Maya’s lip ‘hoe verzoen je het licht en de duisternis? de egyptenaren besloten dat ze elkaar aanvullen. overdag gaan de doden naar ra en ’s nachts horen ze bij osiris. heel simpel’

ALS JE ERGENS moeite voor moet doen, wordt het altijd mooier. Misschien dat ik daarom zo getroffen werd door Maya en Merit: de zaal waarin ze stonden, bevond zich onder aan een lange trap die ik met moeite was afgedaald; ik was immers moe. Maar stiekem denk ik dat ze mijn aandacht ook gevangen zouden hebben wanneer ze, zoals momenteel het geval is, gewoon gelijkvloers hadden gestaan.

De zaal beneden was bomvol. Er was te veel om alles te kunnen zien. Ergens vanuit een ooghoek ving ik een zwarte sarcofaag op, die zo diep was dat alleen al in het deksel met gemak een mens had gepast. Alleen al zijn dikte maakte hem afstotelijk (zo dik zijn windsels toch niet?), zodat ik iets aantrekkelijkers zocht om naar te kijken. Mijn blik bleef haken aan Maya en Merit; aan de rest van de zaal ben ik daarna niet meer toegekomen.
Ze stonden indertijd in een ruime nis, met ervoor zo'n miezerig touwtje dat zegt dat je afstand dient te houden. Maar dat touw hielp niets, ook vanachter die demarcatielijn zogen hun gezichten me naar zich toe, zodat ik gebiologeerd terugkeek, gefixeerd als een konijntje door een slang.
Twee grote beelden en een kleiner duo. De losse man was meer dan levensgroot en keek - ja hoe? Intens? Zijn hoofd stak licht naar voren, zijn linkerhand omknelde iets, het leek of hij op het punt stond zijn bovenlichaam voorover te buigen, zijn ogen licht toegeknepen - dat stomme touw ook dat ons scheidde! - om beter terug te kunnen kijken. Hij had een licht buikje dat zacht boven zijn gordel welfde. Zijn dunne hemd plooide op zijn borstkas. De losse vrouw, kleiner, vijftig centimeter verderop geplaatst, zat er rustiger bij. Ze hield een voorwerp tegen haar middenrif gedrukt. Uit alles bleek dat dit een paar was, en het is lastig uit te leggen waarom. Hun gezichten leken op elkaar, ze hadden broer en zus kunnen zijn, maar dat was het niet; eerder sprak er een soort eensgezindheid uit de beelden, iets dat stijl en handschrift van een kunstenaar oversteeg, iets dat hen tot stel aaneensmeedde en dat iets, die eendracht, was ronduit roerend.
Twee meter naast de losse beelden zat een miniversie van het echtpaar naast elkaar op een gedeelde stoel. Merits ene arm was daar onzichtbaar, die had ze achterlangs om Maya heen geslagen; hij hield weer dat voorwerp in zijn hand geklemd. Ze zaten er meer ontspannen. Hun gezichten hadden er ook een andere uitdrukking, vooral het zijne: er krulde iets als een glimlach rond zijn lippen, een spotlach haast.
Ik keek lang terug. Alledrie de beelden waren uiterst gedetailleerd. Je kon de losse vlechten van hun pruik tellen en de geplisseerde vouwen van gewaden oogden vers gestreken. Hun voorschoot zat vol inscripties, waarin werd verteld wie ze waren en wat ze hadden gedaan. Op sommige plaatsen waren de beelden gehavend: bij het duobeeld was Maya’s rok onderaan beschadigd, en wat was dat daar bij zijn lip? Het leek een sneetje, een inkeping. Warempel - het losse beeld had ook zo'n plek, op precies dezelfde plaats, rechts onder. Wat was er met Maya’s lip?
DE OUDE Egyptenaren geloofden niet in naturalisme. Het ging hen erom een hogere waarheid uit te beelden: ze wilden de natuur tonen zoals zij er bij haar oerschepping door de goden moet hebben uitgezien, zonder de onvolkomenheden die het menselijk handelen erin heeft gebracht. Om iemand doeltreffend en wèrkelijk te portretteren, moest je hem idealiseren. ‘Portretteren’ is daarom niet het juiste woord: er werd geen feitelijke gelijkenis nagestreefd. De Egyptenaren vingen iemands geest, iemands identiteit in een beeld, z'n levenskracht. Zijn ka, kortom. Dus die lip, dat kon geen litteken wezen. Het moest een latere beschadiging zijn. Maar als die inkeping bij beide beelden op dezelfde plaats zat, kon dat toch moeilijk toeval zijn? Het moest haast wel om een bewust aangebrachte beschadiging gaan.
