Media

Mediastoring

Toen ik vorige week woensdag thuiskwam en zoals altijd even snel mail en nieuws wilde checken, maakte de computer geen verbinding. Dat gebeurt wel vaker, kwestie van een paar minuten wachten. Ondertussen liep ik naar de televisie om teletekst te bekijken. Geen signaal. Zou mijn geliefde in een wilde bui toevallig iets vreemds gedaan hebben? Ik pakte de telefoon om naar haar werk te bellen. Dood.

Ik had het jaar voorafgaand aan deze ervaring regelmatig betoogd dat het handiger is internet, tv en telefoon bij één in plaats van drie providers onder te brengen omdat je dan in geval van storing slechts één nummer hoeft te bellen. Nu ontdekte ik het nadeel van de beslissing: als iets fout gaat, gaat ook echt alles fout.
Ieder nadeel heeft z’n voordeel, want deze kleine ervaring leerde me wat ik wel al wist maar nooit had laten doordringen. Om te beginnen mijn welhaast ziekelijke afhankelijkheid van zo’n stompzinnig kabeltje. Breekt het, weigert het of stuurt het uien in plaats van signalen, dan ben ik volstrekt ontredderd. Het doet denken aan het prachtige verhaal dat E.M. Forster in 1909 publiceerde, The Machine Stops. Het vertelt van een wereld waarin mensen in een soort cellen leven en slechts via een vorm van video-conferencing met elkaar verbonden zijn. Valt die verbinding uit, dan is er niets meer. Geen communicatie. Het mensenleven als dat van stenen. Over en uit. Het is klassieke cultuurkritiek uit het tijdperk dat intellectuelen bezorgd waren over de snelle technische veranderingen van hun tijd, de zogenoemde Tweede Industriële Revolutie van elektriciteit, staal, olie, de verbrandingsmotor en turbines. Het ging om de mens, betoogden Forster en de zijnen. Als die slaaf werd van zijn eigen creaties, was het leven waardeloos. Het is opmerkelijk dat je dergelijke kritiek tijdens onze Derde ‘Industriële’ (=communicatie) Revolutie zelden of nooit hoort. Zonder dat het met zoveel woorden gezegd wordt, vindt bijna iedereen, zeker van de jongere generaties, dat de digitaliseringen slechts voordelen met zich meebrengen. Interessanter nog dan dit optimisme is het onmiskenbare feit dat revoluties steeds sneller gaan. Het duurde tot diep, diep in de twintigste eeuw dat de Eerste Industriële Revolutie in alle delen van de wereld doordrong. Bijna tweehonderd jaar dus. Het duurt tot op de dag van vandaag dat iedereen baat kreeg bij de vernieuwingen van de Tweede Industriële Revolutie. Maar de communicatierevolutie van de afgelopen vijftien jaar – van mobieltjes, internet en geglobaliseerd transport – is in even zovele jaren bijna overal doorgedrongen, weliswaar niet overal in dezelfde mate, maar toch. Noord-Korea is, voor zover na te gaan, een van de weinige landen ter wereld dat geheel buiten de ontwikkeling staat (kijk maar ’s op een satellietkaart van het land bij nacht: een zwarte vlek), maar verder lijkt heel de wereld verbonden. Het is een revolutie van een ingrijpendheid en snelheid zonder weerga.
Dit brengt me op het laatste punt. Ooit las ik bij evolutionair psycholoog David Barash dat onze biologische ontwikkeling de door onszelf geproduceerde culturele verandering niet kan bijhouden. Simpel gezegd: terwijl wij lichamelijk nog in de prehistorie leven, bevinden we ons cultureel en technisch gezien in de posthistorie. We zijn schildpadden in een hazentijdperk. Het is een moderne variant van wat Forster honderd jaar geleden beweerde en lijkt op het eerste gezicht een evidentie. Toch is het op zijn best gedeeltelijk waar. Vreemd genoeg namelijk passen we ons in zeer, zeer korte tijd aan – en wel zo sterk dat we vergeten hoe het daarvoor was. Ik schrijf sinds 25 jaar op een computer/tekstverwerker en gebruik sinds dertien of veertien jaar internet. Ik kan mijn leven zonder een en ander niet meer voorstellen en vraag me soms zelfs in verbijstering af hoe ik dat vroeger ook alweer deed: een naam checken, een feit opzoeken, het nieuws bijhouden, over afstand communiceren, rekeningen betalen. Toch heb ik het allemaal gedurende het grootste deel van mijn leven anders gedaan. Ik ging naar de bibliotheek, pakte de encyclopedie (gebruik die nooit meer, kan bij het oud papier), tikte een brief en gooide die in de brievenbus, vulde een betaalkaart in en idem dito. Het is allemaal verleden tijd en ik verbaas me daarover geen moment. Dat is pas verbazingwekkend: hoe snel we ons aanpassen en hoe gewoon we die aanpassing vinden.
Hoe het afgelopen is met mijnheer of mevrouw Ziggo? Minder goed dan ik zou willen. Nadat ik via mijn mobieltje gehoord had dat het probleem ‘vast en zeker’ in mijn eigen kelder lag en daar op aanwijzing van een technicus aan de andere kant van de satelliet de hele kabelkluwen los had getrokken, bleek het om een straatstoring te gaan. Die is verholpen. Maar nu ligt het probleem inderdaad in mijn eigen kelder en daar helpt niemand bij. Na een boel gepiel heb ik internet en telefoon weer werkend gekregen maar de televisie doet het nog steeds niet. Ik weet niet of ik daar in deze tijden van nationale verdwazing zo ongelukkig mee ben.