Meedogenloos eerlijk

Paul Bogaert debuteerde in 1996 met de op z’n Engels uit te spreken titel welcome hygiene. Het was poëzie die we nog niet kenden, lieflijk en pijnlijk, ruw en toch beheerst. Er leek een meedogenloze eerlijkheid vanuit die gedichten te spreken. Dat paradoxale laat zich in z’n meest directe vorm illustreren door een gedicht getiteld dek me toe:

Zeg me dat het tijd is, zeg me dat ik moe
ben, geef niet toe aan verzet,
geef me een washand, de beer die ik ken,
wijs me mijn bed, dek me toe,

ruik naar zeep, vertel mij hoe
prinsessen slapen als bij wonder
en verdwijn maar, ga niet te
ver, stop mij onder, dek me toe,

laat mij alleen, strooi in mijn ogen
geen zand, breng geen lied ten
gehore, verzoen mij niet met de nacht,
doe wat ik doe, dek me toe.

Het lijkt een kinderliedje, maar het verlangen naar ontroostbaarheid dat uit de derde strofe spreekt, zegt iets heel anders. Dek me toe is een van de mooiste hedendaagse gedichten die ik ken. Heel nonchalant verschuift betekenis in het gedicht. Kijk maar naar de komma in de derde regel van de tweede strofe, die na en niet voor het woord ‘maar’ staat. Bogaerts tweede bundel Circulaire systemen (2002) is een wonderlijk concept, waarin allerlei mogelijke lussen omschreven worden: airconditioning, bloedsomloop, cv, draaideuren, roltrap, ventilator, opwinding et cetera. Bij AUB (2006) leek de kaftillustratie van een vragende hand op een titel. Die bundel sluit af met het prachtige lange gedicht Toespraak, dat ook al gaat over het in slaap gebracht worden.
Waarom ik hooggespannen verwachtingen koester van Paul Bogaerts aangekondigde vierde dichtbundel De Slalom soft, moge duidelijk zijn. Bogaert is een dichter die heeft begrepen dat het sinds Kreatief met kurk van Arjan Ederveen en niet langer mogelijk is een beetje in de lucht te staren en wat poëtische taal uit te kramen. Bogaert is een van de weinige dichters die werkelijk beantwoorden aan de tijd.