Ik schoot iemand van het museum aan en vroeg hem naar Maya’s lip. Tssk, nu ik het zei, het was hem nog nooit opgevallen, maar ik had gelijk: beide lippen waren op dezelfde plaats beschadigd! De enige verklaring die hij kon bedenken, was dat iemand Maya het spreken had willen beletten. Niet alleen de ka, de identiteit, kan in een beeld zetelen, maar ook de ba: het bewustzijn. Grafrovers staken beelden daarom wel de ogen uit of hakten hun voeten eraf om te voorkomen dat ze de rovers konden identificeren of hen achterna konden komen, zei de museummeneer. Was dat misschien ook gebeurd bij Maya? Had iemand zijn mond willen sluiten? Hij zou navraag doen bij bevoegder personen.
ZO KWAM HET dat ik vorige week tegenover Maarten Raven zat, conservator van de Egyptische afdeling van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden.
Raven: 'Behalve de ka, afgebeeld als twee beschermende armen, kenden de Egyptenaren ook de ba: zeg maar het bewustzijn, of misschien ook wat christenen de ziel noemen. De ba wordt afgebeeld als een vogel met een mensenhoofd. De ba kon tijdelijk afwezig zijn: bijvoorbeeld tijdens de slaap, door dronkenschap of de dood. Maar de ba komt altijd terug. Na de dood vliegt de ba overdag weg, de zon achterna. ’s Nachts moest de ba weer veilig in het lichaam kunnen terugkeren. Dat lichaam diende daarom goed geconserveerd te worden: zou het vergaan, dan had de ba geen onderkomen meer en stierf iemand een tweede, “echtere” dood. En die ba moest niet alleen terug naar het lichaam omdat dat nu eenmaal zijn rustplaats was, maar vooral omdat lichaam en geest altijd bij elkaar horen, ook na de dood. In zekere zin ben je in het dodenrijk nooit echt dood: je neemt mee wat je had, je doet er alles wat je voorheen ook deed, tot en met voortplanten toe.’
En eten, dus. Het voorwerp dat Maya in zijn hand houdt, blijkt een servet te zijn. Hij zit namelijk klaar om de maaltijd die hem bij wijze van offer gebracht zal worden, te nuttigen.
Niet iedereen kwam het dodenrijk in: je had rekenschap af te leggen over je daden aan het einde van je leven, dan oordeelden de goden of je het dodenrijk mocht betreden. De Egyptenaren geloofden dat na hun dood hun hart op een weegschaal werd gelegd. Het hart was voor hen cruciaal: denken en voelen zetelden er, en het geweten stapelde zich er op (aan de hersenen kenden ze geen betekenis toe). Het gewicht van hun hart bepaalde hun recht van toegang: het diende zo licht als een struisvogelveer te zijn. Anoebis en Horus hanteerden de weegschaal, Toth bracht rapport uit aan Osiris. Wie te zwaar van hart was, zakte en wist zijn hart gevoerd aan Ammoet, de dodenverslinder: een monster met de kop van een krokodil, het bovenlichaam van een leeuw en het onderlichaam van een nijlpaard. En wie binnen was, moest binnen zien te blíjven, wat niet eenvoudig was.’
De voorbereidingen die getroffen werden om iemands voortbestaan in de dood te garanderen - de uitrusting van het graf, de balseming, de bezittingen en de giften die de doden meekregen - kostten niet alleen tijd en energie, maar ook veel geld. Wat betekende dat voor degenen die arm waren? Konden zij hun ka en ba wel voldoende beschermen? Waren ze niet bang dat ze te weinig in huis hadden om in het dodenrijk te overleven?
'Wat de hoge ambtenaren en de farao’s deden, kon haast niemand anders zich veroorloven. De anderen volstonden met amuletten, een paar voorraadpotten gevuld met voedsel en drank, en soms wat gereedschap en sieraden. Hun lichaam werd in lappen gewikkeld in een kuil gelegd. Natuurlijk waren ze bang dat dat niet voldoende was… Maar dat waren de rijken ook, die vreesden eveneens dat wat ze deden niet genoeg was. Hoe ze ook hun best deden zich met de dood te verzoenen, de Egyptenaren bleven er bang voor.’
