Dave Eggers

McSweeney’s tegen de boze boekenwereld

Ze zijn de pest voor grote uitgeverijen. In het kielzog van de Amerikaan Dave Eggers zoekt een groep jonge schrijvers rechtstreeks contact met de lezers

Ze heeft een pluizig, roze T-shirt aan en een strakke spijkerbroek waar een klein buikje bovenuit piept. Op grote zwarte gympen wiebelt ze ongemakkelijk heen en weer op het podium. Ze leest met een onmiskenbaar Brits accent voor uit haar werk. Links in een hoekje achter haar zit een lange sliert van een jongen met op zijn hoofd een rode puntmuts en een gitaar op zijn knie. Een stevige vent met een snorretje staat naast hem. Ergens achteraan op het podium zit met bungelende benen nog een jongen met een hoofd vol krulletjes. Het is vrijdagavond en het Crossing Border Festival is in volle gang. Het publiek in de salon van De Balie kijkt naar wat in eerste instantie lijkt op een ongedurig kleuterklasje. Toch zijn het wel degelijk volwassenen die op het toneel staan. Bekende schrijvers bovendien.
Het meisje dat voorleest, is Zadie Smith. Afgelopen jaar debuteerde ze met haar roman White Teeth. Nu leest ze een verhaal voor dat ze een paar maanden geleden opstuurde naar McSweeney’s, het satirisch-literaire tijdschrift van de Amerikaanse schrijver Dave Eggers. «Niet dat Dave tijd heeft gehad om het te lezen», schampert ze op spottende toon naar de krullenbol achter haar. Eggers, die met zijn debuut A Heartbreaking Work of Staggering Genius (AHWOSG) in een klap beroemd werd in eigen land, zit stilletjes te grinniken. De avond lijkt wel verzorgd door een stel stand-up comedians. De schrijvers die allen regelmatig publiceren in McSweeney’s, lezen niet domweg voor uit eigen werk maar maken er een regelrechte show van. Op luide, zwaar ironische toon leest schrijver en journalist Neal Pollack voor uit zijn verhalenbundel The Neal Pollack Anthology of American Literature. Het is het eerste werk dat uitgebracht is door Eggers’ eigen McSweeney’s Books. De verhalen uit de Anthology parodiëren stuk voor stuk op het type zelfzuchtige reportages van een doorgewinterde verslaggever. «Ik zit al acht dagen op Cuba en ben met 65 vrouwen naar bed geweest», pocht Pollack terwijl Eggers zich achter hem zit te verkneukelen.
Arthur Bradford, de slungelige jongen met de muts, leest vervolgens over bijen en een broodje kalkoen terwijl hij zichzelf begeleidt op de gitaar. Op het hoogtepunt — het moment waarop hij door de bij in zijn tong wordt gestoken — slaat hij in een vlaag van gespeelde oncontroleerbare woede zijn gitaar aan stukken. Doodgemoedereerd pakt hij een nieuwe gitaar en concludeert, terwijl hij een lieftallig melodietje tokkelt, dat wie kampt met agressie het niet ver zal brengen in deze wereld.
Op de achtergrond proest Eggers het uit. En dat is ook precies waar de auteur van AHWOSG vanavond op uit is: op de achtergrond blijven. Na het succes van zijn romandebuut heeft hij er geen behoefte aan om in het middelpunt van de belangstelling te staan. Ook al treedt de schrijver vanavond zelf ook op, toch is het vooral een McSweeney’s-happening die hier plaatsvindt. Eggers wil zo veel mogelijk zijn collega’s de ruimte geven om zich te manifesteren. Hij houdt er niet van om alleen op een podium uit zijn duizelingwekkende werk voor te lezen. Schrijvers moeten samen werken, het publiek actief bij hun voordrachten betrekken en vooral: lol trappen. Diezelfde houding is ook terug te vinden in de opzet van McSweeney’s. Het satirische tijdschrift dient als platform voor nieuwe ideeën en onontdekt talent. Eggers is dan wel de oprichter maar houdt zich voornamelijk achter de schermen bezig met de eindredactie en de vormgeving.

