Inleiding zomernummer

Me, my selfie and I

Om de haverklap is ze in het nieuws, ook het Nederlandse. Vorige week nog ging ze ‘lekker shoppen’ met haar zus en baby, schreef Spits. Ze had een zwarte blazer aan, een zwarte strakke broek en schoenen met torenhoge hakken. Onder de blazer droeg ze een top, met uitsnede tot aan de navel. De beha ontbrak, waardoor haar borsten goed zichtbaar waren.

Medium commentaar 27 2014 selfie

Discussie in de krant en op de sociale media: was dit een ‘klassieke look’ of te sexy voor een moeder achter de kinderwagen? Dan was er, onder meer in het AD, nog het bericht over een kleine ‘bikinibattle’ waarin ze met haar moeder was verwikkeld: beiden postten op Instagram foto’s van zichzelf in schaarse badkleding. En echte consternatie ontstond er over de foto die ze verspreidde waarop ze blond haar – een pruik? – heeft en je duidelijk haar rechtertepel ziet. Wat te denken van deze ‘nipplegate’? Op de sociale media, aldus De Telegraaf, komen haar fans er niet uit: showt ze nu een tepel of heeft ze simpelweg een lelijke vlek op haar huidkleurige kleding?

Ze is Kim Kardashian, een Amerikaanse ‘socialite’ die vooral bekendheid verwierf door een uitgelekte sekstape en door het reality-programma Keeping up with the Kardashians dat vanaf 2007 wordt uitgezonden, onder meer door rtl5. En ze is sinds kort getrouwd met de rapper Kanye West. Niet iemand, kortom, om op de cover van een serieus weekblad als De Groene Amsterdammer te plaatsen. Toch siert ze het omslag van ons zomernummer over het nieuwe ik-tijdperk. Want als iemand daar de verzinnebeelding van is, dan is zij het. Ze is, om met de Amerikaanse socioloog Daniel Boorstin te spreken, typisch iemand die beroemd is vanwege haar beroemd-zijn. Bijzondere talenten? Uitzonderlijke prestaties? Ze zijn ver te zoeken. Kim Kardashians voornaamste kwaliteit is dat ze zichtbaar is, en dat ze er zelf alles aan doet om de wereld voortdurend met beelden van zichzelf te voeden. En als zodanig is ze weer studieobject voor voorname media als The New York Times en The New Yorker.

Op Instagram heeft ze een kleine zestien miljoen volgers, op Twitter 22 miljoen. Dagelijks verspreidt ze de foto’s die de paparazzi van haar maken, aangevuld met selfies, die snelle zelfportretten die je met de smartphone maakt en dan onmiddellijk op een sociaal netwerk plaatst. Ze is zogezegd haar eigen paparazzo. Geen wonder dat ze een van de beroemdste selfies op haar naam heeft staan: voor de spiegel, in bodysuit, haar forse kont naar achteren, de linkerborst nauwelijks bedekt. Die selfie is onderwerp van talloze analyses. Haar pose is banaal, ze doet wat talloze makers van selfies doen: haar lichaam zo gunstig mogelijk presenteren voor de spiegel en dan klik en zend. Opvallend is dat ze zelf onverbloemd zichtbaar is, terwijl de omgeving schuil gaat achter neutrale Japanse kamerschermen. Het moet alleen over haar zelf gaan, niks mag daarvan afleiden.

Graaiende bankiers die ons in de kredietcrisis stortten worden als narcisten bestempeld

De selfie is hét symbool van de narcistische tijd waarin wij heten te leven. Stapels boeken zagen de afgelopen jaren het licht over de narcisme-epidemie die over ons heen spoelt. De sociale media moeten het daarin ontgelden, die zijn als de vijver waarin Narcissus zichzelf bewonderde, alleen kon hij zijn spiegelbeeld nog niet de wereld in sturen. De graaiende bankiers die ons in de kredietcrisis stortten worden als narcisten bestempeld, net als messianistische politieke leiders en de zichzelf verrijkende woningbouwbestuurders. Maar eigenlijk zijn we, volgens de Vlaamse psychiater en auteur van de bestseller Borderline Times Dirk De Wachter_,_ allemaal ‘kleine zonnekoninkjes die zelf de regels bepalen hoe te willen leven’. In het interview met hem wijt hij dat aan deze neoliberale tijd: ‘Daar zitten we dan, in een geïndividualiseerde samenleving. Iedereen van ons op zijn geïndividualiseerde eilandje.’

Al die boeken over, al die referenties aan het nieuwe ik-tijdperk (de Amerikaanse schrijver Tom Wolfe muntte de jaren zeventig eerder als the me-decade) waren voor ons reden ons zomernummer eraan te wijden. We lazen de recente boeken over narcisme, grepen terug op de klassieker van Christopher Lasch uit 1979, The Culture of Narcissism, liepen mee met de personal coach, met hedendaagse kluizenaars en zzp’ers. Natuurlijk bekeken we de tentoongestelde selfies van Heleen van Royen in het Letterkundig Museum, maar we gingen ook op pad met Zuid-Afrikaanse straatjongens die anti-selfies maken. We staan stil bij de ik-BV, de homo economicus, die zich bij al zijn beslissingen door eigenbelang laat leiden, bij het nut van zelfkennis en het boekloze schrijverschap. Als onze zoektocht ons iets leert, dan is het dat narcisme een etiket is dat op wel heel veel moderne kwalen wordt geplakt. Het is een diagnose van teleurgestelde, cutluurkritische mannen die onze beschaving al decennia lang afschrijven. Niet dat onze geïndividualiseerde samenleving niet ook om kritiek vraagt, maar de kentering is ook zichtbaar: naar nieuwe vormen van gemeenschapszin.

Is narcisme niet ook, zoals filosoof Simon Blackburn in zijn boek Mirror, Mirror: The Uses and Abuses of Self Love constateerde, een noodzakelijke stap richting zelfkennis? En zelfs de selfie maken we niet louter voor onszelf: hij is er om te delen, een eigentijdse ansichtkaart of brief.


PS: Ons volgende nummer verschijnt 17 juli