Virgillius

Mee lijden met Aeneas

De ‘Aeneis’ van Vergilius is uiteindelijk een gedicht over compassie. Tussen al het krijgsgewoel door blijkt de ontroering van de schrijver steeds opnieuw.


Ibant obscuri sola sub nocte per umbram — deze zin heeft mij, sinds mijn eerste kennismaking met Vergilius, altijd achtervolgd. Het is niet alleen de wisseling van de bijvoeglijke naamwoorden maar de mirage van duisternis die deze zin is: drie verschillende soorten duisternis naast elkaar. Op dit moment betreedt Aeneas met de Sybil de onderwereld, en dat sola slaat op de sterrenloze nacht in de onderwereld, de umbram is de permanente dimster die daar regeert en obscuri zijn de personen die voor ’s lezers oog onontwaarbaar worden in dat schimmige rijk. Dit is een superbe zin.


Van de vele Vergilius-vertalingen is die van Schwartz (van 1959) mij dierbaar. Hij vertaalt: ‘Donker, onder eenzame nacht, gingen zij door de schaduw.’ Schwartz plaatst dat donker en eenzaam, net als in het origineel, zo dicht mogelijk bij elkaar. In zo’n ronkend epos als de Aeneis lijkt het niet voor de hand liggend op zulke details in te gaan, maar Vergilius is op de eerste plaats dichter en het is zijn liefdevolle behandeling van woorden, pulserende, knipperende woorden waarin hij zich een groot dichter bewijst. Zo treffen we in Boek 8 nog zo’n zin die klank en beschrijving en inhoud bijna terloops huwt: ‘quadrupedante putrem sonitu quatit ungula campum’. Vergilius beschrijft hier een cavalcade die ten strijde trekt. Piet Schrijvers, in zijn vertaling in hexameters, vertaalt dit: ‘galopperen de dravende paarden met dreunende hoefslag/ over de mulle grond’. Een moedige poging de onomatopee van het origineel te imiteren, maar helaas draaft deze vertaler door: zijn paarden lijden blijkbaar aan kolder, als ze galopperen en draven tegelijk.


Poëtische effecten mogen natuurlijk nooit de accuratesse van het gekozen woord in de weg staan. Bij trouwe Schwartz heet het: ‘… en de hoef omwoelde met viervoetig getrappel het rulle veld’. Alleen zou ik dat omwoelen liever vervangen zien door schudden. Wat mij betreft kan alleen een letterlijke vertaling, waarin elk woord van Vergilius zijn plaats krijgt, recht doen aan het origineel. En nu het toch boekenweek is, wil ik de wens uitspreken, op het gevaar af decadent te worden genoemd, dat er een letterlijke tweetalige Nederlandse vertaling verschijnt met een cornucopia aan noten en een Nova Zembla van een index. En zonder gebruik van al die irritante uitdrukkingen, een endemische kwaal bij Nederlandse vertalers, die ’s dichters persoonlijke dictie van alle eigenheid beroven: bij Schrijvers roept Aeneas zijn moeder Venus toe: ‘Met jou heb ik nooit een echt gesprek kunnen voeren!’ Een Aeneas rijp voor Rondom Tien.



PUBLIUS VERGILIUS MARO, een trage spreker, verlegen, zwak van gestel, werd 70 v. Chr. geboren in Mantua en stierf op 21 september 19 v. Chr. in Griekenland waar hij zijn magnum opus Aeneis wilde afronden, na tien jaar arbeid eraan. In dit werk beschrijft hij de omzwervingen van de Trojaan Aeneas, zoon van Anchises en Venus, die, na de val van Troje, door de goden aangespoord, naar Italië trekt om de stad Lavinium (naar zijn vrouw Lavinia) te stichten, de oorsprong van Rome, hetgeen natuurlijk met veel tegenstand gepaard gaat. In Boek 2 verhaalt hij zelf van het paard van Troje en hoe hij in Troje zijn vrouw moest achterlaten. Dit is interessant: elke vrouw die in aanraking komt met Aeneas wordt óf gek, óf hysterisch, maar altijd door hem verlaten. Misschien is dat voor hem de enige manier om zich te wreken op de godin Juno en zijn moeder, wier speelbal hij is.


