Profiel Hans Wiegel

Medicijnman op oorlogspad

Al zeven jaar heerst hij als ongekroonde koning over de Nederlandse gezondheidszorg. Toch bleef Hans Wiegel, anders dan Els Borst, uit de wind van de kritiek der fortuynianen. Sinds het vertrek van zijn grootste kwelgeest Bomhoff heeft hij het rijk helemaal alleen. Eén aspect uit het rijke leven van Hans Wiegel, een overlevings kunstenaar op de grens tussen ondernemen en politiek, is onbelicht gebleven.

Mocht er ooit nog eens een parlementaire enquête worden gehouden naar het grote verval van de Nederlandse gezondheidszorg (bijvoorbeeld naar aanleiding van de bijna-verdubbeling van de ziektekostenpremie die per 1 januari 2003 voor iedereen is ingegaan), dan zit Hans Wiegel frontloge op de ondervraagdenbank. Als voorzitter van Zorgverzekeraars Nederland, een functie die hij al ruim zeven jaar vervult, is hij een van de hoofdrolspelers in dit huivering wekkende drama.

Vanuit het zenuwcentrum van de verzekeraars in Zeist bestiert Wiegel een miljardenimperium in zaken van leven of dood. De ziekenfondsen zijn met hun innige relaties met enerzijds de farmaceutische indus trie en anderzijds de overheid, de zieken huizen en de medische stand de key players van de Nederlandse gezondheidszorg. Zij bepalen wie wel en wie niet wordt geopereerd, hoeveel uur een patiënt een bed mag gebruiken, welke pil vergoed wordt en welke niet. Dit doen zij broederlijk vereend in de Ziekenfondsraad, het belangrijkste adviesorgaan van de overheid in deze uiterst vitale sector.

Maar daar waar zijn mede-hoofdrolspeelster Els Borst op grond van de ellenlange wachtlijsten al eens werd omschreven als «erger dan Bin Laden» (Wilhelmus For tuyn) heeft Hans Wiegel zich tot nog toe handig aan de kritiek weten te onttrekken. Sterker nog, terwijl hij in een memorabele tv-uitzending de D66-minister van Volks gezondheid persoonlijk verantwoordelijk stelde voor ieder sterfgeval in ieder ziekenhuis in Nederland, boog Fortuyn voor Wiegel diep in het stof. De LPF-leider placht te zeggen dat hij met Wiegel in een uurtje een regeerakkoord overeen zou kunnen komen.

Anders was dat gesteld met Fortuyns zelfbenoemde erfgenaam Eduard Bomhoff, die vorig jaar Els Borst opvolgde als minister van Volksgezondheid. Bomhoff had wél openlijk kritiek op Wiegels spilfunctie in de gezondheidszorg. In een column in NRC Handelsblad van 15 juli 2000 haalde de toen nog als PvdA’er door het leven gaande econoom hard uit naar Wiegel, die hij om schreef als «de zwaarste stem in de Nederlandse gezondheidszorg».

Bomhoff analyseerde het Nederlandse ziektekostenstelsel als een falend systeem met sovjettrekjes, en richtte zich daarin onverbloemd op Wiegel. Bomhoff: «Interessant is de vraag waarom Wiegel niet al zijn liberale gewicht in de schaal heeft geworpen door een ultimatum te stellen aan minister Borst van Volksgezondheid: ‹Ik leg mijn functie neer, want de ziekenfondsen kunnen hun verantwoordelijkheid jegens zieke Nederlanders niet waarmaken wanneer de overheid zo krampachtig vasthoudt aan een onmogelijk dubbel planningsysteem.›

Wiegel is een even moedig als vrijheidsminnend staatsman, durft de minister-president zonodig midden in de nacht naar huis te sturen, en beseft hoeveel mensen pijn lijden (of erger) door hun langdurig verblijf op de wachtlijsten in de bureaucratische labyrinten van de gezondheidszorg. Ook weet Wiegel dat de totale kosten van de Nederlandse gezondheidszorg internationaal helemaal niet uit de pas lopen en dat ons land rijk genoeg is om meer mensen sneller en beter te helpen. En toch rookt hij rustig zijn sigaar in het geheime ‹Treek-overleg› met de andere topspelers en is hij bereid om medeverantwoordelijkheid te aanvaarden voor het op termijn terugdringen van de wachtlijsten. Waarom is Wiegel niet de Gorbatsjov die luid en helder een glasnost en perestrojka aankondigt en zo van binnenuit ten strijde trekt tegen het fatale systeem van dubbele planning?»

