Mea culpa

Verantwoording afleggen of rekenschap geven is een pijnlijk proces. Zeker als dit op klaarlichte dag en ten overstaan van een breed publiek moet plaatsvinden. In de tijd dat exhibitionisme nog een zonde was, kon je rustig en in bijna volledige beslotenheid eventjes wat frisse lucht in Canossa gaan happen. Op een professionele kracht na was er geen hond die je mea culpa in de gaten kon houden. Katholieken, wat fatsoenlijke mensen zijn, vonden destijds speciaal hiervoor een donker hokje uit waarin men zijn zielmiasma kon ventileren. Met de komst van de communisten is het opbiechten van zonden een publieke aangelegenheid geworden die men zelfkritiek of bekennen van zijn ongelijk is gaan noemen.

Frits Bolkestein kent zijn klassieken. Te goed zelfs, en daarom hinkt hij voortdurend op twee gedachten. Als het om zelfkritiek van anderen gaat is hij een geharde marxist. Een aanhanger van maoïstische methoden waarin de persoon die door hem als schuldenaar is aangewezen in een openbare show rekenschap dient te geven. Maar wat het bekennen van zijn eigen misstappen betreft is de liberale leider meer een gecultiveerde katholiek die de menigte op een veilige afstand van zijn private beerputten houdt. Het is jammer, want zo zullen wij nooit te weten komen hoe iemand die vandaag als Neerlands enige intellectueel wordt geportretteerd, gisteren nog als loopjongen van de firma Hollandia Kloos heeft kunnen fungeren. Het lijkt me dat je niet van oude communisten kunt eisen dat ze verantwoording afleggen over hun ‘onverwerkte verleden’ terwijl je zelf met geen woord rept over je aandeel in het op één na grootste corruptieschandaal dat de Nederlandse politiek na de oorlog heeft gekend.
Heel even heb ik gedacht dat Bolkestein eindelijk uit zijn biechthokje zou stappen. Het gebeurde op dezelfde dag dat de VVD-leider zijn befaamde interview met Ian Buruma in Het Parool liet afdrukken. In NRC Handelsblad zat namelijk ook een onderhoud met Bolkestein. Daarin somde hij een aantal 'blinde vlekken’ op die oud-premier Ruud Lubbers tijdens zijn staatkundige carrière parten had gespeeld, waaronder de Koeweit-affaire. Maar hier verzandde het Canossa-gangetje van Bolkestein. Hij vertelde verder niet hoe het veertien jaar geleden kon gebeuren dat hij, als staatssecretaris van Economische Zaken, zich als een ordinaire deurwaarder had laten gebruiken om de privébelangen van zijn baas te behartigen. Zo werd Frits Bolkestein door Lubbers en Van Aardenne, de toenmalige minister van EZ, in 1983 naar Koeweit afgevaardigd om een betwiste vordering van Lubbers’ familiebedrijf Hollandia Kloos op Kuwait Airways Corporation binnen te halen. Deze geheime operatie mislukte, en hoewel hij daarvan geen cent rijker is geworden, zou het Bolkestein sieren om afstand te nemen van deze misdaad tegen de ethiek en de politieke moraal. De integere intellectueel die hij is geworden zou best zijn spijt in het openbaar kunnen betuigen: een staatssecretaris mag zich nooit als incassobureau van het privébedrijf van zijn politieke broodheer laten gebruiken.
Dit geschreven hebbende realiseer ik me dat ik niet van Frits iets mag eisen dat ik zelf niet in staat zou zijn te doen. Na een heel lange aarzeling heb ik daarom besloten om het lijk dat mijn kast al een tijdje bewoont op te ruimen. De directe aanleiding wordt gevormd door het pas verschenen boek van Arno Adelaars, Alles over paddo’s, waarin de auteur de lof zingt over zinsbegoochelende paddestoelen, psilocybe cubensis en andere kaalkopjes. Eerder had zijn compaan Erik van Ree hetzelfde gedaan in een Volkskrant-artikel waarin hij ons uitnodigde voor een wonderlijke reis door de hallucinogene psilocybine.
Als ik dit soort verhalen vandaag lees, krijg ik een aanval van koud zweet. Het is wel eens anders geweest. Begin dit jaar schreef ik onder de kop 'Paddoproblemen’ een stuk waarin ik me nogal laatdunkend uitliet over de werking van zinsbegoochelende paddestoelen. Mijn verhaal was gebaseerd op eigen waarneming en mijn conclusie was dat het effect van paddo’s te vergelijken was met dat van een glas lauw bronwater. Ook maakte ik die arme PvdA-leider Jacques Wallage belachelijk omdat hij voor een verbod van die paddestoelen had gepleit.
Ik moet er niet aan denken dat gezonde Nederlandse jongens en meisjes na het lezen van mijn stuk zich hebben overtuigd van het onschuldige karakter van die dingen en met een bloedgang de smart shops hebben aangedaan. Want amper een maand later kreeg ik een smerige paddosoep voorgeschoteld, en dacht ik dat ik gek werd. Ineens bevond ik me niet meer in mijn lieflijke keukentje, maar in een krot in La Paz of Mexico City. Maar het kan ook geweest zijn dat ik vier uur lang in een oude touwslipper maatje 36 heb gewoond of in een blik tomatenpuree heb gesudderd. Precies weet ik het niet meer. Die zwammen zijn puur gif.
Ik geef rekenschap van mijn fouten en bied Wallage mijn excuses aan.
Mea culpa.