De ruzies tussen deze twee al te menselijke godinnen worden met gusto beschreven. En de herkenbare wrange woede van de afgewezen vrouwen (van Juno tot Amata, de moeder van Lavinia) levert prachtige poëzie op.


Hoewel via profetieën de glorie wordt getoond die Rome zal zijn, wordt in Aeneis ten eerste een verscheurde wereld beschreven, waarin mensen alles doen om de restanten van hun ras en geloof te verdedigen tegen allochtone invloeden. En Aeneas is een allochtoon — in de letterlijke betekenis van iemand uit een andere grond. Dit verklaart misschien zijn liefde voor de zee.


Zoals we zullen zien is de Aeneis geen pompeuze lofzang op de gruwelijkheden die hebben geleid tot de stichting van Rome. Vergilius is daar te schrander voor en de vele slangen die al dan niet metaforisch door het gedicht krioelen, lijken te duiden op des dichters bewustzijn van het kwaadaardige dat de hele geschiedenis kenmerkt.


In de fraaie inleiding tot zijn vertaling uit 1697 van de Aeneis zegt John Dryden: ‘What he (Vergilius) says of the Sybil’s prophecies may be as properly applied to every word of his: they must be read in order as they lie; the least breath discomposes them.’ Waarna hij een vertaling presenteert die de woorden van Vergilius niet met een ademtocht door elkaar gooit, maar verstoort als een man die binnenkomt met een astma-aanval. Maar om Dryden recht te doen: hij was meer gemoeid met prosodie en de assonantie en zocht daar equivalenten voor in het Engels: in Spencer vond hij een Engelse geestverwant met Vergilius, net als in Milton, wiens Paradise Lost, met zijn Latijnse zinswendingen en rekbare syntaxis misschien wel de beste imitatie van Vergilius is.



DRYDENS VERTALING is prachtig, maar het is slechts een verre klank van Vergilius’ instrumentarium. Ik heb mij altijd verbaasd over de gulzige bereidheid van veel lezers om iets te accepteren als vertaling omdat het ‘de geest’ van een werk goed overdraagt en daarbij vergeten dat geen verbale metempsychose kan plaatsvinden zonder omhulsel, en dat omhulsel is uiteraard het woord en des dichters oorspronkelijke woord is heilig. Dit baart mij zorgen en ik voorzie de tijd dat Omeros van Derek Walcott beschouwd gaat worden als de beste vertaling van Homeros — hetgeen noch Walcott noch de bard recht doet.


Er is iets bijzonders aan de hand met homerische vergelijkingen bij Vergilius. Die zijn niet zozeer een elaboratie van het beschreven onderwerp maar, voor de dichter, een ontsnapping eraan — en, voor de lezer, een ontspanning. Rudyard Kipling en Gogol hebben dat, denk ik, goed begrepen en de homerische vergelijking tot bizarre, magische proporties teruggebracht. Het materiaal voor die vergelijkingen komt uit de attributenkast van de dichter en geeft de lezer even het gevoel buiten de handeling te worden geplaatst. Opvallend in dit verband zijn de strijdbeschrijvingen die niet zozeer bulderen door het gebruik van de vergelijkingen als wel door de opsommingen van namen van strijders en gevallenen, namen die in de zinnen opdoemen als de vaandels en wimpels van de soldaten. Belangwekkender zijn de passages waarin de vergelijkingen langzaam de handeling van het verhaal binnensijpelen. Een mooi leidmotief vormen de bijen, die ter vergelijking dienen, om dan, in Boek 7, uit hun imaginaire korf te vluchten om onderdeel te worden van het beschreven landschap en daarna, in het laatste boek, weer veilig zoemen in het hoofd van de dichter alleen.


