Renate Dorrestein e.a., Mens in uitvoering

Medische profeten

Is vervangingsgeneeskunde een vloek of een zegen? In de verhalenbundel ‹Mens in uitvoering› geven de auteurs blijk van een sombere kijk op de toekomst. De nieuwe mens zal vooral slachtoffer zijn van de hi-tech geneeskunde.

Gekloonde schapen, stieren met een menselijk gen, muizen die geitensperma produceren — de moderne biomedicus schijnt er zijn hand niet meer voor om te draaien. De ontwikkelde technieken zijn straks ook voorhanden om onze eigen ziektes en genetische afwijkingen te lijf te gaan. Hoe wenselijk dit is, wat de gevolgen ervan zijn en waar de grenzen liggen, blijft een onuitputtelijke bron voor filosofisch-ethische discussies. Mens in uitvoering zegt een extra dimensie te willen geven aan het maatschappelijke debat dat nieuwe ontwikkelingen in de geneeskunde bij voortduring zullen blijven opleveren. De samenstellers van de bundel hebben gekozen voor een literaire benadering: «Wat zouden schrijvers ons kunnen vertellen over een wereld waarin vervangingsgeneeskunde haar intrede heeft gedaan? Zouden zij de emoties, angsten en fantasieën zoals die algemeen leven een volwaardige plek kunnen geven in het debat?»

Dat het antwoord bevestigend moet zijn, bewijzen boeken als Aldous Huxleys Brave New World en Ira Levins The Boys from Brazil. De griezelige werkelijkheid die daarin wordt beschreven, komt inmiddels gevaarlijk dichtbij. Mens in uitvoering is dus eigenlijk een herhalingsexperiment in het sciencefictiongenre, waarin de auteurs hun verbeeldingskracht flink aan het werk hebben gezet, als moderne profeten. Het hele medische spectrum passeert de revue: van xeno-, hersen- en oogtransplantatie tot genetische manipulatie en zelfs levende doden. Hoe verder de schrijvers in de toekomst kijken, hoe onwaarschijnlijker het wordt.

Vooral Renate Dorrestein maakt het bont in «Voor liefde: klik op F», dat in 1998 al verscheen in Het moment van de eeuw. Hierin mijmert het laatste wezen in het universum dat nog een mensenhart bezit, maar verder nauwelijks nog een mens is te noemen, over het jaar 1967, miljoenen jaren terug. Toen de mens voor het eerst voet zette op de maan en de Zuid-Afrikaanse chirurg Christiaan Barnard wereldberoemd werd met een baanbrekende harttransplantatie. Het wezen blijkt het pronkstuk van een drukbezocht wetenschappelijk centrum. Dit is nog tot daar aan toe, maar het uiterlijk van de chef de clinique is moeilijk serieus te nemen: hij heeft zeven ogen, een extra rij hagelwitte tanden, de ideale maten 120-13-0-120 en een onbekend aantal aangelaserde neuzen. Allemaal plastische chirurgie. Het toekomstige schoonheidsideaal blijft natuurlijk koffiedik kijken, maar het is wellicht onverstandig je geld op deze ontwikkeling te zetten.

De meeste andere verhalen in Mens en uitvoering zijn niet eerder verschenen, maar voor deze bundel geschreven. Naast verhalen van onder anderen Désanne van Brederode, Hermine Landvreugd, Emma Brunt en Belcampo bevat Mens in uitvoering gedichten van Osdorp Posse-voorman Def P en van de Poolse Nobelprijswinnares Wyszlawa Szymborska. Bovendien is in de bundel een aantal bevreemdende kleurenfoto’s opgenomen, gemaakt door Laboratorvm in Amsterdam. Hierop staan mensen afgebeeld met bijvoorbeeld een stopcontact in hun hoofd of navel, en creaturen die het midden houden tussen mens en roofdier. Opvallend is dat alle bijdragen vooral wijzen op de negatieve consequenties van biomedische ontwikkelingen. Het citaat van Jonathan Miller in een van de verhalen wordt keer op keer bevestigd: «Een patiënt is iemand die niet alleen aan zijn ziekte lijdt, maar ook aan de verschillende methoden waardoor die wordt genezen.»

