Meedogenloos als een god

Jamaica Kincaid, De autobiografie van mijn moeder. Uitgeverij De Geus, 190 blz., 332,50
TOEN DE Caribische schrijfster Jamaica Kincaid in 1985 Annie John publiceerde, hadden de critici hun oordeel snel klaar: de belevenissen van de hoofdpersoon, een eigenzinnig meisje dat opgroeit tegen het tropische decor van het eiland Antigua, werden op welwillende toon als ‘charmant’ betiteld. In De autobiografie van mijn moeder, haar nieuwste roman, stelt Kincaid alles in het werk om af te rekenen met het beminnelijke imago dat haar is blijven aankleven.

Xuela, de vrouwelijke ik-figuur van het boek, groeit op in volslagen liefdeloosheid. Ze verliest haar moeder op het moment dat ze ter wereld komt, waarna ze door haar vader wordt overhandigd aan de vrouw die zijn kleren wast. ‘Het kan zijn dat hij haar op het verschil tussen de twee bundels heeft gewezen: de ene zijn kind, (…) de andere zijn vuile was. Met de ene bundel zal hij voorzichtiger zijn geweest dan met de andere, (…) hij zal voor de ene een betere verzorging hebben verwacht dan voor de andere, maar voor welke weet ik niet want hij was zeer ijdel.’
Xuela heeft geen idee wat het betekent om van iemand te houden en lijkt ook geen enkel verlangen in die richting te ontwikkelen. Integendeel, iedere mogelijke band met de buitenwereld wordt radicaal van de hand gewezen. Als ze zwanger raakt van een veel oudere man, ontdoet ze zich van de ongeboren vrucht. 'Mijn leven was meer dan leeg. Ik had nooit een moeder gehad, ik had onlangs geweigerd er een te worden en ik wist toen dat die weigering volledig zou zijn. (…) Ik zou kinderen baren, maar ik zou nooit een moeder voor ze zijn. Ik zou ze in overvloed baren; ze zouden uit mijn hoofd komen, vanonder mijn oksels en tussen mijn benen uit; (…) ze zouden aan mij hangen als druiven aan een wijnstok, maar ik zou ze vernietigen met de achteloosheid van een god.’
DE AUTOBIOGRAFIE van mijn moeder is een zwartgallig boek dat alleen te verdragen is doordat Kincaid zich bedient van een prachtige, beeldrijke taal. Toch lijdt het geen twijfel dat de 'charmante’ Annie John en de nihilistische Xuela afkomstig zijn uit dezelfde verbeeldingswereld. Ook in Annie John worden moeder en dochter op pijnlijke wijze van elkaar gescheiden. Als Annie op het punt staat de wereld van de volwassenen te betreden, verandert de innige band met haar moeder in een relatie vol leugens en onbegrip. Aan het eind van het boek heeft de breuk een onherroepelijk karakter gekregen: Annie staat op het punt haar geluk elders te beproeven.
In Lucy, Kincaids tweede roman, wordt dit gegeven verder uitgewerkt. De negentienjarige hoofdpersoon heeft het Caribische 'paradijs’ van haar kinderjaren ingeruild voor een westerse metropool in de hoop te ontsnappen aan de vrouw die haar baarde. Ze spant zich tot het uiterste in om het eiland van haar jeugd uit haar herinnering te bannen. Het beeld van haar moeder laat zich echter niet zo makkelijk uitwissen.
In De autobiografie van mijn moeder heeft Kincaid radicalere middelen aangegrepen om het moederlijke te elimineren. De literaire moordpartij die daarvan het gevolg is, gaat echter ten koste van de fijnzinnigheid die haar eerdere werk typeert. Kincaids boeken vormen een subtiel netwerk van thema’s, stijlen en motieven, waarin het spanningsveld tussen verbondenheid en onthechting telkens op een andere manier wordt verwoord. Daarbij is ze als geen ander in staat om kleine dingen van grote betekenissen te voorzien. Als de hoofdpersoon van Lucy tijdens haar eerste lente in den vreemde een veld met narcissen ziet, herinnert ze zich hoe ze als schoolmeisje een gedicht over dezelfde bloemen van een dode Engelse dichter uit het hoofd moest leren. 'Ik wilde dat ik een enorme zeis had; ik zou gewoon het pad aflopen en hem naast me meeslepen en ik zou deze bloemen neermaaien waar ze uit de grond kwamen.’ De koloniale geschiedenis in een narcisseknop.