In Boek 8 treffen we Aeneas in gedachten verzonken. Dan komt deze zin (in de mooie vertaling van H.R. Fairclough): ‘And now hither, now thither he swiftly throws his mind, casting it in diverse ways, and turning it to every shift; as when in brazen bowls a flickering light from water, flung back by the sun or the moon’s glittering form, flits far and wide o’er all the things, and now mounts high and smites the fretted ceiling of the roof aloft.’ Dit is een wondermooi beeld op zich, maar dat water anticipeert op de verschijning van de riviergod Tiber in een droom van Aeneas enige regels later.


Deze vergelijkingen zijn geen virtuoos vertoon, zij vormen een belangrijk patroon in het verhaal. In Boek 8 wordt, tussen alle oorlogsdreiging door, een nachtuur beschreven, ‘de tijd dat de huisvrouw… de as en het sluimerend vuur tot leven wekt — zij voegt de nacht toe aan haar arbeid… om kuis het huwelijksbed te bewaken en haar kindertjes groot te brengen’. Dit is een opvallend verstild, teder moment en het dient om de lezer voor te bereiden op de gruwelijkheden van de oorlog, wanneer de moeder van Euryalus het lijk van haar zoon, omgekomen in de strijd, aanschouwt. Dan roept zij uit: ‘Niet geleidde ik, uw moeder, u naar uw graf… u dekkend met het kleed, dat ik dag en nacht ijverig weefde voor u…’ Des dichters matter mag dan wel de bloederige oorsprong zijn van het grote Rome, zijn manner vertelt andere dingen.



POETRY IS IN the pity, inderdaad, en het is tussen al dat daverend krijgsgewoel dat Vergilius’ ontroering het meest blijkt: in Boek 7 is dat de beschrijving van de dode Galaesus (‘hij beploegde zijn land met honderd ploegen’); in Boek 12 is de dood van Menoetes hartverscheurend, de dichter gunt zich even rust en wijdt enige tedere regels aan deze Menoetes, ‘die vruchteloos de oorlog vervloekt had’. Aeneis is, uiteindelijk, een gedicht over compassie.


En zowel Dido als Amata hebben de compassie van de dichter. De eerste wordt krankzinnig als Aeneas haar verlaat en Amata wordt hysterisch als haar dochter Lavinia aan Aeneas wordt beloofd en niet aan diens alter ego Turnus. De confrontatie tussen deze twee wordt prachtig beschreven in Boek 12, een meesterstuk van ‘montage’, waarbij de twee stoere krijgers en de zinnen om elkaar heen draaien voor de ultieme confrontatie.


De episode met Dido, koningin van Carthago, is de meest ontroerende. Dido, als een Desdemona, wordt verliefd op de gevaren die Aeneas heeft getrotseerd, maar Aeneas is een man van de oceaan en zij zal hem dan ook verliezen wanneer hij weer koers zet om zijn stad te stichten. Op dat moment lezen we over arme Dido met haar gebroken hart: ‘Her pangs redouble, and her love, swelling up, surges afresh, as she heaves with a mighty tide of passion.’ De zee is niet alleen de reden voor haar kwelling, maar ook de vorm van haar droefenis. Dit is vrouwelijke intuïtie geschetst in een zin.


En op zee voelt Aeneas zich het meest thuis, omdat hij overal ‘de allochtoon’ is en hij zou bij Dido zijn gebleven als hij niet opgejaagd werd door de goden om die vervloekte stad te gaan stichten. Hij verenigt zowel de daadloze Hamlet als de hyperactieve Othello in zich, die de vloot verkiest boven het dons van het liefdesbed. Aeneas is een vreemdeling in eigen wil. En compassie krijgt hij niet van de dichter. Hij had misschien bij Dido moeten blijven. Maar belangrijker dan dat, ook al vormt Aeneas de spil van het gedicht: de werkelijke dichter kijkt via zijn ooghoeken en ziet alles wat Aeneas niet ziet. Maar wij, bevoorrechte lezers, wel.



De meest recente Nederlandse Vergilius-uitgave: Het verhaal van Aeneas. Vertaald en toegelicht door M. d’Hane-Scheltema. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 368 blz., ƒ75,-. Eerder werd de Aeneis vertaald door Vondel, Schwartz (1959, proza), Van Wilderode (1973) en Schrijvers (1996).