KUNST

Medium van jongemannen

Surrealisme

In Avro’s Kunstuur wordt aanstaande zaterdag het tweede deel getoond van een portretje van de Fondation Custodia te Parijs, de verzameling van Frits Lugt, die in 1956 de basis legde voor het Institut Néerlandais. Bij elkaar is het een ensemble van Nederlands cultuurgoed dat in kwaliteit alleen te vergelijken is met het Mauritshuis of Teylers Museum. In de beschaafde wereld wordt het als zodanig bewonderd en gewaardeerd. In Haagse kringen wordt erover gesproken alsof het een gebakkraam is, die te weinig poffertjes verkoopt.
Er openden vorige week twee tentoonstellingen. De eerste toont Lugts schilderijenbezit, waarover ik gemakkelijk zes afleveringen van dit tijdschrift zou kunnen volschrijven. De tweede is een keuze uit het tekeningenbezit van het Museum Boijmans in Rotterdam, onder de titel Dessins contemporains surréalistes de Rotterdam. Dat is wel iets heel anders: zeventig tekeningen van recente datum, van tekenaars als Hans de Wit, Robert McNally, Ronald Cornelissen, Paul van der Eerden, Chris Hipkiss, Paul Noble, ManfreDu Schu en nog enkele. Over het algemeen vrij grote tekeningen, en ‘surrealistisch’ in de zin dat de meeste uitzicht bieden op werelden waarin het ongerijmde en het absurde mogelijk lijken. Nog iets wat opvalt: tekenen is a young man’s medium. Het is vrij, en creëert direct resultaat, zonder de vereiste planning van het schilderij.
Een aantal referenties ligt dicht onder de oppervlakte: het stripverhaal (Eisner), Breughel, Escher, Burroughs, David Lynch (Eraserhead), sciencefiction, en ook wel de vormentaal van de tatoeage en de gothic- of heavy-metalwereld. Nogal wat tekeningen zijn zeer dicht, met zeer vele figuurtjes, een drukke vormentaal en een zekere koorts - waarbij het niet moeilijk is voor te stellen hoe die tekenaar maandenlang over het vel gebogen zat, tong tussen de lippen, geen oog voor iets anders. Dat schijnt echt zo te gaan bij Chris Hipkiss (1964), een opmerkelijke autodidact die naar verluidt op zijn tweede jaar al zijn kussensloop volpende. Zijn grote potloodtekeningen tonen een complexe samenleving, ergens in een postapocalyptische toekomst, gejaagd, nerveus en intens; het is werk dat nogal eens in een context van outsider art wordt getoond.
Twee tekenaars springen eruit. Charlie Roberts (1983) presenteert een wandvullend panorama dat het interieur van één kamer toont, maar daarin is elke vierkante centimeter gevuld met… plaatjes. Plaatjes en dingen. Voorwerpen. De hele canon van de kunstgeschiedenis, de hele populaire cultuur, als een achttiende-eeuwse Kunstkammer maal tien, verbazend, heerlijk, buitengewoon leuk. Charles Avery (1973) is veel meer een technisch virtuoos. Hij werkt sinds 2004 aan The Islanders, een epos in woord en beeld over een imaginair eiland, ergens voor de kust bij Edinburgh. Zijn scènes komen naar voren uit een half voltooide staat, waarin weggegumde lijnen zichtbaar zijn, en de hulplijnen van het perspectief, iets wat eigenlijk typisch is voor tekenen. Daarbinnen spelen zich complete speelfilms af. Een man en een vrouw in een dierenwinkel, drie kerels op een strand, bezig met het verzamelen van muisvormige stenen, een lugubere optocht in een dorp, als in verhalen van John Fante of Raymond Carver.
Veel van dit werk is natuurlijk in Rotterdam te zien, of te zien geweest, en het is op zich niet nodig om er aandacht aan te besteden nu het zo in beknopt verband in Parijs wordt getoond. Maar het viel mij op hoe groot de belangstelling was, en wie daar allemaal waren. Die ene gedistingeerde rijzige heer die zo geïnteresseerd met die tekenaar stond te praten: dat is nou de hoofdconservator tekeningen en prenten van het Louvre, die kwam kijken wat hij eind deze maand op de Drawing Now Paris/Salon Du Dessin Contemporain kan gaan tonen. Daar heb je zo'n Institut voor. Niet voor poffertjes.

Hedendaagse surreële tekeningen uit Rotterdam. Institut Néerlandais, Parijs, t/m 13 mei. www.institutneerlandais.com. Vanaf 29 maart: www.drawingnowparis.com