Medelijden met de RAF

Patrick Dassen, Ton Nijhuis, Krijn Thijs (red.)
Duitsers als slachtoffers: Het einde van een taboe?
Mets & Schilt, 478 blz., € 25,-

Toen in 1986 bij onze oosterburen de Historikerstreit losbarstte, richtte de verontwaardiging zich niet alleen tegen Ernst Nolte, die had geschreven dat het nationaal-socialisme voor een groot deel een reactie op het communisme was geweest.

Progressief Duitsland viel ook over Andreas Hillgruber heen, die een boekje had gepubliceerd met als titel Zweierlei Untergang, waarin hij naast de moord op de joden ook de ineenstorting van het Oostfront in het laatste oorlogsjaar beschreef en aandacht vroeg voor de veelal gruwelijke lotgevallen van Wehrmachtsoldaten en de voor de Russen vluchtende burgerbevolking.

Andreas Hillgruber werd ervan beschuldigd de genocide op de joden te bagatelliseren en de Duitsers geheel ten onrechte voor te stellen als slachtoffers. Dergelijke kritiek viel ook te horen toen in 1999 Gert Ledigs roman Vergeltung (1956) werd herdrukt. Dat boek beschrijft op welhaast klinische en daardoor ongekend indringende wijze een bombardement op een Duitse stad.

Dit waren slechts twee voorbeelden van de talloze felle debatten die in Duitsland over de Tweede Wereldoorlog werden gevoerd. Uit de echo’s die hiervan in Nederland weerklonken, viel op te maken dat het spreken over het leed van de Duitsers nog altijd taboe was. Pas de laatste jaren lijkt hier verandering in te komen en wordt er meer aandacht besteed aan de geallieerde bombardementen, de massale verkrachtingen door soldaten van het Rode Leger en het lot van de miljoenen Duitsers die uit het oosten werden verdreven.

Het is de verdienste van deze bundel dat niet alleen wordt geschreven over dit Duitse leed, maar tevens over de manier waarop daarmee de afgelopen zestig jaar is omgegaan. Wat opvalt is dat er aan de (niet-joodse) Duitse slachtoffers veel meer aandacht is besteed dan altijd werd aangenomen.

Zo laat Anthonya Visser zien dat de massale bombardementen in de literatuur een veel grotere rol hebben gespeeld dan bijvoorbeeld W.G. Sebald ons wilde doen geloven. Ook de Duitse historici hebben zich lange tijd veel meer beziggehouden met de ‘Duitse catastrofe’ dan met de ‘joodse catastrofe’.

Daarnaast bevat het boek interessante artikelen over de manier waarop in de ddr het slachtofferschap door het regime werd misbruikt, over de slachtoffers van de Stasi en over het ‘slachtofferschap’ van de leden van de Rote Armee Fraktion, waarmee werd getracht de Bondsrepubliek op één lijn te stellen met het Derde Rijk.

Dat laatste was een truc die in de jaren zeventig aardig werkte, ook onder linkse Nederlanders die de methodes van de raf afwezen, maar die in de terrorismebestrijding door de Duitse regering een groter gevaar zagen dan in het terrorisme zelf.