H.J.A. Hofland

McCarthy toen en nu

Vorige week was het vijftig jaar geleden dat aan Julius en Ethel Rosenberg, veroordeeld wegens atoomspionage voor de Sovjet-Unie, op de elektrische stoel in Sing Sing het doodvonnis werd voltrokken. Tot op het laatste ogenblik hadden ze hun onschuld volgehouden. Maar in Amerika woedde de heksenjacht van het mccarthyisme. De grote meerderheid van de publieke opinie was bezeten van angst voor het rode gevaar. Er waren al spionnen ontmaskerd, en volgens Joseph McCarthy waren er 207 communistische agenten in het regeringsapparaat doorgedrongen. Angst en paniek heersten. Onder die omstandigheden werd het proces gevoerd. Het naderde tot een volksgericht.

Het werd tot een zaak voor het hele Westen. Europese intellectuelen tekenden petities, er waren uitbarstingen van anti-Amerikanisme. Later is gebleken dat de Rosenbergs wel iets op hun kerfstok hadden maar veel minder dan datgene waarvoor ze zijn veroordeeld.

Als enige krant — bij mijn weten — heeft The New York Times er op 19 juni een hoofdartikeltje aan gewijd. Het besluit als volgt: «De zaak van de Rosenbergs spookt nog steeds door de Amerikaanse geschiedenis. De Amerikanen worden eraan herinnerd hoe de rechtvaardigheid geweld kan worden aangedaan als een natie zich laat meeslepen door hysterie.»

De jaren waarin senator McCarthy met zijn commissie voor on-Amerikaanse activiteiten de publieke opinie en daarmee de buitenlandse politiek van Washington probeerde te dirigeren (en daarin soms ook slaagde) doen in menig opzicht denken aan deze periode. Ook toen waande Amerika zich regelrecht in zijn bestaan bedreigd. China was «verloren gegaan» aan de communisten. Het einde van de oorlog in Korea (deze maand ook vijftig jaar geleden), had het land verdeeld gelaten en in drie jaar aan 62.423 Amerikaanse soldaten het leven gekost. Al in 1949 had de Sovjet-Unie haar eerste geslaagde proef met de atoombom gedaan. Dat de Verenigde Staten niet meer het monopolie hadden, was onder andere te wijten aan de atoomspionnen, Klaus Fuchs en Bruno Pontecorvo; en misschien was Robert Oppenheimer, «vader van de bom», ook niet helemaal te vertrouwen. De Verenigde Naties waren een verdachte organisatie. De geheime diensten waren er niet in geslaagd dit alles aan het licht te brengen. De doodsvijand staat aan de poorten en is onder ons, was de boodschap van McCarthy. Hysterie en woedende vaderlandsliefde waren het gevolg. «Wie niet voor ons is, is tegen ons.»

De kern van het mccarthyisme en dergelijke bewegingen is dat ze een karikatuur van de werkelijkheid maken, en vervolgens proberen alles — elk aspect van de politiek, iedere publieke uitlating — daaraan te onderwerpen. Dat is onmogelijk, het mislukt. De eigenschap van al deze radicale zuiveraars is dan dat ze de oorzaken van hun mislukking zien als bewijzen dat ze gelijk hebben — en zo zichzelf in stand houden tot de uitputting erop volgt. En de oplossing van het grote probleem waar alles om draait, is er niets mee opgeschoten. Het gaat niet om de dreiging, maar om de doelmatigheid van de redactie.

Geen mens zal ontkennen dat het internationale terrorisme het hele Westen bedreigt. Waarschijnlijk is het in Afghanistan een zware slag toegebracht. Of de oorlog in Irak, de verwijdering en de voorlopig spoorloze verdwijning van Saddam Hoessein ertoe hebben bijgedragen, zullen we pas over een jaar of langer kunnen vaststellen, namelijk als een ordelijke democratie in Irak contouren heeft gekregen. Intussen doen de nog niet gevonden massavernietigingswapens (wat niet is kan komen) in de verte denken aan de «207 card carrying communists» die McCarthy in het State Department dacht aan te treffen.

Rechtspraak in de Verenigde Staten begint politieke trekken te krijgen, zoals William Safire al een half jaar geleden heeft vastgesteld. Hij verzette zich tegen de voorgenomen geheime processen. De behandeling van de krijgsgevangenen of politieke gevangenen uit de Afghaanse oorlog — niemand kent hun status — heeft niets te maken met de Conventie van Genève. Amerikanen van Arabische afkomst hebben het, ongeacht hun politieke overtuiging en maatschappelijke status, moeilijker dan andere Amerikanen. Vergeten we niet dat het verzet van Frankrijk, Duitsland en België — het oude Europa — in Amerika een diepe indruk heeft gemaakt. Terecht of niet, dit is een politiek feit: het werd als verraad beschouwd.

Tegen dit grote complex van meningen is kritiek en verzet in grote kranten als The New York Times, The Washington Post, The Los Angeles Times en tijdschriften van een min of meer liberale signatuur.

Aan de andere kant zijn er de grote televisiestations en radioconcerns die hun nieuws overwegend tot een patriottische campagne blijven arrangeren. In dit stadium van de grote oorlog tegen het internationale terrorisme is Amerika nog altijd de hypermacht op zoek naar de vijand. Het besef van grenzeloze macht gaat gepaard met een blijvend gevoel van onzekerheid en angst bij de publieke opinie. Na de in eerste instantie gewonnen oorlog is er behoefte aan duidelijker resultaten, krachtige bewijzen dat men op de goede weg is.

Stuit de hypermacht op zijn grenzen? Misschien, misschien ook niet. Hoe dan ook, het uitblijven van nieuwe grote resultaten valt niet mee. Het maakt de publieke opinie vatbaarder voor het uiterste: de hysterie. Vorige week is een terrorist gepakt die de Brooklyn Bridge wilde opblazen. Het goede nieuws, schreef de The New York Times, is dat hij achter de tralies zit; het slechte dat hij al onderweg was. Het is de moeite waard eens te vermoeden wat er gebeurd zou zijn als dit New Yorkse monument nu aan stukken op de bodem van de rivier zou liggen.

Net als in de tijd van McCarthy is de Amerikaanse openbare mening weer onderdeel van de wereldpolitiek. Bij alle beproevingen waaraan ze de afgelopen twee jaar heeft blootgestaan, is het gemiddelde van redelijkheid bewaard gebleven. Maar op een andere manier dan vijftig jaar geleden zijn alle voorwaarden voor hysterie aanwezig. Met dat zwarte scenario houden we in Europa absoluut geen rekening.