Interview socioloog Richard Sennett

«Medelijden verwondt»

Naarmate de publieke instituties krimpen, wordt het moeilijker mensen te respecteren die zwakker zijn dan anderen. Slimmeriken krijgen waardering, dommen wat geld. «Erkenning moet je organiseren», zegt de Amerikaanse socioloog Richard Sennett.

Hij is antikapitalist, maar wel een zachte. De Amerikaanse socioloog Richard Sennett verzet zich tegen het neoliberalisme en de afbraak van de verzorgingsstaat. Heel kritisch, maar zijn toon is bedaard. Het eisen van rigoureuze omwentelingen laat hij aan anderen over. Zijn revolutionaire agenda beperkt zich tot een constant en vooral onmodieus pleidooi voor staatsgezag en bureaucratie, voor formele en herkenbare structuren waarin mensen zich veilig weten. Beter traag dan onzeker lijkt zijn credo.

Sennett maakte naam met studies naar het klassenbewustzijn onder arbeiders. Ze bleken de middenklasse te haten en er toch deel van te willen uitmaken. Later publiceerde hij over stedelijkheid en publiek domein. Eind jaren negentig schreef hij het verontrustende The Corrosion of Character (in het Nederlands De flexibele mens). Daarin neemt Sennett het modieuze idee dat «flexibele arbeid» iets goeds zou zijn onder vuur. Het voortdurend wisselen van baan en veranderen van bedrijfsdoelen en -structuren in het moderne arbeidsproces maken de werknemer onzeker, ongelukkig en kwetsbaar. Hij kan zich niet binden aan zijn collega’s en ook niet aan de inhoud van zijn werk. Waar je vroeger een groot deel van je identiteit ontleende aan de manier waarop je je brood verdiende, word je tegenwoordig geacht trots te zijn als je elke zes maanden aan een volkomen nieuwe klus kunt beginnen. Voor routine en voorspelbaarheid is geen plaats meer. Onder druk van flexibele arbeid worden mensen footloose en verliezen ze hun betrokkenheid bij anderen. Kort en goed en vrij naar Marx: arbeid vormt ons karakter. Zoals werk nu onder druk van het neoliberalisme is georganiseerd, leidt het ons in vervreemding, of op z’n best in onverschilligheid.

Afgelopen jaar verscheen het vervolg op The Corrosion of Character, getiteld Respect in an Age of Inequality (recent in het Nederlands vertaald). Kunnen we alleen mensen respecteren die even sterk zijn als wij zelf? is de centrale vraag die Sennett opwerpt. Het boek bestaat uit grote stukken autobiografie van een achterbuurtjongen uit een radicaal milieu, die eerst op eigen kracht concertcellist wordt. Na een operatie die zijn linkerhand beschadigt, maakt hij naam als socioloog. Het verhaal over die levensloop wordt afgewisseld met filosofische bespiegelingen over de betekenis van karakter, ruil en afhankelijkheid, met sociologisch onderzoek over buurtwerk in Chicago en Parijs. Je zou zeggen: Richard Sennett is de verpersoonlijking van de American Dream en daarmee probeert hij af te rekenen. Maar daarvoor maakt zijn werk een te erudiete en de man zelf een te fijnzinnige indruk.

Te veel mensen lijden aan een gevoel van onderwaardering omdat ze niet productief zijn of afhankelijk van anderen. Meer respect voor elkaar én meer zelfrespect zullen de grote ongelijkheid niet genezen, maar draaglijk maken. Is een van de twee niet genoeg?

Richard Sennett: «Het gaat me vooral om mensen in de bijstand. Die worden niet echt geminacht, maar niet gezien, niet herkend. Dat ze werkloos zijn of arm is uiteindelijk het probleem niet. Die mensen voelen zich niet gewaardeerd, omdat ze afhankelijk zijn en tot overmaat van ramp de gemeenschap ook niets terug kunnen geven. Zo boet je dus aan respect van anderen in en aan zelfrespect. Nu bestaan er schijnbaar onoplosbare verschillen tussen wat mensen zelfrespect geeft en wat ze respect geeft van hun gemeenschap. Waardering voor elkaar geeft niet altijd zelfrespect. Socialisten dachten dat wederzijds respect zou leiden tot zelfrespect. Kapitalisten maken de omgekeerde fout. Zelfrespect is niet de anderen respecteren. Zelfrespect krijg je als je door hebt dat je je talenten ontwikkelt. Respect van de gemeenschap krijg je als blijkt dat je in staat bent voor jezelf te zorgen, of als je andere mensen helpt. Maar wat als je niet weet wat je talenten zijn, of als je niet in staat bent voor jezelf te zorgen? Het organiseren van de erkenning dat je ook dan een volwaardig mens bent, is iets wat we lijken te zijn vergeten.

