Mccarthy als mecenas van de avant-garde

‘Als dat kunst is, ben ik een Hottentot’, luidde een gevleugelde uitspraak van president Harry S. Truman over de abstracte kunst zoals die in de jaren vijftig met artiesten als Willem de Kooning, Jackson Pollock, Robert Motherwell en Marc Rothko opbloeide in de Verenigde Staten. Het abstracte expressionisme kon in de tijd van Joseph McCarthy en diens comite van on-Amerikaanse activiteiten, gericht op handhaving van de allerbeperktste kleinburgermoraal, op louter afkeuring rekenen. Het congres van afgevaardigden reageerde woedend toen de Amerikaanse regering in 1947 als hoofdsponsor optrad van de expositie Advancing American Art. Uitroepen als ‘Betalen we belasting voor deze troep?’ zetten toen de toon der kritiek.

Dit kunstklimaat laat zich moeilijk rijmen met de recente onthullingen van de Britse tv-zender Channel 4 over geheime CIA-operaties ter ondersteuning van de Amerikaanse avant-garde in de koudste dagen van de Koude Oorlog. Volgens ex-CIA-medewerker Donald Jameson onderkende de Amerikaanse geheime dienst vanaf haar oprichting in 1947 gelijk de politiek-culturele potentie van de abstracte kunst. ‘De CIA zag in dat abstract expressionisme de soort kunst was waartegen het socialistische realisme nog meer rigide, nog gekunstelder en beperkter afstak dan het al was’, aldus Jameson. De CIA besloot dan ook als mecenas op te treden van de de wildste avantgardisten die New York rijk was.
Vanzelfsprekend gebeurde dat in het geniep. De betreffende kunstenaars voelden zich in de regel uiteindelijk zeer verwant met de grote communistische droom. Jameson: 'Als je mensen moest gebruiken die zichzelf op een of andere manier meer verwant met Moskou voelden dan met Washington, was dat des te beter.’
En zo organiseerde de CIA via allerlei mantelorganisaties als het Congres for Cultural Freedom - actief in meer dan 35 landen - grote reizende tentoonstellingen voor moderne Amerikaanse kunst in Europa. Befaamde exposities als The New American Painting (1958-'59), Modern Art in the United States (1955) en Masterpieces of the Twentieth Century (1952), te zien in alle grote steden van Europa, waren stuk voor stuk betaald door de afdeling Propaganda Assets Inventory van de CIA. De dienst werkte in dezen ook broederlijk samen met Nelson Rockefeller, wiens moeder het Museum of Modern Art in New York had opgericht. Rockefeller noemde het abstracte expressionisme niet voor niets 'free enterprise painting’ en stouwde 'Mummy’s museum’ ermee vol.
De steun bleef niet beperkt tot abstracte kunstenaars. Op het hoogtepunt troonde de CIA over meer dan achthonderd kranten, tijdschriften en andere periodieken waarin het ongebonden, libertaire karakter van de Amerikaanse kunst werd beklemtoond. Ook jazz-musici, filmmakers, literaire uitgevers konden op undercover-steun rekenen. Een tekenfilm-versie van Orwells Animal Farm werd zelfs geheel door de CIA gefinancierd. Het is kortom zeer de vraag of de moderne Amerikaanse kunst wel had bestaan zonder Koude Oorlog. De moderne kunstgeschiedenis is dringend aan een revisie toe.