Met andere woorden: toen Eduard Bomhoff aantrad als minister van Volksgezondheid in het eerste kabinet-Balkenende had Hans Wiegel een probleem. Hoe groot dat probleem was, bleek toen de kersverse minister van Volksgezondheid op 24 september 2002 naar een bijeenkomst van Zorgverzekeraars Nederland in Den Haag toog om het nieuwe zorgstelsel dat het kabinet-Balkenende in het regeerakkoord had opgenomen, uit de doeken te doen. Het monsterverbond van CDA, LPF en VVD had niet alleen gekozen voor een dramatische verhoging van de nominale ziektekosten premie en een totale privatisering van deze markt, maar ook voor een aanzet tot een basisverzekering voor iedere Nederlander die verregaande consequenties zou hebben voor de verzekeraars.

Bomhoff, kennelijk in de overmoed van zijn debuut in de hogere sferen van de politieke macht, ging daarbij op tamelijk roekeloze wijze te werk. Hij zegde de verzekeraars in niet mis te verstane bewoordingen de wacht aan. Letterlijk zei hij: «U zult als verzekeraars met de billen bloot moeten. Dat zou je de ‹glasnost› van mijn perestrojka-plannen kunnen noemen. Want ik wil dat de resultaten van de verzekeraars daadwerkelijk met elkaar te vergelijken zijn. Dat moet de eventuele zwakke broeders onder u aanzetten tot betere prestaties. En lukt ze dat niet, dan vallen ze buiten de boot. Want alleen de beste zorgverzekeraars mogen vanaf 2005 de regie gaan voeren onder het nieuwe zorgstelsel.»

Als schutspatroon van alle zorgverzekeraars zat Hans Wiegel niet op een nieuw zorgstelsel te wachten. En al helemaal niet onder de condities die Bomhoff daaraan verbond. Uitvoering van Bomhoffs plannen zou betekenen dat de door Wiegels achterban zo gaarne geziene ‹zelfregulering› van de ziekenfondssector zou komen te vervallen, als ook het woud aan onderlinge prijs afspraken waarmee de sector zich in de praktijk heeft weten te ontwikkelen tot cluster met staatsprotectie. De liberale principes van de VVD-godfather kennen zo hun begrenzingen.

Bomhoff verkondigde dat de diverse verzekeringsmaatschappijen elkaar voortaan met open vizier moesten bestrijden op de markt. De negen miljard euro extra die het kabinet-Balkenende in de zorg zou pompen, onder meer via een drastische prijsverhoging van de premie, zou gepaard moeten gaan met een ware revolutie onder de verzekeraars, die hun winstmarges al in rook zagen opgaan. Helemaal niet vrolijk werden de verzekeraars van de mededeling van de minister dat ze voortaan een «rapportcijfer» zouden krijgen, en wel van een nieuw te vormen, onafhankelijke organisatie, gerekruteerd uit patiëntenverenigingen en consumenteninstellingen, die een «vergelijkend warenonderzoek» zou uitvoeren onder de ziektekostenverzekeraars.

«Ziekenzorg tegen kostprijs», zo luidde het motto van Bomhoff, en «een omslag waarbij niet langer het zorgaanbod centraal staat, maar de zorgvraag». «Die zorgvraag moet voor u als verzekeraars het uitgangspunt zijn bij uw inkoopbeleid», sprak Bomhoff tijdens zijn ontmoeting met Wiegel en zijn collega-verzekeraars in Den Haag: «Ik zal u er zo nodig op aanspreken als u geen tijdige zorg aan uw klanten levert.»

Aan Wiegel waren deze dreigende geluiden niet besteed, zeker niet waar het de revolutionaire retoriek in de richting van zijn eigen achterban betrof. In een interview met De Groene Amsterdammer in 1995, toen hij net was aangetreden als topman van de verzekeraars, noemde hij het dossier van de Nederlandse gezondheidszorg en de kosten daarvan een van de moeizaamste die hij in zijn politieke carrière had leren kennen. De turbo-vergrijzing van de Nederlandse bevolking en de steeds grotere druk op de medische stand legden in zijn ogen een zware verantwoordelijkheid op de overheid. Zo toonde hij zich een tegenstander van de paarse plannen de pil uit het ziekenfondspakket te weren, terwijl dat volgens het neoliberale marktprincipe natuurlijk wel had gemoeten. Wiegel tegen De Groene: «Op het prioriteitenlijstje van de Nederlandse burgers staat gezondheid onbetwist op nummer één. Het raakt het hart van de mensen in het land, en de verzekeraars spelen daarbij een steeds belangrijkere rol. Waar het natuurlijk allemaal om draait, is de vraag in hoeverre de kosten voor de gezondheidszorg een collectieve last moeten zijn. We zullen tot een mooie mix moeten komen van solidariteit en eigen verantwoordelijkheid.»