Zo is in deze bundel geen van de personages echt gelukkig met zijn nieuwe ogen of hart. In «Met de dood ben ik het grondig oneens» van Elvis Peeters jaagt het resultaat van een hersentransplantatie bij een baby de artsen zoveel angst aan dat ze snel de stekker er weer uittrekken. En in «Licht in zijn varkenshart» van Hermine Landvreugd gaat een jongen met een varkenshart zich als een beest gedragen. Wanneer de gewelddadige vader van deze Jonathan na een afwezigheid van drie jaar weer de rust in huis komt verstoren, duwt hij hem van de keldertrap. Daarna laadt hij het bewusteloze lichaam in de auto, rijdt het naar een boerderij en voert het aan de varkens. Zelf eet Jonathan ook een hapje mee, suggereert Landvreugd, want als hij later in de auto ontwaakt uit zijn roes proeft hij bloed en heeft hij spierpijn in nek en schouders.

Ook gentherapie blijkt niet zonder afschrikwekkende bijverschijnselen, getuige het onheilspellende verhaal van Robert Vernooy, «De blik in de afgrond». De ikfiguur heeft zich laten behandelen voor de gebreksziekte scorbuut, beter bekend als scheurbuik, een ziekte die de meeste mensen associëren met zeelieden uit de tijd van de Vereenigde Oostindische Compagnie. In een tijd dat de wetgeving met betrekking tot gentherapie aanzienlijk is versoepeld, wordt bij hem een gen geïmplanteerd dat het defect in zijn DNA moet verhelpen. Hij geneest wonderbaarlijk, maar de keerzijde van de medaille is dat hij niet alleen last krijgt van overbeharing, maar ook agressief wordt. Een blaffende hond krijgt een rotschop en een meisje dat hij mee naar huis neemt, wil hij «knijpen, krabben, bijten, als een beest over haar heengaan». De vrijpartij eindigt met een onbehouwen klap op haar billen die een gloeiende handafdruk achterlaat. Wanneer hij om een verklaring voor zijn gedrag vraagt bij zijn behandelend arts komt die niet verder dan «autosuggestie». Auteur Vernooy laat er echter geen misverstand over bestaan: ook hier was sprake van medisch falen.

Niet alleen zijn de individuele patiënten meer slachtoffer dan profiteur van de nieuwe geneesmethoden, ook de mensheid als geheel gaat er in de verhalen van Mens in uitvoering niet op vooruit. De auteurs brengen het niet als een zegen voor de mens dat geslachtelijke voortplanting is vervangen door industriële mensenproductie en de lichaamscultus zo ver is doorgeschoten dat er geen ruimte meer is voor emoties. Menigeen voorspelt een wereld waarin angst, liefde, verdriet en vreugde zorgvuldig zijn weggemanipuleerd en plaatsgemaakt hebben voor een technisch gecreëerde gelijkmatigheid. De auteurs hebben geen enkel vertrouwen in de ethische keuzes die «de nieuwe mens» zal maken.

Een duidelijk voorbeeld is het verhaal van Tico Andrea, «De Pulitzer-prijs», waarin de medische wachtlijsten op een lugubere manier worden weggewerkt. De hoofdpersoon, Ernst, infiltreert in het Maxima-ziekenhuis, om het geheim achter de korte wachtlijsten van dit hospitaal te ontrafelen. Hij heeft sterk het vermoeden dat het Maxima-ziekenhuis illegaal organen bemachtigt uit Verenigd Noord-Amerika en denkt met de onthulling van deze praktijken niet minder dan de Pulitzerprijs in de wacht te gaan slepen. Maar de waarheid blijkt nog veel gruwelijker: voor de benodigde organen schiet het ziekenhuispersoneel zelf gevangenen af in Nieuw-Flevoland, inmiddels omgebouwd tot een reservaat voor dissidenten.

Tot hier en niet verder, lijken de auteurs ons te willen toeschreeuwen. Ondanks een grote diversiteit aan onderwerpen die binnen het thema aan de orde komen, maakt dit Mens in uitvoering uiteindelijk te eenzijdig. Elk sprankje hoop ontbreekt. Terwijl de biomedische wetenschap behalve bedreigingen zeker kansen biedt. Op deze manier geven de auteurs, ondanks enkele vermakelijke verhalen, niet een «extra dimensie» aan het maatschappelijke debat, zoals de inleiders Henriëtte Bout (van ConScience Onderzoek en Advies) en Gert van Dijk (van het Rathenau Instituut) beloven. Zeker niet met illustere voorgangers als Aldous Huxley, Ira Levin en Michel Houellebecq.

Renate Dorrestein e.a.

Mens in uitvoering. Het lichaam als bouwpakket. Uitg. Rainbow, 208 blz., € 13,-