Spiegel van de Russische poëzie

Meer dan alleen Poesjkin

Ook vóór en na Poesjkin werd in Rusland grote poëzie geschreven. De ‘Spiegel van de Russische poëzie’ is een hoogstaande verzameling gedichten, geschreven voor zowel de diepste eeuwigheid als voor de borreltafel.

NEENM VAN Oorschots Russische bibliotheek, de ongelezen trots van menige boekenkast. Waarom zijn nooit de verzamelde romans van Stendhal, Flaubert en Zola in pretentieuze dundruk en linnen bandjes uitgegeven? Dat de in Rusland en daarbuiten slechts in de marge bekende schrijver Paustovski hier zo populair kon worden, is net zo goed een teken aan de wand. Poesjkins roman in verzen Evgenij Onegin, waarschijnlijk het moeilijkst te vertalen boek ooit geschreven, is vier keer in het Nederlands vertaald! En nóg is een vijfde vertaling in voorbereiding. Het overgrote deel van die vertalingen uit het Russisch betreft natuurlijk proza; poëzievertalers, zelfs slechte poëzievertalers, zijn schaars. Toch lijkt voor de Russische poëzie eenzelfde verhaal als voor het proza te gelden. Want ook al is het vertalen van poëzie een exclusief specialisme dat een buitengewoon hoog scholingsniveau, een grote mate van artistieke gevoeligheid en jaren van training vereist — alsmede de bereidheid te werken zonder blijk van enige serieuze materiële of maatschappelijke waardering — toch deden aan de kort geleden verschenen Spiegel van de Russische poëzie maar liefst 22 vertalers mee.


Dat uit een groot arsenaal geput kon worden, is in de eerste plaats de verdienste van de grote groep uitmuntende vertalers die zich decennialang ook in de essayistiek fervent heeft ingezet voor de verbreiding van de Russische literatuur in Nederland. Van hen was de enkele jaren geleden overleden autodidact Charles Timmer de man die de toon aangaf. Timmers essays zijn nog steeds de beste inleiding in de Russische literatuur die in Nederland voorhanden is. Stilistisch misschien minder bijzonder dan het werk van Karel van het Reve, maar wel veel betrouwbaarder, informatiever en breder georiënteerd.


Maar er is een nieuwe generatie. Sinds het overlijden van vertalers en essayisten als Aleida Schot, Charles Timmer, Karel van het Reve en Marko Fondse zijn in hun kielzog nieuwe vertalers opgedoken die zich, anders dan de vorige groep, vooral op de poëzie richten. Hiertoe behoren onder anderen Hans Boland (die een complete vertaling van Poesjkins poëzie voorbereidt), het vertalersduo Marja Wiebes en Margreet Berg, de elegante Frans-Joseph van Agt en Peter Zeeman, medesamensteller van deze Spiegel. Zeeman heeft vooral naam gemaakt met zijn vertalingen van poëzie van Joseph Brodsky. Voorbeeld van zijn kunnen vormt zijn vertaling van het gedicht ‘Vlieg’, dat vanwege zijn lengte niet in deze Spiegel is opgenomen, maar wel is terug te vinden in de bundel De herfstkreet van de havik. De verbazing over de wijze waarop Zeeman de helse problemen heeft overwonnen die deze vertaling hem moeten hebben opgeleverd, wordt slechts overtroffen door de verwondering over het gedicht zelf: een vlieg volgend die boven zijn bureau rondjes draait, laat Brodsky zich hier gaan in een onnavolgbare reeks observaties, metaforen en filosofische overdenkingen, geschreven in verzen van een speeldoosachtige lichtheid. Zeeman weet de diepte en de speelsheid van Brodsky’s poëzie perfect te vatten en bedenkt mooie parallellen voor de altijd onverwachte en originele rijmparen. In deze Spiegel bewijst Zeeman dat hij méér kan dan Brodsky vertalen. Ruim eenderde van de vertalingen komt van zijn hand.



DEZE BUNDEL VALT op omdat hij ook poëzie bevat van vóór 1800, die traditioneel wordt beschouwd als inferieur aan de poëzie vanaf Poesjkin, en door de ruimte die Zeeman en Weststeijn reserveren voor de kleine meester en lichtere kost. Voor het absurde werk van Daniil Charms bijvoorbeeld, maar ook voor het ‘Lied over cervelaat’, een ode aan de salami door Timoer Kibirov:



Worst, worst, o salami, salami,


Wat een prachtige klank heeft die naam!


Nieuws over jou wordt door de afgevaardigden van het congres


verbreid over de weidse ruimte van het Vaderland, (…)


Het is de moeite waard te leven en te werken,


natuurlijk, het is de moeite waard! (…)


En zwart van jaloezie, krimpen ze ineen,


de Galliër, de Angelsaks en de Germaan.