McSweeney’s, vernoemd naar de meisjesnaam van Eggers’ moeder, bestaat sinds 1998 en wordt in papiervorm elke drie maanden uitgegeven. Het klassiek ogende tijdschrift heeft een negentiende-eeuwse vormgeving en wordt gedrukt in IJsland. De online-versie van het blad wordt bijna dagelijks aangevuld met nieuwe wetenswaarigheden, grappen en verhalen. Beide versies barsten van de originaliteit. Overal staan piepkleine teke ningetjes van Eggers, soms bestaat een verhaal uit een serie illustraties. Op de rug van een van de tijdschriften staat in minuscule lettertjes een kort verhaal van David Foster Wallace afgedrukt en het winternummer van dit jaar bestaat uit een doos met daarin veertien losse boekjes. Ieder boekje bevat een artikel of een aantal verhalen; voorwaarde is dat de schrijver zelf de omslag heeft vormgegeven. «Want waarom zou een auteur», staat er in de bijgesloten handleiding, «die zijn hele wezen, zo niet honderden tot duizenden uren, zelfs jaren van zijn leven heeft opgeofferd, ongelukkig moeten zijn met de manier waarop zijn boek eruitziet? Dat komt overeen met een kapper die een klant een slechte knipbeurt geeft. Laten we zeggen dat een klant een kapperszaak binnenloopt en zijn haar op een bepaalde manier wil laten knippen: kort van voren, lang van achteren. De kapper luistert, knikt met zijn hoofd en doet vervolgens dit: hij negeert de wensen van zijn klant. In plaats daarvan knipt hij diens haar kort van achteren, laat het lang aan de zijkanten en scheert bovenop het hoofd een grote letter ‹S›. Waarom? Omdat de kapper het haar van de klant beschouwt als middel om zichzelf te kunnen uitdrukken.» Een misvatting, en daarom besluit de handleiding met een «Bill of Rights» waarin de rechten van de auteur ten aanzien van zijn boekomslag zijn opgesteld.

Het is niet alleen grappig bedoeld, vertelt een montere Dave Eggers met frisgewassen haren de volgende ochtend in de lobby van het Ambassade Hotel. «Uitgevers gaan er nog altijd vanuit dat de auteur niet weet wat het beste voor hem of haar is. Bovendien denken de meeste schrijvers dat het ontwerpen van een omslag of de distributie van een boek een hoogst ingewikkelde aangelegenheid is. Maar dat valt erg mee. Schrijvers moeten leren omgaan met software-programma’s die ze in staat stellen om zelf het ontwerp van hun boek te maken.»
De opzet van zowel het tijdschrift als McSweeney’s Books is om de macht zoveel mogelijk bij de auteur te leggen. «Ik wil al het vet van het uitgeversproces afschrapen», zegt Eggers. «De relatie tussen schrijver en lezerspubliek kan veel directer. Voor het ontwerpen, de productie en de marketing van een boek heb je niet zoveel mensen nodig. Neals boek heb ik zelf ontworpen en een negentienjarige stagiaire heeft zijn boektournee geregeld. Het kan allemaal heel simpel. Verder speelt internet een cruciale rol. Zonder het web zou McSweeney’s niet kunnen overleven. We hebben bijvoorbeeld geen geld hoeven uitgeven aan publiciteit voor Neals boektournee. Alle data stonden gewoon op de site. Dat kost haast niks. Als je op die manier bezuinigt, kan het merendeel van de inkomsten naar de schrijver gaan. Neal kan nu gewoon leven van de opbrengst van zijn boek zonder dat het meteen een bestseller hoeft te zijn.»
Ondertussen heeft de hele McSweeney’s-familie zich op de banken in de lobby genes teld. Schrijfster Sarah Vowell, die eigenlijk de avond ervoor had moeten voordragen uit haar verhalenbundel Take the Cannoli, is zojuist gearriveerd. Ze had haar vliegtuig gemist. Neal Pollack loopt te mopperen dat hij geen schone onderbroek heeft omdat het personeel op het vliegveld in Brussel staakt en daarom zijn koffer is verdwenen. «I hate those Belgians. They’re ugly people!» mompelt hij. Maar eenmaal betrokken bij het gesprek is hij niet meer te stuiten: «De website van McSweeney’s is echt een gemeenschapsplaats. Het brengt het blad samen. Iedereen kan van alles met elkaar uitwisselen en elkaars werk volgen. Ik krijg e-mails van honderden mensen die mijn verhalen lezen, en ik onderhoud contacten met ze. Op die manier krijgt het blad een menselijk gezicht. Gedurende mijn boektournee kwamen er zelfs nog 25 mensen naar mij luisteren op het strand in Los Angeles. In de stromende regen! De enige plek waar niemand kwam, was op het vliegveld in Baltimore. Omdat je moest betalen om te parkeren. Ik had op een gegeven moment zelfs een lezing in mijn hotelkamer in Las Vegas. Om kwart voor twaalf ’s avonds. Persoonlijk vond ik dat een erg ongunstige tijd maar toch klopten er vier mensen aan. Er was ook een arts bij die Howard heette. Die man bleef tot twee uur in de nacht terwijl hij die ochtend om zes uur weer aan het werk moest.»

