Media

Mediocratie

‘Lachen’, zei Theodor Holman me vorige week toen we aan het eind van de eerste dag de algemene politieke beschouwingen bespraken en nogmaals bedrijfspoedels, stekkerdozen en kleuters voorbij lieten komen. Ik sprak hem tegen maar loog. Ik had ook gelachen. Toch ben ik blij dat mijn eerste impuls tegenspraak was, want tijdens het lachen had ik me tevens geërgerd, niet in de laatste plaats aan mijn eigen gelach.

Dat ik bij lange niet de enige was die door ergernis overvallen was, bleek de volgende dag, nummer twee van de beschouwingen en die waarop de ‘doe ff normaal’-zin door de lucht vloog. Zo goed als iedereen was het erover eens dat dergelijke paljasserij geen pas geeft. Veelal werden hiervoor twee redenen gegeven: 1, dat Den Haag een voorbeeldfunctie vervult en 2, dat het van minachting getuigt voor de vele Nederlanders die het op dit moment niet eenvoudig hebben. Vandaar ook dat Rutte en anderen na afloop steeds weer beklemtoonden dat er vooral 'lang en serieus’ was gedebatteerd. Het was preken voor de zwijnen. De media registreerden de opmerking maar gingen vervolgens verder over het gehakketak en de fratsen. Dát was en bleef het nieuws, eventuele serieuze beschouwingen waren bijzaak.
Verbaasd? Natuurlijk niet. Het kan bijna niet anders. Zo zijn de wetten van de mediacratie. Met dit woord wordt niet bedoeld (zoals een jaar of tien geleden nogal eens te horen was) dat de media het in de moderne democratie voor het zeggen hebben. Dat is sterk overdreven. Andere machten zoals bedrijven, banken en bureaucratie hebben eveneens en veelal meer invloed. Nee, de macht van de media werkt subtieler. In verband hiermee is het verhelderend naar de oude discussie over de verhouding tussen kunst en leven te verwijzen. Volgens Plato, Aristoteles en een lange serie denkers in hun voetspoor bereikte de kunst een grotere perfectie naarmate zij beter de werkelijkheid imiteerde. Pas ergens in en rond de Romantiek veranderde deze opvatting, om vervolgens door Oscar Wilde, eind negentiende eeuw, omgedraaid te worden: het leven imiteerde de kunst. Wilde bedoelde dat we alleen dankzij verhalen van derden ('kunstenaars’) in staat zijn de werkelijkheid waar te nemen. Neem mist. In het dagelijks leven is het simpelweg vervelende, ondoorzichtige klerrie. Maar nadat je een mooi schilderij van Londen in de mist hebt gezien, kijk je er opeens anders naar. Dat klopt. Het is zoals Marcel uit Prousts Recherche op een gegeven moment uitroept: 'Is er nu niemand die over deze plek geschreven heeft, dan weet ik tenminste wat ik moet zien!’
De omkering van de verhouding tussen beeld en werkelijkheid werd in de twintigste eeuw bekrachtigd door de revolutionaire ontwikkelingen van de media. Het was Daniel Boorstin die hierover begin jaren zestig, toen de televisie in de Verenigde Staten al in elk huishouden stond maar in Europa nog maar net furore maakte, de klassieke tekst produceerde: The Image. Gebeurtenissen zijn pas 'echt’ als ze op televisie zijn, beweerde hij. Sterker nog, omdat alles op televisie komt zijn beeld en werkelijkheid niet meer van elkaar te onderscheiden. Marshall McLuhan borduurde hier in dezelfde jaren zestig op voort door te beweren dat de media hun eigen wetten hebben en dat het uiteindelijk deze zijn die de boodschap bepalen. Dit fenomeen is door de voortgaande mediarevoluties van de afgelopen halve eeuw slechts sterker geworden en sinds geruime tijd zo sterk dat niemand nog in staat is zich eraan te onttrekken. Dat is mediacratie. Niet dat de media het voor het zeggen hebben maar dat eenieder die in het openbaar optreedt zich bewust is van de bühne. De inhoud is secundair, het gaat om de verpakking.
De gevolgen hiervan zijn op alle gebieden, ook de politiek, enorm en worden misschien nog wel het aardigste uitgedrukt met de term dramademocratie. Waarom doen of deden mannen als Berlusconi, Fortuyn en Wilders het zo goed? Vanwege hun boodschap? Dat is te meer onwaarschijnlijk omdat die boodschap veelal eenvoudig is als Jip en Janneke. Nee, het is omgekeerd. Zij doen of deden het zo goed omdat zij perfect de wetten van de mediacratie beheersen. Vandaar ook hun succes bij - daar zijn ze weer - Henk en Ingrid. Op zich is dat geen probleem, integendeel. Populisme, vereenvoudiging, scherpte, ja zelfs reductio ad absurdum zijn goed voor de democratie. Het probleem ontstaat wanneer iedereen politieke problemen gaat verjipjanneken. Dat is echter precies wat er gebeurt en wat in de weergave van de media nog eens extra beklemtoond wordt.
Zo wordt mediacratie tot mediocratie oftewel politiek tot kleuterschool. Er is maar één manier om daaraan te ontsnappen: weigeren het spel volgens die regels te spelen. Maar ik betwijfel of dat nog kan en ik betwijfel nog sterker of de media dat zullen pikken. Het brengt Den Haag in een onmogelijk dilemma. Het is spelen in de spotlight of werken in duisternis.