Wanda Reisel, Witte liefde

Meer ballen

Wanda Reisel

Witte liefde

Querido, 224 blz., € 16,95

Is het nodig om te weten dat Wanda Reisel zich voor haar nieuwe roman heeft laten inspireren door het levensverhaal van haar moeder? Nee, niet echt. Behalve dan dat je met die wetenschap misschien de foto op de cover van Witte liefde iets langer bestudeert. Daar is een vrouw en profil te zien, met een prachtig rugdecolleté in een halterhemd, in wier gelaatstrekken on miskenbaar die van de schrijfster te herkennen zijn. Maar verder, voor de waardering van de roman, maakt het niets uit. Of zóu het niets moeten uitmaken.

Witte liefde neemt je mee naar het Curaçao van de jaren vijftig, toen de Nederlandse kolonie daar nog een heerlijk beschermd bestaan leidde in een soort culturele enclave. Beeldhouwster Ro – Rosa – Muller is ge trouwd met Rudi Weller, architect. Samen hebben ze een dochtertje, Ingri, «een stug, wild, mooi kind». Ze zijn moeiteloos en ongestoord gelukkig tot journalist Bob Krone ten tonele verschijnt en zijn oog laat vallen op de mooie Ro. Vanaf dat moment bloeit de liefde tussen hen op. Een grote liefde, een onmogelijke liefde, die wél wordt geconsumeerd maar niet wordt doorgezet. Ro zal samen met haar gezin naar Holland teruggaan en Bob duikt pas weer op als ze dood en bijna begraven is.

Reisel heeft een bijzonder en troos tend vertelperspectief gekozen, namelijk dat van de overleden Ro. Het biedt haar de gelegenheid om én te kunnen terugblikken op de verboden liefde in haar leven én een vereniging van de voormalige geliefden tot stand te brengen. Ro mag dan wel dood zijn, ze hoort alsnog hoezeer Bob haar de rest van zijn leven heeft gekoesterd en liefgehad. Dit surrealistische gegeven van een vrouw die afgelegd en wel haar diepste gedachten en scherpste observaties – vanuit haar doodskist! – met ons deelt, geeft bovendien deze klassieke liefdesgeschiedenis nét de rare tik die ze wel kan gebruiken. Buitenechtelijke verhoudingen, hoog oplaaiende passies, ontembare lusten: we lusten er allemaal wel pap van, maar het moet natuurlijk weer niet te zoet, te klef of te waterig worden.

Dát wordt Witte liefde dus allemaal niet. Eigenlijk schreef Reisel een voorbeeldige roman, een beetje Grondahl-achtig in de berustend melancholieke wijze waarop wordt gefilosofeerd over liefde, verlangen, intimiteit en alles wat daarbij komt kijken. Mooi geserreerd geschreven, dankbaar gebruikmakend van de exotische couleur locale die Curaçao – lekker smeulend in de Shell-uitlaatgassen, nog niet aangetast door het Van der Valk-imperium en evenmin geplaagd door opgefokte bolletjesslikkers – in de jaren vijftig volop te bieden had. Mooi dus. En toch miste ik iets, al is het moeilijk de vinger erop te leggen wat dat dan is. Gelukkig kunnen je soms uit onverwachte hoek adequate beoordelingscriteria worden aangereikt, zoals in dit geval van de jury van Popstar the Rivals, een Idols-achtig televisieprogramma. «Meer ballen» willen die juryleden de hele tijd zien, wat voor hen synoniem blijkt met «viezer», «meer seks» en «meer ruis».

Zoiets overdrachtelijk «viezigs» miste ik ook in Witte liefde. Er wordt wel van alles gezegd over ziek- en gek makende liefde, maar al die prachtige formuleringen dekken de boel ook een beetje toe. «Verliefdheid is een tumorachtige slang die je lichaam langs een opening ongemerkt heeft betreden en stoffen in je aanmaakt waar je geest niet tegen bestand is.» «Wie met singels en slingers aan iemand gebonden is, wordt door die ander voortgesleept als een slaaf.» «Een grote liefde drukt als een baksteen op je borst.» «Onvervuld en onbereikbaar is liefde een staat die wat mij betreft best goddelijk mag heten. Een goddelijke kwelling dan.» «Als de liefde haar zin niet krijgt, gelden de wetten van het oerwoud. En erger.»

Er is geen speld tussen te krijgen, het is allemaal waar en zorgvuldig en precies onder woorden gebracht, maar van echt schrijnen komt het maar niet. Als Ro en Bob net een stormachtige vrijage hebben beleefd, denkt Bob: «Een klare, vloeiende lijn was het geweest, alsof de hand van een meester ons had geleid en alleen maar in de juiste mallen had gelegd.» Iets dergelijks geldt voor deze roman in z’n geheel, die klaar en vloeiend is en vaardig geschreven, maar ook bijna té voorbeeldig uitpakt. Waarmee ik met enige aarzeling terugkom bij de autobiografische achtergrond van Witte liefde, dat de schrijfster ook opdroeg aan haar – overleden – ouders. Deze roman lijkt me, naast al het andere, óók uit eerbied geboren, wat zich misschien van nature niet verdraagt met pijn, seks, zompigheid, de hele rataplan.