Medeplichtig

Een tussendoortje, zou je misschien denken op grond van de titel, maar niets is minder waar. Komt een paard de kroeg binnen is een volwaardige, volkomen serieus te nemen roman, alleen in omvang minder dan de grote romans – Zie: liefde en De stem van Tamar – waarmee de Israëlische auteur David Grossman zijn naam vestigde.

Zijn nieuwe boek gaat over een komediant, dat wel, maar alleen al de weinig feestelijke manier waarop die het podium op komt om het een boek lang niet meer te verlaten (en daarmee een verregaande identificatie met de auteur te bewerkstelligen), maakt de toehoorders in een zaaltje ergens ten noorden van Tel Aviv, en dus de lezer, onmiddellijk drastisch duidelijk dat het lachen je hier al gauw zal vergaan: ‘Een broodmagere, kleine, gebrilde man, vliegt door een zijdeur het podium op, alsof hij erop wordt gesmeten of getrapt.’ Dat is Beckett, letterlijk. Maar het verschil is ook evident. Waar Becketts clowneske helden in toenemende mate verstommen en hun machteloze verdriet alleen nog in repeterende, woordloze gebaren en bewegingen tot uitdrukking brengen, is Grossmans komediant een onstuitbare spraakwaterval; als hij al een moment tot rust komt is het om op adem te komen voor een volgend mitrailleurvuur van verhalen, grappen, bekentenissen, provocaties, beledigingen, zelfbeschuldigingen – en dat alles om uiteindelijk één verhaal te vertellen, hoezeer dat ook telkens op een zijspoor belandt, niet anders dan telkens op nieuwe zijsporen kan belanden, domweg omdat het te pijnlijk is voor woorden.

Komt een paard de kroeg binnen is in romantechnisch opzicht een kunststukje van de eerste orde. Het hele boek bestaat uit de performance van de komediant tegen wil en dank, Dov (een verwijzing naar Becketts Clov?), een man van 57; zijn letterlijk geciteerde tekst wordt alleen onderbroken door de mijmeringen van een ik-figuur, de eigenlijke verteller, een vriendje uit zijn kindertijd en vooral, een paar jaar later, een collega-rekruut in een pre-militair trainingskamp van de Gadna. Dat vriendje is nu gepensioneerd rechter, de mannen hebben sinds dat trainingskamp geen contact meer gehad, maar nu heeft Dov hem per telefoon gevraagd zijn voorstelling bij te wonen en een eerlijk, maar ongezouten oordeel over hem te vellen.

Dan is het de lezer al lang duidelijk dat het niet primair om een oordeel over zijn kwaliteiten als stand-up comedian gaat, maar om een moreel oordeel over een mens in uiterst penibele omstandigheden. Bovendien slaagt Dov erin ook hem, de rechter, zodanig in zijn kwellende, delirerende tekst te betrekken dat die tot morele zelfreflectie wordt gedwongen: heeft hij op de voor Dov meest angstige, eenzame, hopeloze momenten weggekeken of zich, al is het maar in gedachte, solidair met hem betoond? Indirect wordt zo ook de lezer in diens dilemma’s betrokken. De manier waarop Grossman dat in deze uitputtende, alle kanten uit slingerende tekst van Dov heeft bewerkstelligd kan niet anders dan razend knap worden genoemd.

Medium grossman
Het publiek mort, voelt zich bekocht, wil geen pijnlijke verhalen en verlaat de zaal

Dov spreekt over zichzelf in vernietigende termen. Als kind voelde hij zich nietswaardig, ‘een strontzak’. In een jeugdkamp werd hij in een plunjezak heen en weer gegooid totdat hij hard op de betonnen vloer viel; de ik-figuur was daar getuige van maar gaf, toen ze elkaar in de ogen keken, geen enkel teken van herkenning. Van zijn vader kreeg Dov voortdurend slaag met een riem, soms trouwens ook van zijn moeder; tijdens die ranselpartijen oefende hij zich in het er ‘niet zijn’ of in het ‘spreiden van de pijn (…), zeg maar in een eerlijke lastenverdeling’. Dat is wat Dov ook nu, als komediant probeert. En met succes: het publiek mort, voelt zich bekocht, wil geen pijnlijke verhalen horen en verlaat en masse de zaal. Dov doet geen poging ze terug te halen, integendeel, in hun vluchtgedrag ziet hij een bevestiging van hem maar al te bekend reëel vluchtgedrag en dus van medeplichtigheid op cruciale momenten.

Het verhaal van Dov spitst zich toe op een nachtlange rit vanuit het trainingskamp van de Gadna per legervoertuig door de woestijn naar een begrafenis in Jeruzalem. Het moet gaan om de dood van een van Dovs ouders, maar het blijft hem, en dus de lezer, honderd pagina’s lang onduidelijk of het om zijn vader of zijn moeder gaat. Dat leidt tot kwellende speculaties. En noodzakelijkerwijs, omdat hij in zijn gekmakende fantasieën nu eenmaal moet kiezen, ook tot complexe schuldgevoelens: de keus voor de een betekent de dood voor de ander.

De chauffeur van de legertruck probeert Dov door het vertellen van moppen af te leiden. ‘Komt een paard de kroeg binnen en bestelt een Goldstar van de tap bij de barman’ – terwijl de wanhopige Dov aan die zoveelste mop probeert te ontkomen hoort hij plots de geruststellende stem van zijn moeder. Ze zingt een slaapliedje en wiegt hem in zijn armen, waarna Dov zich, bang zijn vader te verraden, onmiddellijk dwingt om nu ‘aan goede dingen van hem’ te denken. Met die keuze dwingt de komediant Dov nu op zijn beurt de verteller, als toeschouwer in de zaal, tot introspectie. Hij was erbij toen Dov in die militaire pick-up stapte. Had hij op z’n minst éénmaal per dag aan hem gedacht? Kwam het in hem op te informeren waar hij naartoe werd gebracht? Voelde hij zich opgelucht toen hij verdwenen was of misschien zelfs blij? De waarheid is dat hij zich daarvan niets kon herinneren, hij dacht enkel aan zijn meisje.

Dovs verlatenheid moet totaal zijn geweest. Ruim voldoende reden om voortaan haatdragend en cynisch door het leven te gaan. Dat daar geen sprake van blijkt te zijn, zo min als in Grossmans hele oeuvre, mag een mirakel heten.


Beeld: David Grossman schreef een kunststukje van de eerste orde (Ziv Koren / Polaris Images / HH)