Medische porno

Het zal ook wel door die catchy titel gekomen zijn dat zijn vorige boek zo'n bestseller werd in Amerika; How We Die heette het. Sherwin B. Nuland, hoogleraar chirurgie aan Yale, kreeg er de American Book Award voor. Terecht.

Nuland is in How We Die op zijn sterkst als hij uit de eerste hand vertelt. Bijvoorbeeld hoe hij als derdejaars medicijnen alleen was met zijn eerste stervende, de 52-jarige aannemer James McCarthy, die na een licht hartinfarct opgenomen werd in ‘een groot academisch ziekenhuis’ en aanvankelijk herstellende leek. Ineens ging het mis: 'Met twee gebalde vuisten gaf hij zichzelf één alarmerend harde beuk op de borst, terwijl op hetzelfde moment zijn gezicht en hals paars opzwollen. Zijn ogen puilden vervaarlijk uit. Hij ademde nog één keer, een lange, reutelende ademtocht, en stierf.’
Volgt een ijzingwekkende beschrijving van de wanhopige derdejaars die op goed geluk het lichaam opensnijdt om het ongecontroleerd kronkelende hart met de blote hand te masseren: 'Ik had gelezen dat een fibrillerend hart aanvoelt als een natte, zachte zak vol wild wriemelende wormen, en dat klopte precies. De snel afnemende weerstand tegen de druk van mijn vingers maakte duidelijk dat het hart geen bloed kreeg, zodat mijn pogingen het eruit te persen nutteloos waren, vooral omdat de longen geen zuurstof kregen. Toch kon ik niet ophouden. En toen gebeurde er iets schokkends en verbijsterends: de dode McCarthy, wiens ziel inmiddels definitief was heengegaan, gooide opnieuw zijn hoofd achterover, staarde met de glazige, nietszeggende blik van dode ogen naar het plafond en stiet een afschuwelijk krassend geluid uit, dat klonk als het blaffen van een hellehond. Pas later realiseerde ik me dat dit McCarthy’s versie van de doodsreutel was, een geluid dat veroorzaakt wordt door een kramp in de strottehoofdspieren ten gevolge van de toenemende verzuring van het bloed van een pas overledene.’
Je moet er wel tegen kunnen dus. Zelf moest ik het boek af en toe wegleggen, omdat ik last kreeg van beklemmende steken in de borst en prikkels in de linkerarm, dan wel van een opgeblazen gevoel in de buik, wat wel maagkanker moest betekenen. Het lezen over ziekten en dood, en met name als dit zo beeldend en knap beschreven is als door Nuland, werkt sterk op de verbeelding.
Het mag duidelijk zijn dat Nuland er niet op uit is de mensheid valse hoop te verschaffen. Hij zegt in het voorwoord van Hoe we doodgaan dat hij het stervensproces wil ontmythologiseren en in discussie met zijn zo veel troostender ingestelde /artsen stelt hij na een lange werkervaring: 'Ik heb zelden grote waardigheid bespeurd in de manier waarop we doodgaan.’ Waarom wilden dan toch zo veel Amerikanen zijn boek lezen? Zelf stelt Nuland dat we allemaal, zonder daarvoor uit te komen, willen weten hoe we doodgaan. Dat riekt een beetje naar onbewust. Ik weet van mezelf dat ik nogal eens fantaseer over mijn eigen manier van doodgaan. En ik zal de enige niet zijn. Maar dat is toch iets anders dan nieuwsgierigheid aan de dag leggen over hoe het er werkelijk aan zal toegaan. Dat wil je eigenlijk niet weten, toch?
Als Nuland begint te filosoferen over leven en dood, is hij weinig oorspronkelijk. Ook als populariseerder van de geschiedenis van de medische wetenschap vind ik Nuland niet sterk. Dat laatste genre beoefent hij in het onlangs ook vertaalde, zeer dikke Artsen: Een biografie van de geneeskunde. Gevallen beschrijven kan hij beter. Zowel op wetenschappelijk als literair niveau. En vaak worden die twee manieren op droge en daarmee juist schokkende manier vermengd. Het is niet alleen eng. Soms is het ontroerend. Bijvoorbeeld als hij het lange sterven van zijn grootmoeder weergeeft. Daarvan ziet hij ondanks alle pijn ook de schoonheid in. Interessant is het dat Nulands woede over de kankercel vooral een esthetische kwestie blijkt te zijn; die gruwelijke vormeloosheid!
De titel van het onlangs verschenen nieuwe boek doet vermoeden dat Nuland op de New Age-toer is gegaan. Maar al bij de onder hoge tijdsdruk uitgevoerde, krankzinnig complexe operatie van een miltslagader waarmee De wijsheid van het lichaam opent, weet je dat dit niet zo is. De invalshoek van Nuland is dit keer positiever. Hij wil de grandioze wijze bezingen waarop het lichaam, ondanks alle aanvallen erop, in staat is tot overleven. Maar dat wil niet zeggen dat gruwelijke details ons dit keer bespaard blijven. Het is natuurlijk prettig om te weten hoe geraffineerd het menselijk immuunsysteem werkt in de strijd tegen de kanker: 'Het afweersysteem van het lichaam is zo krachtig dat niet meer dan één promille van de circulerende kankercellen de mechanische en chemische aanvallen van het lichaam overleeft.’
Maar toch, Nuland lezen kan je ook dit keer aardig uit je slaap houden. Al is het maar omdat hij zo beeldend weet te schrijven over de borst van een zwangere vrouw met kanker: 'De vouwen strekten zich uit tot voorbij de rand van de rozebruine tepelhof. De huid van dat gedeelte oogde en voelde als een sinaasappelschil, maar dan met een ontstoken roodachtige gloed eromheen.’ Daar kreeg ik de rillingen van. En ik heb niet eens borsten.
Net als in Hoe we sterven weet Nulland je ook in De wijsheid van het lichaam ineens te ontroeren. Ik zou bijna zeggen dat hij je tot een vorm van universele ontroering weet te brengen als hij zo precies mogelijk beschrijft hoe een embryo ontstaat. Met dezelfde gevoeligheid voor het detail, in dezelfde superieure stijl, schrijft Nuland over het levensreddende complex van het braken.
In het hoofdstuk 'De liefdesdaad’ weet Nuland met inachtneming van de wetenschappelijke objectiviteit zijn bewondering weer te geven voor hoe bij de man afscheiding, ejaculatie en orgasme samenvallen bij het klaarkomen. Pure poëzie vind ik dat: 'De synchronisatie is zo perfect dat er op dat moment, als alles zich precies op de juiste plaats bevindt, boodschappen worden verzonden via een minuscule tak van de zenuw naar het hele gebied, dat ook wel de pudenda wordt genoemd (…), naar een dunne, maar zeer invloedrijke spier die de bulbocavernosus wordt genoemd. Deze veervormige structuur begint net voor de anus en loopt van daaruit om de wortel van de penis heen. De zenuwprikkel brengt de musculus bulbocavernosus in een reeks krachtige samentrekkingsspasmen die het zaad plotseling door de urineleider naar buiten spuiten in de ontvankelijke warmte van de wachtende vagina.’ Daar kan geen porno tegenop.