Beelden en mummies zijn in zekere zin 'bezield’. Hoe werkt dat?
'Hun ba zit erin… Beelden waren voor de Egyptenaren niet zomaar levenloze voorwerpen, dingen: ze zijn wat ze afbeelden, de realiteit zelf. De Egyptenaar beschouwde die twee als onscheidbaar: de afbeelding van de werkelijkheid was even echt als de werkelijkheid zelf. De tempelbeelden dienden om iemands beeltenis zichtbaar en tastbaar te maken, waarna de beelden verzorging behoefden; het waren immers levende wezens geworden. Wanneer een beeld af was of de dode gebalsemd en gemummificeerd, voerden de Egyptenaren een ritueel uit om het leven erin op te roepen. De mummie werd overeind gezet, en de ogen, de neus, de mond en de handen ervan werden aangeraakt om te zorgen dat al die lichaamsdelen konden functioneren. Meteen daarna werd hem de eerste offerande voorgezet.’
De beelden die bij de graven zijn gevonden, lijken soms doelbewust beschadigd te zijn. Waarom?
'Meestal moest het gezicht het ontgelden. Soms verminkte iemand een grafbeeld om de dode te kwetsen, om de herinnering aan hem te verdoemen of om wraak op iemand te nemen. De Romeinen hebben daar een mooie term voor: damnatio memoriae. En mogelijk waren het soms grafrovers die het deden: ze vernielden ogen en mond om te voorkomen dat de doden hen konden identificeren en straffen.’
VERTELT U EENS over Maya…
'In 1975 zijn we begonnen met zoeken. We wisten dat zijn graf aan het begin van de negentiende eeuw is geplunderd; later is het weer onder het zand bedolven geraakt. Een aantal beelden uit zijn graf is toen bij verzamelaars terechtgekomen, en in de vorige eeuw heeft het RMO de beelden van Maya en zijn vrouw Merit aangekocht. Die kwamen hier in 1829, op Nieuwjaarsdag.
In 1843 reisde een Pruisische expeditie onder leiding van Lepsius naar Sakkara. Die vond het graf en heeft het deels blootgelegd. Het raakte opnieuw onder zand bedolven, maar ditmaal waren er afbeeldingen van een aantal reliëfs gemaakt, en plattegronden. Ergens in de jaren vijftig van deze eeuw herkende iemand de naam in die aantekeningen als die van “onze” Maya; het idee begon te rijpen om zelf een expeditie te sturen. In 1975 gingen we, in samenwerking met de Egypt Exploration Society. We vonden echter niet het graf van Maya, wel dat van Horemheb, die als generaal onder Toetanchamon diende. In zekere zin was dat nog bijzonderder dan Maya’s graf: Horemheb werd namelijk kort na de dood van Toetanchamon zelf farao, en nu was niet alleen zijn faraograf bekend, in Thebe, maar ook zijn oudere generaalsgraf. In 1986, twaalf jaar nadat we zijn gaan zoeken, vonden we Maya’s graf ten slotte.
Maya was een van de hoogste ambtenaren aan het einde van de Achttiende Dynastie, lid van het “team van grote mannen” van Toetanchamon. Hij was directeur van het Schathuis, zeg maar: minister van Financiën en Binnenlandse Zaken ineen, en beheerde daarnaast openbare werken. Maya organiseerde onder meer de inrichting van Toetanchamons graf en die van de twee graven van Horemheb. Hij heeft zowel Toetanchamon als diens opvolger Ay begraven. Maya had de beschikking over eersteklas kunstenaars om het werk uit te voeren. De beelden van hemzelf en zijn vrouw Merit zijn schitterend! Het zijn de mooiste beelden van dit museum.’
Hoe lang heeft Maya geleefd?
'Dat weten we niet precies. Er is onder Toetanchamons voorganger, Achnaton, sprake van een hoge ambtenaar, een hoofddirecteur, die May heet. Deze May heeft voor zichzelf een graf aangelegd en daarvan zijn nog in diezelfde periode alle inscripties waarin zijn naam voorkwam, dichtgekalkt. Zoiets is zeldzaam, en het is onduidelijk waarom dat gebeurd is. Misschien omdat hij in ongenade was gevallen.