Die teloorgang is een belangrijk kenmerk van het moderne kapitalisme. Het neoliberalisme wil de bureaucratie bestrijden en dwingt de verzorgingsstaat te krimpen. Het aantal praktische handelingen van de verzorgingsstaat, het consequente en iedereen gelijk behandelende werk achter de loketten: dat neemt af. Zo verdwijnen veel voorwaarden voor respect. Niet dat die bureaucratie probleemloos is: ze kan niet goed overweg met de autonomie van mensen. Het idee dat je mensen zélf kunt betrekken bij hun afhankelijkheid raakt er snel verloren. Maar het voordeel is dat de institutie zonder onderscheid ieder individu de ruimte geeft ergens bij te horen en zo enige achting te verdienen.

Het idee achter de aanval op de verzorgingsstaat is dat publieke werkers niet efficiënt zijn, dat je door privatiseringen van non-profit-instellingen meer waar voor je geld krijgt. Dat komt door het ongeloof van de neoliberalen dat mensen die voor het algemeen belang werken serieus te nemen zijn of goed zijn in wat ze doen. Dat is een schande, want die mensen ontlenen grote professionele voldoening aan hun werk, juist omdat dat ‹geven aan de gemeenschap› inhoudt. In Engeland, waar ik nu woon, is dit een acuut probleem. Feitelijk krimpt met het afnemen van de publieke dienstverlening de héle maatschappij.

Het gaat nooit om geld. Salarisverhogingen helpen arbeidsmarktproblemen, zoals in het onderwijs, hooguit tijdelijk. Je kunt respect niet kopen. Je koopt met geld hooguit prestige. Wederzijdse erkenning vergt dat je niet alleen voor resultaten van talent en hard werken waardering opbrengt, maar ook dat je iedereen een gerechtvaardigd beroep op hulp toestaat. Bovendien dat je behoeftige mensen hun hulp mee laat vormgeven.

Je hebt dus een cleane verzorgingsstaat nodig, een universeel vangnet waarin hulp een recht is en geen gift. Als de angst is dat dit te veel doet denken aan ouderwets socialisme moet je, zoals de Duitse socioloog Claus Offe voorstelt, iedereen die zijn brood verdient in al die zorginstellingen ontslaan, en het vrijgekomen geld in basisinkomens steken. Dan ben je én af van de paternalistische verzorgingsstaat én heb je een veel grotere rechtvaardigheid.»

Als degenen die hulp krijgen, moeten kunnen meepraten, zullen de brutalen meer claimen dan de verlegen hulpvragers en zo voor nieuwe ongelijkheid zorgen.

Richard Sennett: «Er zit inderdaad een zekere ambiguïteit in mijn redenering. Mensen met grote monden zullen inderdaad meer bereiken. Maar dat is niet erg. Waar het mij om gaat is het vermijden van passiviteit. Dát, en niet afhankelijkheid, is een echt probleem. In het woonblok van Cabrini in Chicago, waar ik opgroeide, schreef de verhuurder alles voor, tot aan de maat van de vensterbanken. Dat type fouten kweekt een passieve sociale houding en die moet je vermijden. Het draait veel meer om bescherming. Hoe meer bescherming je de publieke dienstverleners geeft om hun eigen werk te doen, hoe meer eigenwaarde ze zullen voelen. Dat betekent ook dat je ze moet afschermen van economische controle door hun eigen overheid. Blair bracht onder het mom van kwaliteits verhoging van het onderwijs in Engeland een enorme inspectie op gang. Die was alleen geïnteresseerd in testresultaten van leerlingen, een enorm gebrek aan respect voor wat het onderwijs inhoudt. Dat ontbreken van vertrouwen maakte de leraren depressief. En de jonge mensen dachten: wie wil zijn leven besteden aan het disciplineren van kinderen? Ze kiezen massaal voor andere beroepen.»

Sociaal werkers mogen zich niet inspannen om mensen omhoog te krijgen op de maatschappelijke ladder. Dat is tegen het zere been van links én rechts, van iedereen die kansgelijkheid wil.