De erfenis van het kolonialisme is voortdurend voelbaar in de boeken van Kincaid. De autobiografie van mijn moeder speelt zich af op het gekoloniseerde Dominica, waar minachting voor datgene wat het meest onderdrukt wordt een natuurwet lijkt. De figuur van Xuela representeert in zekere zin het produkt van slavernij en Europese overheersing: afgesneden van haar oorsprong en vervreemd van zichzelf, is ze niet in staat nieuw leven te creëren.
Kincaid interesseert zich niet of nauwelijks voor ras en huidkleur, maar des te meer voor macht. In De autobiografie van mijn moeder staan 'overwinnaars’ tegenover 'overwonnenen’ en 'veroveraars’ tegenover 'veroverden’. Deze termen fungeren in het eerdere werk van Kincaid als variabelen. Zelfs in Negen bij twaalf, een essay waarin de schrijfster met onverhulde woede over de neokoloniale effecten van het hedendaagse derde-wereldtoerisme schrijft, blijken meesters en slaven van positie te kunnen wisselen.
In De autobiografie van mijn moeder liggen de rollen echter muurvast. De ik-figuur plaatst zichzelf onveranderlijk in de categorie van de overwonnenen. 'Romans zijn het toevluchtsoord van hen die verslagen zijn’, zegt Xuela in een van haar klaagzangen, 'zij hebben liederen nodig om zich te troosten, zij hebben een zoetklinkend wijsje nodig om zich te troosten.’ Wat mij betreft leidt Kincaid haar lezers echter gigantisch om de tuin.
ZOALS CRITICUS Cathleen Schine in The New York Times Book Review terecht opmerkte, gebruikt Kincaid de taal als een wapen om mee te domineren. Elk woord en ieder detail moet door haar veroverd worden en onderworpen aan haar wil. Weliswaar blinkt de schrijfster uit in poëtische ritmes en wendingen, maar de compassie van de dichter is haar ten enen male vreemd. De gebeurtenissen in De autobiografie van mijn moeder leiden uiteindelijk naar één onverbiddelijke waarheid: 'De dood is de enige werkelijkheid.’
In Marguerite, een roman van Monika van Paemel over de haat-liefdegevoelens die worden opgeroepen door de herinnering aan haar overleden grootmoeder, las ik bij toeval het volgende: 'Er is geen enkele schoonheid in de dood, en geen enkele dood is vruchtbaar. Je begrijpt niet dat de mensen er zo dol op zijn of het is uit welbegrepen eigenbelang.’ Inderdaad, Jamaica Kincaid verlustigt zich in de dood uit welbegrepen eigenbelang. De reden daarvoor lijkt besloten te liggen in Op de bodem van de rivier, een verzameling korte, hallucinerende verhalen waarmee ze eind jaren zeventig haar debuut maakte.
Een van de thema’s waarop Kincaid telkens terugkomt, is haar onmacht tegenover de vergankelijkheid van het bestaan. De ik-verteller van Op de bodem van de rivier is niet in staat de dood als een natuurlijk gegeven te accepteren, maar uiteraard is ieder gevecht op dit punt per definitie zinloos. De dood lijkt nog het meest op de aarde die eindeloos om haar eigen as draait. 'En daarom wil ik misschien mijn hand uitsteken om de aarde stil te laten staan’, schrijft Kincaid, 'alsof zij een fiets was die omgekeerd op het stuur staat, zijn wielen in het voorbijgaan rondgedraaid door een paar werkloze handen en daarna in het voorbijgaan stilgezet door weer een ander paar werkloze handen.’
In De autobiografie van mijn moeder gaat Kincaid de dood te lijf door de wielen van het leven stil te zetten. Met de meedogenloosheid van een god. De plot van Kincaids boek doet denken aan een beroemde Afrikaans-Amerikaanse spiritual: 'Sometimes, I fééééééél like a motherless child…’ Daarmee is het probleem in één klap duidelijk: De autobiografie van mijn moeder heeft geen soul. Er is geen catharsis, geen ontknoping, geen ambiguïteit die de mogelijkheid van verlossing openhoudt. Kincaids moederloze kind is ten dode opgeschreven.