Meanderend richting de ondergang – en terug

New York, zomer 2012. In een tweedehands boekhandel verzamelt zich een opgewonden publiek voor een literair optreden. Als je niet een uur van tevoren gekomen bent, moet je een plek op de grond of op de trap zoeken. Volgens een ooggetuige, de schrijver Hari Kunzru, is het publiek voornamelijk jong en hip, twintigers van wat we in Nederland de Literaturfest-generatie zouden noemen. De gast is een 58-jarige Hongaar. Hartelijk neemt hij het langdurige applaus bij zijn opkomst in ontvangst.

Maar deze plotselinge buitenlandse roem moet bij László Krasznahorkai zelf de nodige verbazing hebben opgeroepen. Het is dan ook tamelijk onbegrijpelijk dat een roman uit het communistische Hongarije anno 1985 een literaire hit zou worden onder de hipsterjeugd van literair Brooklyn. Maar toch, in elke hippe koffiebar in Brooklyn hoorde je er vorige zomer pas echt bij als je Satanstango aan het lezen was.

Satanstango en zijn latere roman Háború és háború veroverden de afgelopen jaren tal van landen. Er verschenen vertalingen in het Turks, Bulgaars, Hebreeuws, Frans, Spaans, Pools en zo nog wat talen.

Krasznahorkai is onder cinefielen bekend als scenarist van de arthousefilmer Béla Tarr. De verfilming die Tarr in de jaren negentig maakte van Satanstango heeft door zijn lengte (zeven uur en vijftien minuten) en door de in gruizig zwart-wit geschoten en tot knappen uitgerekte scènes van koeien in de modder een aanzienlijke cultstatus gekregen. Maar buiten ­Hongarije (waar hij een succesauteur is) en Duitsland (waar hij woont) was Krasznahorkai als ­schrijver tot voor kort volslagen onbekend. Zelfs in ­Duitsland, waar alle Midden- en Oost-Europese literaire herontdekkingen hun oorsprong vinden, werd Satanstango pas na twintig jaar weer eens herdrukt. Nu is zijn canonisatie in volle gang, met aandacht in The New Yorker, The New York Review of Books, gastdocentschappen, literaire festivals en gefluister over Nobelprijswaardigheid. Aan Nederland lijkt de wereldwijde opleving in de waardering voorbij te gaan.

Dat is een grote vergissing, want Krasznahorkai is een zeer groot auteur en Satanstango is een meesterwerk. De werkelijkheid onderzoeken tot het punt van waanzin, dat wil Krasznahorkai. Hij mag dan een realist zijn, maar dan wel zoals Beckett, Bolaño, Sebald en Saramago realist zijn. Schrijvers die de werkelijkheid wel onderzoeken maar ze niet in keurige pakketjes willen afleveren. Ook Krasznahorkai heeft een hekel aan de punt en de alinea: kunstmatige afspraken, geen realistische weergave van alledaags taalgebruik. Daarom bestaat Satanstango uit lange, tor­tueuze zinnen die maar geen alinea willen vormen. Zinnen die gemakkelijk een halve pagina kunnen beslaan. Zinnen die de lezer geen ontsnapping geven uit het vertroebelde denken van de personages. Zinnen die ook als ze meanderend verdwalen zo grammaticaal precies zijn dat ze de lezer op een cadans meevoeren richting de ondergang.

Want de ondergang is Krasznahorkai’s terrein. Satanstango zit vol met onheil en ondergang, alles is op weg naar de grootst mogelijke entropie, de totale desintegratie, de Apocalyps. Toen de roman in 1985 verscheen projecteerde men Krasznahorkai’s zwartgallige boodschap op het leven in een dictatoriaal communistisch regime, maar nu lijkt hij wel commentaar op de neoliberale consumptiemaatschappij te geven. En dat is nu juist de kracht van ware literatuur: de boodschap is universeel en van alle tijden.

Er wordt in decolletés gegrepen, in een hoek wordt de overtollige wijn uitgekotst en er wordt een kat vergiftigd

Het verhaal begint op de laatste dag voordat de regens beginnen. De regens zullen maanden aanhouden en de wereld onbegaanbaar maken. De laatste bewoners van een ontmantelde collectieve boerderij wachten op niets als zij horen dat hun verlosser, Irimiás, de man die alles weer goed zal maken, terugkeert. In die bange uren in afwachting, die beginnen met het gerucht van zijn terugkeer en zullen eindigen met zijn eerste stap over de drempel, speelt zich een hallucinant tafereel af waar onder invloed van drank mannen de echtgenotes van hun buurman ­bepotelen. Godvrezende vrouwen hun buurvrouwen begeren. Waar tango wordt gedanst tot men uitgeput ter aarde stort. Er wordt in decolletés gegrepen, in een hoek wordt de overtollige wijn uitgekotst en er wordt nog meer palinka gedronken. Een kat wordt vergiftigd en er wordt overspel gepleegd. Als de zon de volgende dag opkomt, stapt híj over de drempel. Dan ontvouwt zich een verhaal over verraad, oplichting, bederf, over valse hoop en zelfverblinding. Een verhaal dat eindigt in zelfmoord en exodus en diaspora. In chaos.

Of eindigt het niet? Want de dokter van de gemeenschap, de kluizenaar die zich tot doel heeft gesteld het verval buiten te houden door het minutieus observeren en noteren van de werkelijkheid van zijn buren, komt tot het goddelijke inzicht dat hem een magische gave is gegeven: verbeelding. ‘Puur met woorden kan ik de structuur van de gebeurtenissen om me heen bepalen.’ En de eerste verzonnen woorden die de dokter schrijft zijn de laatste van de roman maar ook de openingswoorden van de roman: ‘Op een ochtend tegen eind oktober, vlak voordat de eerste druppels van de onbarmhartig lange herfstregens op de gebarsten grond van het verdorde land ten westen van de kolonie zouden neerdalen (waarna door de stinkende modderzee de landwegen tot het invallen van de vorst onbegaanbaar zouden zijn, zodat ook de stad niet meer te bereiken was), werd Futaki wakker van het gebeier van klokken.’

Zo bijt het verhaal zich in zijn eigen staart en gaat het weer zes hoofdstukken op en weer zes hoofdstukken af, van creatie naar destructie naar creatie. In een eeuwig durende tango.

László

Krasznahorkai

Satanstango

Vertaald door Mari Alföldy, Wereldbibliotheek, 315 blz., € 24,90