Maar er is een aannemelijker verklaring. Achnaton heeft in de paar jaar dat hij heerste, van 1379 tot 1362 voor Christus, een revolutie willen ontketenen: het polytheïsme moest vervangen worden door een monotheïstische godsdienst gewijd aan Aton, de zon zelf. Onder zijn regering heeft een ware beeldenstorm plaatsgevonden: beelden en tempels die gewijd waren aan andere goden werden vernietigd. May heeft daar, als een van zijn hoogste ambtenaren, aan meegewerkt. Kort na Achnatons dood werd Toetanchamon farao - of nu ja, in naam dan: hij regeerde niet zelf, hij was pas negen - en meteen werd het polytheïsme in ere hersteld. Achnatons opvolgers beschouwden z'n revolutie als ketterij, en hebben de sporen van zijn heerschappij zoveel mogelijk gewist. Het lijkt aannemelijk dat de May die onder Achnaton diende, dezelfde is als onze Maya, en dat hij door zijn naam uit zijn grafinscripties te verwijderen, zijn verleden als iconoclast heeft trachten te verdonkeremanen. Maya’s taak onder Toetanchamon was immers onder meer om nieuwe godenbeelden te maken, de oude waren in opdracht van Achnaton vernietigd. Mogelijk dus door Maya zelf, en het was niet handig als te veel mensen dat verleden kenden.
Wat we zeker weten is dat hij diende onder de farao’s Toetanchamon, Ay en Horemheb. En mogelijk onder Amenhotep III, Achnaton en Smenchkare; hij moet in de vijftig zijn geweest toen hij stierf.’
En die beschadiging aan zijn lip?
'We gaan straks kijken.’
WAT VINDT U het meest bijzonder aan de oude Egyptische cultuur?
'Dat die drieduizend jaar bestaan heeft. Dat is uitzonderlijk lang. Misschien houdt die levensvatbaarheid verband met het gemak waarmee ze alles met elkaar wisten te rijmen, met tegenstrijdigheden konden leven. In Egyptische teksten is het doodnormaal om in de ene alinea iets te beweren en de alinea erna iets te zeggen dat daar recht tegen ingaat. Waar wij meestal vinden dat het ’t één moet zijn òf het ander, meenden de Egyptenaren dat het best alletwee kon zijn: ze waren meesters in verzoening.
Neem Bast, de godin van de katten. Katten waren een soort huiselijke goden. Maar haar andere hoedanigheid is Sachmet: de leeuwin, een ontembare furie, die wild en woest is en bloed drinkt. Die twee zijn dezelfde, in verschillende manifestaties.
En de doden zelf… Enerzijds vloog hun ba steeds naar het licht, naar de zon, naar Ra; anderzijds was Osiris de heerser over het dodenrijk, de onderwereld. Hoe verzoen je die twee, het licht en de duisternis? Dat is een belangrijke theologische kwestie. De Egyptenaren besloten dat ze elkaar aanvullen. Overdag, als de zon boven het land schijnt, gaan de doden naar Ra; en ’s nachts volgen ze de zon onder de aarde, tot in de duisternis, en horen ze bij Osiris. Heel simpel.’
WANNEER WE LATER in het museum voor het dubbelbeeld staan, wijs ik de beschadiging op Maya’s lip aan. Raven knikt: ja, die kent hij. We lopen naar het enkele beeld en ik kijk Maya - May - op de lippen. Niets. Gaaf. Ja, een verfrestje rechts onder, en een missende schilfer; dat is alles. Het moet een truc van het licht zijn geweest, daar beneden in die zaal aan het eind van de lange trap. Mijn gezelschap en de museummeneer zagen het immers ook?
Een lichte teleurstelling welt op. Ik had graag iets nieuws aan Maya ontdekt. Maar eigenlijk is het passend dat hij me beduveld heeft, en ik heb er een mooi verhaal voor teruggekregen. Maya blijkt bij leven een shiftshaper te zijn geweest: van May naar Maya, van polytheïst naar monotheïst en weer terug, en daar dan de sporen van uitwissen. Zijn lippen waren indertijd al verzegeld. Verzoend, haast. En hij deed het nog zelf ook.