Media

Media & revolutie

Donderdag liet Hosni Moebarak nog weten dat hij de gelofte, gedaan bij zijn aantreden als president, zou nakomen en zijn land niet in de steek zou laten, vrijdag besloot hij alsnog te vertrekken. Het zal voorlopig wel een raadsel blijven wie en wat hem tot die stap hebben gebracht, maar de vernederende manier waarop de internationale televisiezender Al Jazeera verslag deed van zijn redevoering op donderdag zal daarbij zonder twijfel een rol hebben gespeeld.

De symboliek van de beelden is onontkoombaar. Het linkerdeel van het scherm toonde de stream van de Egyptische staatstelevisie: Moebarak, sprekend als een verdrietige vader tot zijn ongehoorzame pubers, nu eens toegevend dat hij misschien te streng is geweest maar echt het beste met hen voor heeft, vervolgens bezwerend dat hij goed naar ze heeft geluisterd maar zijn verantwoordelijkheden niet kan en mag verzaken. Op het - grotere - rechterdeel van het scherm: honderdduizenden demonstranten op Midan al-Tahrir in Caïro bij avond, zwaaiend met vlaggen en - vooral - schoenen, duimen omlaag, gebarend dat hij op moet stappen.

En terwijl Moebarak spreekt, draait de regie met regelmaat het geluid van het plein met de roepende en fluitende demonstranten open. De boodschap is duidelijk: de zonen en dochters van Egypte hebben er genoeg van, ze nemen het niet langer, ze luisteren niet meer, ze willen zelf bepalen hoe ze verder gaan. De montage en het geluid maken de reportage van Al Jazeera tot een tragedie over macht, respect en eer. Had Moebarak na deze dramatische beelden zijn gezicht nog ergens kunnen of durven vertonen, te beginnen in de Arabische wereld?

De uitzending is ook in een ander opzicht symbolisch: meer dan macht lijkt respect de belangrijkste brandstof van deze beweging te zijn, precies als in Tunesië en, twee jaar terug, Iran. Meer dan de roep om ‘vrijheid’ als zodanig klinkt in de reportages en interviews een diep verlangen naar respect door, naar erkenning van de menselijke waardigheid, tegen corruptie en tegen de verstikking door de staat en andere instituties. Dat verlangen wordt breed gedeeld en dat verklaart de zeer gemengde sociale, religieuze en politieke achtergrond van de overwegend jonge demonstranten, waarbij zich naar verluidt ook veel kinderen van de machthebbende elite hebben aangesloten.

Over de betekenis van Al Jazeera in de berichtgeving over Tunesië, Egypte en andere landen in de regio lijkt weinig twijfel te bestaan. Anders ligt dat voor nieuwe media als Twitter en Facebook, door sommigen ook nu, juist als bij andere recente opstanden, gebombardeerd tot gangmakers en dragers van het protest. Verschillende correspondenten hebben die claim op grond van eigen waarneming afgedaan als onzin, en niet ten onrechte. Tegelijk kan worden vastgesteld dat de sociale media een cruciale rol in het hele proces hebben gespeeld - maar dan wel in wisselwerking met andere, traditionele media, te beginnen met de televisie.

Een prachtig voorbeeld daarvan is het optreden van Wael Ghonim, de Google-medewerker die afgelopen zomer de befaamde pagina op Facebook lanceerde ter nagedachtenis van Khaled Said, die op 6 juni 2010 door de politie was doodgeslagen. Motto: 'Wij allen zijn Khaled Said’. Ghonim werd kort na het begin van de demonstraties door de geheime politie gekidnapt, geblinddoekt en eindeloos ondervraagd. De dag na zijn vrijlating, vorig weekend, verscheen Ghonim onverwacht in de nieuwsshow van Mona El-Shazly op Dream TV, een populaire, particuliere satellietzender in Egypte. De dodelijk vermoeide en uiterst emotionele Ghonim maakte in één klap duidelijk dat alle beschuldigingen van de staatsmedia onzin waren: hier zat een authentieke, aardige jongen die opkwam voor de toekomst van zijn land, zonder ideologische agenda, niet aangestuurd door buitenlandse machten, die zijn rechten als burger opeiste. En die brak aan het eind van het gesprek, toen, bij wijze van aanklacht levensgrote foto’s van verdwenen demonstranten in beeld verschenen. Dream TV inspireerde met haar uitzending talloze Egyptenaren ertoe zich bij het protest aan te sluiten.

Niet de media bepalen het verloop van de gebeurtenissen, maar mensen die media gebruiken. En zo zien de beelden van de opstandige massa’s in Tunesië en Egypte er per saldo heel vertrouwd uit. Wie moest niet denken aan de taferelen rond de val van de Muur en de opstanden in Oost-Europa in 1989, of de tragische studentenacties op het Tiananmenplein in Peking, in hetzelfde jaar? En we kunnen verder teruggaan in de tijd, naar de politiek-culturele bewegingen in de jaren zestig, en een sprong maken, naar 1848, toen het 'revolutiespook’ door Europa waarde en de ene na de andere autocratische regering het hoofd boog - voor bewegingen die recht en democratie eisten. Een mooiere parallel is niet te bedenken.