Medische soap

Menno Lievers, De val van Hippocrates. € 19,90

Hoewel we het vertrouwen moeten hebben dat medisch specialisten hun vak beheersen en zich zullen houden aan de eed van Hippocrates geeft hun gedrag doorgaans weinig reden tot optimisme. Bij geen andere beroepsgroep kom je zoveel hufters tegen die het doodnormaal vinden je anderhalf uur te laten wachten om je vervolgens af te schepen met een te snel gestelde en onhelder uitgelegde diagnose. Alleen als je een academische titel of een dubbele achternaam hebt bestaat er nog een kans dat je normaal bejegend wordt. Mocht er tijdens een operatie iets misgaan, dan ligt het nooit aan hen. Aan het feit dat ze onverantwoord lange werkweken maken ontlenen ze gezag en het recht exorbitante honoraria op te strijken, een direct gevolg van de tot nu toe geslaagde opzet hun exclusieve gezelschap zo klein mogelijk te houden. Kom je bij toeval eens een fatsoenlijke dokter tegen, dan begin je bijna te vermoeden dat zijn beleefdheid wel een dekmantel voor onkunde moet zijn.
Overdrijf ik? De val van Hippocrates van Menno Lievers (1959), opgeleid als medicus en werkzaam als filosoof, bevestigt mijn bangste vermoedens. De dertigjarige Erik Liefco werkt als arts-assistent, maar niet in opleiding, in een randstedelijk ziekenhuis dat alle trekken vertoont van Dante’s Inferno. De specialisten zijn arrogante carrièrejagers of botte slagers, het hoofd van de fertiliteitskliniek bevrucht alle vrouwen met zijn eigen zaad, schaarse opleidingsplaatsen worden slechts vergeven aan alcoholische knoeiers met de juiste connecties, patiënten behandelt men als bedorven vlees en verpleegsters willen maar één ding: geneukt worden door een dokter.
In dit gruwelijke oord tracht Liefco zich halfslachtig een positie te veroveren, niet zozeer omdat hij werkelijk de ambitie koestert een goede arts te worden, als wel omdat zijn leven op een dood spoor zit. Nadat hij op dertienjarige leeftijd zijn jongere broer in een ravijn heeft zien storten, een traumatische gebeurtenis waarover hij zich altijd schuldig is blijven voelen, heeft hij geprobeerd de stille verwijten van zijn ouders te pareren door een voorbeeldige zoon te worden, die in de lijn van de familietraditie geneeskunde zou gaan studeren. Zijn keuze voor dat vak komt dus voort uit oneigenlijke motieven, maar daarin verschilt hij nauwelijks van zijn vakgenoten. Erger is dat hij absoluut niet in zijn roeping gelooft. Hij drinkt te veel, zijn liefde voor Beatrijs - denk aan Dante’s Beatrice - is uitgeblust, en iedere nacht droomt hij van de val van zijn broer. ‘Ik had sinds mijn broer was gestorven geen reisgenoot’, zo citeert hij Nijhoffs Awater, maar waar de spreker uit dat gedicht hoop put uit de verschijning van een messianistische figuur laat Liefco zich leiden door ingebeelde ontmoetingen met zijn oude leermeester Rood, een dove psychosomaticus die door de medische wereld nooit au sérieux was genomen. Deze man is niet de Vergilius die hem veilig door de hel kan loodsen. Liefco is reddeloos verloren. Tegen het einde van de te traag voortkabbelende roman raakt de plot in een stroomversnelling, met Liefco’s totale en ontluisterende ondergang als slotakkoord.
Een belangrijk deel van dit boek staat in het teken van de misstanden in het ziekenhuis, maar ook waar dokters hun best doen wordt de lezer geen detail bespaard: 'Ik trok de latex handschoenen aan. Met mijn linkerhand spreidde ik haar schaamlippen, met mijn rechter wijs- en middelvinger tastte ik in het donker. Ik voelde de baarmoederhals en een gedeelte van de baarmoeder. Ik trok een schone handschoen aan, smeerde die met gel in en stak voorzichtig mijn rechter wijsvinger in haar anus.’ Op dezelfde klinische toon worden Liefco’s treurige escapades met verpleegsters en hoeren beschreven: 'Ik groef met mijn tong rondom de wortel van haar clitoris, waarna ik die langzaam over de halve centimeter zwelling liet glijden. Ze begon zwaar te ademen. Ik zette mijn wijd geopende mond boven op de huid rond haar clitoris, zodat mijn tong afgeschermd door mijn mondholte zijn werk kon doen.’
Met de anatomie zit het dus wel goed. Dat bij vrijwel alles wat Liefco beleeft de ziel ver te zoeken is, kan gezien worden als symptomatisch voor wat er met hem aan de hand is, maar ook voor de liefdeloze wijze waarop de geneeskunde in dit boek bedreven wordt. De uitvoerige beschrijvingen van medische handelingen, compleet met vakjargon dat de gemiddelde lezer bij elkaar zal moeten googelen, zijn dus zeker functioneel voor wat de kern van het boek uitmaakt, maar halen de vaart uit het verhaal en maken het moeilijk je in Liefco in te leven. Ik krijg de indruk dat de roman op twee gedachten hinkt. Aan de ene kant heeft Lievers een psychologisch drama willen schetsen, met een hoofdpersoon die zich schuldig en minderwaardig voelt, anderzijds is het boek een inktzwarte satire op de Nederlandse gezondheidszorg, met alle overdrijvingen die dat genre eigen zijn. De combinatie van beide elementen pakt niet gelukkig uit. Wat er in Liefco omgaat is niet grondig genoeg uitgewerkt, in elk geval te weinig om zijn teloorgang aannemelijk te maken.
Dit alles neemt niet weg dat de weerzinwekkende aspecten van Lievers’ medische soap er stevig inhakken. Geen lezer gaat na dit boek nog met een gerust hart naar de dokter. Misschien moet het een verplicht nummer worden op de literatuurlijst van artsen in opleiding.

Menno Lievers
De val van Hippocrates
De Bezige Bij, 288 blz., € 19,90