. Al snel kreeg vader Von Sydow een serie kleine beroertes, die hem veranderden, minder aanspreekbaar maakten. De zoon was jong, met zijn eigen leven bezig, en was te weinig nieuwsgierig om zich te verdiepen in wat er met zijn vader gebeurde.

De eerste echte vaderfiguur in zijn leven, zo zou hij later zeggen, was Ingmar Bergman. Hij leerde hem kennen toen hij naar Malmö verhuisde en ging spelen bij de stadsschouwburg waaraan Bergman verbonden was. ‘Max’, zei Bergman later, ‘je bent de eerste en beste Stradivarius die ik ooit in mijn handen heb gehad.’ Von Sydow speelde hoofd- en bijrollen in Bergmans films. De bekendste: Det sjunde inseglet, of Het zevende zegel (1957), waarin hij een cynische ridder speelt die terugkeert van de kruistochten en een schaakwedstrijd met de Dood aangaat.

Von Sydow speelde veel rollen die hij niet ideaal vond, zoals nazi’s

Hij speelde ook de hoofdrol in Jungfrukällan, of De maagdenbron, in 1960. Het is een typische Bergman-film, waarin iedereen God aanspreekt en God maar blijft zwijgen. En het is ook een typische Von Sydow-film, waarbij je je moet afvragen of hij nu aan de goede of de slechte kant staat. In dit geval is hij de rijke vader van een vermoorde dochter, die haar moordenaars – armlastige herders – koelbloedig en gruwelijk om het leven brengt.

‘Ik weet nog het moment waarop ik beroemd werd’, vertelde Von Sydow later. ‘Het was op het filmfestival in Cannes bij de vertoning van De maagdenbron. Ik liep de zaal in als een persoon en liep de zaal weer uit als een ander.’

In de decennia erna klopten alle internationale filmmarkten aan zijn deur. Hij werd gevraagd voor de rollen van Dr. No, in de eerste James Bond-film met Sean Connery, en kaptein Von Trapp in The Sound of Music. Hij weigerde, al bleef hij de rest van zijn carrière rollen spelen die hij niet ideaal vond; ontzettend veel nazi’s, malicieuze aristocraten en kwaadaardige kapitalisten. In 1973 scoorde hij met zijn rol als duivel-uitdrijvende priester, in de onmiddellijke klassieker The Exorcist.

In de jaren zeventig en tachtig schipperde Von Sydow tussen rollen in commerciële producties – die hem inhuurden voor wat extra gravitas – en meer artistieke films. Hij was niet altijd handig in zijn keuzes, maakte een tijdlang geen films, zag een rol in Bergmans meesterwerk Fanny en Alexander aan zich voorbijgaan – ondanks het feit dat Bergman het script met hem in gedachten had geschreven – omdat zijn agent een te hoog salaris vroeg. Hij dreef sowieso weg van Zweden; gaf zijn staatsburgerschap op en werd officieel Fransman.

Je kunt je afvragen of zijn rommelige carrière in die tijd niet juist heeft bijgedragen aan zijn tweede jeugd als acteur, vanaf de eeuwwisseling, toen hij inmiddels rond de zeventig was. Juist omdat hij nooit die grote, gezichtsbepalende rollen had gespeeld konden gelauwerde regisseurs hem inzetten als een oude kracht waar niet te veel filmgeschiedenis aan kleefde. De kijker beleefde hem als een onbeschreven blad. Zoiets. Ridley Scott, Martin Scorsese en Steven Spielberg zochten hem voor rollen in blockbusters als Robin Hood en Minority Report. Drie seizoenen lang speelde hij de Three-Eyed Raven in de succesvolste tv-serie van het decennium, Game of Thrones. De rol was hem op het lijf geschreven. Zijn hoofd en zijn handen, meer was er niet van hem te zien – de rest bleef bedekt in een zwart gewaad.

In 2012 zei Von Sydow, in een interview op de Amerikaanse tv-zender pbs, dat hij in zijn jeugd had getwijfeld of er een hiernamaals was. Lang had hij zichzelf als atheïst gezien, iets waarover Ingmar Bergman met hem in discussie ging. ‘Als ik sterf, zal ik je opzoeken’, had Bergman gezegd, ‘om je te laten zien dat er leven na de dood is.’ En, vroeg de interviewer, heeft hij dat gedaan? Ja, zei Von Sydow, maar verder wilde hij er niet over uitweiden.