In de praktijk betekende dit dat Wiegel ideo logisch helemaal niet zo ver verwijderd stond van de door Fortuyn vermaledijde Els Borst, die binnen Paars een verwoede strijd voerde tegen de privatiseringsroes in de gezondheidszorg. De Sturm und Drang van Bomhoff was hem veel minder lief. Ongetwijfeld zal Wiegel het nieuws van Bomhoffs vertrek als minister dan ook met opluchting hebben vernomen. Dat Zalm de stekker uit het kabinet-Balkenende trok, was goed nieuws voor zijn werkgever in Zeist.

Inmiddels heeft Hans Wiegel laten weten dat de plannen van Balkenende en Bomhoff met betrekking tot het nieuwe zorgstelsel wat hem betreft ongedaan mogen worden gemaakt. Opvallend genoeg vindt hij daarbij PvdA-leider Wouter Bos aan zijn zijde, die zich deze dagen met hand en tand verzet tegen de dramatische stijging van de ziektekostenpremie. Daaruit zou met enig gemak een compromis kunnen voortvloeien waarbij de plannen van Bomhoff definitief in de prullenbak belanden, en Wiegels achterban dus niet «met de billen bloot» hoeft. In dat geval behoedt Wiegel zijn belangrijkste opdrachtgever van de laatste jaren voor het verlies van het Zwitserleven-gevoel en blijven de verzekeraars koning in hun eigen kasteel.

Inmiddels draagt Wiegel zorg voor de verdere bestendiging van het opstandige LPF-geluid. Via zijn oude VVD-kameraad Ferry Hoogendijk had Wiegel altijd al enige grip op de lancering van het fenomeen Fortuyn, in wiens kielzog hij zich kon profileren als de redder van de VVD na de politieke dood van Hans Dijkstal. Nu treedt hij op als onbezoldigd adviseur van de LPF, zoals hij na de dood van Fortuyn ook toetrad tot het bestuur van de Pim Fortuyn Foundation. De laatste tijd filosofeert Wiegel openlijk over de wenselijkheid van een fusie van de LPF met de VVD, binnen drie jaar te verwezenlijken. Intussen werkt hij al druk aan een nieuw te vormen kabinet. Sinds hij samen met Frits Bolke stein de hopeloos rondspartelende Gerrit Zalm te hulp is geschoten, ter voorkoming van een electorale meltdown van de VVD, is zijn politieke herrijzenis definitief een feit. In de zee aan enquêtes valt zijn naam steeds vaker als de ideale premier. Zo ver wil Wiegel zelf nog niet gaan, maar hij presenteerde zich de afgelopen week al wel openlijk als de formateur van het nieuw te vormen kabinet.

Wie dacht dat Hans Wiegel met zijn Nacht van Wiegel definitief afscheid had genomen van het epicentrum van de politieke macht komt in elk geval bedrogen uit. Hoe dat door Wiegel te ontwerpen kabinet er precies uit zal zien, is vooralsnog de vraag, maar zeker is dat er van alle revolutionaire plannen van de LPF met betrekking tot de gezondheidszorg weinig meer te bespeuren zal zijn. Want ook deze idealen van Pim Fortuyn belanden voorlopig op een wachtlijst.

Of dit alles werkelijk bevorderlijk zal zijn voor de volksgezondheid mag worden betwijfeld. De afgelopen zeven jaar heeft Wiegel namens de verzekeraars niet al te veel preoccupaties getoond met het vele leed onder de verzekerden. De strijd om goedkopere medicijnen is van de kant van de verzekeraars bijvoorbeeld nooit met veel bravoure gevoerd, en daar had Bomhoff als minister dan ook daadwerkelijk een punt te pakken. Net als collega-VVD-godfather Bolke stein, die zich in 1995 als commissaris van farmaciegigant MSD bezondigde aan de roemruchte «Beste Els-brief» ter promotie van de bloeddrukverlagende pillen van zijn firma, heeft medicijnman Wiegel niet de neiging zich al te veel te solidariseren met het nooddruftige patiëntendom. Daarvoor klopt ook bij hem het ondernemershart te onstuimig.