Voor de contacten tussen de schrijvers onder ling speelt internet een belangrijke rol. Eigenlijk leert de McSweeney’s-familie elkaar in Amsterdam pas beter kennen. Pollack woont in Chicago, Vowell in New York en Arthur Bradford ergens in Vermont. «Toch heb ik het gevoel dat we kameraden zijn», zegt Vowell. «Wat Neal schrijft vind ik meestal niks, maar ik vind het leuk om met hem in hetzelfde tijdschrift te staan. Het is een gevarieerde groep schrijvers die deel uitmaakt van McSweeney’s. Vrijheid en de zorg waarmee het tijdschrift wordt gemaakt, houden het bij elkaar. Die vrije toon inspireert mensen om zelf te gaan schrijven. Het is net als punkrock. Je wilt het zelf ook gaan doen. Zoals kinderen die vroeger naar de Sex Pistols of The Clash keken en dachten: ik kan ook geen gitaar spelen dus begin ik een eigen band.»
Pollack vindt het belangrijk dat de auteurs onderling een levendige gemeenschap in stand houden: «De meeste uitgevers doen daar niets aan. Behalve hun auteurs naar festivals sturen. Ze steken geen vinger uit bij het creëren van een scene. In de literatuur ontstaan natuurlijk altijd wel bewegingen. Niet dat wij met McSweeney’s hopen dat we de nieuwe beatgeneratie worden, maar we zijn wel bewust bezig om samen een sociaal leven op te bouwen.»

Dat McSweeney’s inderdaad een vergaarbak voor jonge schrijvers is, blijkt uit de manier waarop Zadie Smith zich aan de groep heeft toegevoegd. Arthur Bradford, die gisteravond nog een tweede gitaar in stukjes sloeg en er wat vermoeid uitziet, mengt zich eindelijk ook in het gesprek: «Zadie heeft Dave gewoon opgebeld en gezegd dat ze met ons wilde meedoen. Ze had genoeg van alle oude vrouwtjes die naar haar kwamen luisteren en wilde graag met jonge schrijvers samenwerken en uitgaan.»
De teksten, tekeningen en verhalen die in McSweeney’s verschijnen tonen veel overeenkomsten met AHWOSG. Dave Eggers wordt soms verweten een extreem postmoderne blik op de wereld te werpen. Met zijn onophoudelijke zelfspot en relativeringen drijft hij de lezer af en toe tot uitputting. Worden de schrijvers soms niet doodziek van die nihilistische kijk op het bestaan? En hoe zit dat met hun eigen werk?
«Ik kan gewoon niet serieus zijn», zegt Vowell. «Maar ik weet niet of dat een typische eigenschap van onze generatie is of dat ik gewoon een wijsneus ben. Mijn vader was ook een wijsneus. Mijn verhalen barsten van de zelfreflectie en grappen maar toch zit er ook een — om maar eens een afschuwelijke term te gebruiken — hartverwarmend element in. Het verhaal over mijn vader en zijn obsessie voor pistolen en zijn kanon is niet alleen maar bedoeld om hem als een mafkees af te schilderen. Ik doe ook een poging om hem beter te leren begrijpen. Ik vind dat als ik iemand acht minuten kan laten lachen, ik de andere twee minuten moet besteden aan een soort hartverwarmende troost. Maar het is belangrijk om het op te schrijven zonder dat het sentimenteel of onnozel wordt.»
Bradford, die nog steeds niet helemaal wakker is, heeft een tweede kleine opleving en zegt: «Het is moeilijk om iets te waarderen wat alleen maar cynisch is. Ik probeer verhalen te schrijven die echt een betekenis hebben en niet alleen maar lollig zijn. Alles onderuithalen is niet bepaald het meest bewonderenswaardige wat een schrijver kan doen.»
Volgens Pollack draait het bij Mc Swee ney’s niet louter om een flauwe postmoderne lolligheid: «Zelf wil ik mensen zoveel mogelijk irriteren. Dat heb ik mijn leven lang al gedaan. Maar mijn satire is wel ergens op gericht. Ik word niet goed van artikelen die zijn geschreven door de blanke arrogante reporter die zich uitspreekt over ‹de toestand in de wereld›. Mensen die afdalen naar getto’s om daar de interessante levens van die arme zwarte mensen te bestuderen en er dan achterkomen dat ook zij mensen zijn. Die arrogantie leidt tot vreselijk slechte artikelen, en die houding haal ik onderuit in mijn geweldige Neal Pollack Anthology. Wist je overigens al dat ik de allerbeste schrijver ben die er op dit moment leeft?

AHWOSG van Dave Eggers is in Nederlandse vertaling verschenen bij Vassallucci onder de titel Een hartverscheurend verhaal van duizelingwekkende genialiteit, 387 blz., f49,90. White Teeth van Zadie Smith verscheen bij Uitgeverij Prometheus onder de titel Witte tanden, 408 blz., f39,50. De online-versie van McSweeney’s is te vinden op: www.mcsweeneys.netb