«Er wordt door links én rechts te veel nadruk op sociale mobiliteit gelegd. Daarmee bereik je je doel, een rechtvaardiger samen leving, niet. Je ziet het in Amerika. Daar zijn maar weinig jonge mensen met talent die geen baan of beurs vinden. Mooi, maar dat leidt wel tot een groter gat met de buitengewoon óngetalenteerden. Die hebben hun levensstandaard flink zien dalen. Veel lower middle class blijft waar ze is. Die mensen boeken in de loop der jaren hooguit marginale verbeteringen.

Mensen die vooruit willen in het leven, climbing the greasy pole of success, moet je dat zelf laten doen. Als je die sociaal zwakke klassen hulp geeft uit mededogen, dan verneder je ze. Medelijden verwondt, omdat een arme die iets krijgt niets terug kan geven en dat ook weet. En als je ze sociale mobiliteit als middel tegen armoede aanreikt, verzwak je de zorg voor hen die achterblijven. Als je de lower middle class allerlei kansen op persoonlijke vooruitgang voor de neus houdt — en zegt dat ze deel uitmaken van een meritocratie waarin iedereen naar zijn talenten wordt beloond — doe je ze onrecht. De meesten zullen het toch niet redden. Hun ondersteuning zou dan in essentie gericht zijn op een soort winst of groei in plaats van op waardering voor autonome individuen. Publieke dienstverlening wordt dan een kapitalistische activiteit. Het idee van kansgelijkheid deugt niet, het sluit mensen uit. Die mensen hebben er meer aan een eigen kundigheid te ervaren. Een dakloze jongere weet veel van overleven op straat. Dat is relevante kennis waarnaar vermoedelijk nooit wordt gevraagd.»

In het essay ‹Vrijwilligerswerk deugt niet› in het Tijdschrift voor de Sociale Sector was u kritisch over vrijwilligerswerk. Ontzegt u mensen het recht om respect te verdienen?

Richard Sennett: «Nee! De neoliberalen willen de professionele sociaal werkers, meer in het algemeen de publieke dienstverlening, vervangen door vrijwilligerswerk. Men zegt dat je veel sociale vraagstukken tussen de buren kunt oplossen. Je ziet het in Engeland, in Duitsland, in de Verenigde Staten. Het is een poging om professionele zorg voor anderen te devalueren, zoniet te delegitimeren. Die ideologie van het vrijwilligerswerk past precies in de antipathie van het nieuwe kapitalisme jegens de verzorgingsstaat. Maar de jeugdwerkers in Parijs die ik beschrijf, boekten veel succes met verslaafden nadat ze eerst vijf jaar met hen hadden gewerkt. Vijf jaar inwerken kun je niet doen met vrij willigers. Het is fantastisch als mensen vrij willigerswerk doen. Maar dat lost niet alles op. Zorg mag niet ophouden als het medelijden op is.»

De kloof tussen dominante cultuur en migrantenculturen wordt op dit moment als veel wijder ervaren dan de sociaal-economische kloof. Velen vrezen dat ze de afgelopen jaren eerder te veel dan te weinig respect hebben getoond. Verliest uw analyse daar aan zeggingskracht?

«Niet helemaal. We denken dat cultuur zero sum is: jij integreert in mijn cultuur en dan verlies je wat van je eigen cultuur. Dat is een ontkenning van de meervoudige identiteiten die je in de praktijk overal om je heen ziet. In New York bleken artsen en ingenieurs uit het Midden-Oosten comfortabel te kunnen omgaan met hun wisselende identiteiten. Omdat ze materiële zekerheid hadden, bewogen ze makkelijk tussen verschillende dimensies. Veel mensen die hier fanatiek hun migrantencultuur belijden zijn arm, of ze staan op de een of andere manier op de bodem van de maatschappij. Daarom zijn ze zo rigide.»

Dat is niet de boodschap die de toon zet, ook niet in het Nederlandse debat over normen en waarden.

«Niemand kan elkaar doorzien. Gelijkheid is gebaseerd op menselijke autonomie: niet dat iedereen elkaar begrijpt, maar dat je juist accepteert dat je anderen niet helemaal begrijpt. Waarom zou je van die arme immigranten transparantie eisen, iets wat je bij je keurige buurman wel uit je hoofd laat? Denk je echt dat je weet wat er in die witte buurman omgaat?»

u

Richard Sennett is in het jongste nummer van het Tijdschrift voor de Sociale Sector uitgebreider geïnterviewd