Desondanks valt deze verzameling juist heel degelijk, serieus en monumentaal te noemen. Al bladerend ontdekt de lezer dat de Russische poëzie niet alleen maar het werk is van briljante eenlingen, maar ook en vooral van perioden en van dichtersscholen. Natuurlijk kan iedereen zich ervan overtuigen dat Poesjkin uitsteekt boven de overige leden van de zogeheten Poesjkinpléiade, maar het verschil blijft veel kleiner dan het verschil tussen de hele Poesjkinpolonaise en de dichters die hen direct voorafgingen. Daarvan getuigen gedichten als ‘De zee’ van Zjoekovski of het beroemde ‘De schim van mijn vriend’ van Batjoeskov en Baratynski’s titelloze ‘Mijn gave is gering’ (‘Mijn gave is gering, mijn stem niet luid/ maar toch ik leef, en mijn bestaan op aarde/ heeft voor een enkeling voorzeker waarde’). Dat is poëzie van zeldzaam hoog niveau, geen moment inferieur aan Poesjkin. Of neem het satirische ‘Ruslands God’ van Prins Vjazemski:


Eeuwig kou en honger lijden,


paupers, speelbal van het lot


Haveloze boerderijen


Dat is typisch Ruslands God.



Syfilis en slappe borsten,


Vilten laarzen, doorgerot,


Dikke reten, vette worsten


Dat is typisch Ruslands God.



Goedertieren voor de dommen,


Voor de wijzen streng en bot


Recht moet wijken voor het kromme


Dat is typisch Ruslands God.



Europese nieuwigheden,


Detonerend voer voor spot


Mosterd bij het avondeten


Dat is typisch Ruslands God.



HET IS OVERIGENS een wonderlijke gedachte dat de dichtersgroep die verantwoordelijk is voor wat altijd de ‘gouden eeuw van de Russische poëzie’ wordt genoemd, bestaat uit een clubje van adellijke jeugdvriendjes die elkaar merendeels kennen van de middelbare school, zij het van het meest elitaire lyceum van het hele Russische rijk: dat in het Tsarendorp. De warme intimiteit die tussen deze dichters van de Poesjkinpléiade leefde, is af te zien aan hun correspondenties. Daarin worden met evenveel vanzelfsprekendheid zowel esthetische en politieke ideeën besproken als de meest vertrouwelijke aspecten van het sociale leven. Vanuit zijn verbanningsoord Michailovskoje schrijft Poesjkin op 24 mei 1826 aan Vjazemski al babbelend over het aanstaande huwelijk van hun beider vriend Baratynski: ‘Is het waar dat Baratynski gaat trouwen? Ik vrees voor zijn verstand. Een wettige kut is als een warme muts met oorkleppen. Je hoofd verdwijnt er helemaal in. Wij zijn misschien een uitzondering. Maar zelfs hier ben ik ervan overtuigd dat je heel wat verstandiger zou zijn als je nog een jaar of tien vrijgezel was gebleven. Het huwelijk castreert de ziel.’ Even gemakkelijk, maar minder grof, schreef Poesjkin lieve brieven naar Vjazemski’s vrouw Vera, waarin hij haar om advies vroeg bij zijn eigen liefdesproblemen en tegelijk de roddels over het laatste bal besprak.


Misschien kan hier de verklaring worden gezocht voor het feit dat de Russische poëzie van die tijd ondanks de enorme esthetische en filosofische ambitie waarvan zij blijk geeft, ook altijd zo intiem gebleven is, knus bijna, met een enorme aandacht voor het contemporaine en regionale detail. Russische poëzie is bijna altijd geschreven voor zowel de diepste eeuwigheid als voor de borreltafel. Voor de muze en als vermaak voor vrienden. Natuurlijk, ze zijn er wel, de eenlingen, de Tjoetsjevs en Chodasjevitsjen, dichters die in afzondering en stilte een oeuvre bouwden, maar zij lijken, heel anders dan de West-Europese norm, tot een minderheid te behoren.



OOK DE TWEEDE grote bloeiperiode van de Russische poëzie, die van het vroege modernisme, kende eenzelfde verstrengeling van het sociale en het artistieke. Het literaire leven uit die tijd vertoonde een wonderlijk provinciaals beeld. Alsof alle dichters in dat onmetelijke land bij elkaar om de hoek woonden, driemaal in de week dezelfde literaire salons bezochten en driftig verhoudingen (liefst driehoeks-) aangingen. Het westerse voorbeeld volgend, werden er groepjes, clubjes en ismen gevormd, maar de daadwerkelijke artistieke tegenstellingen tussen de verschillende scholen (met namen als het symbolisme, acmeïsme en futurisme) waren minder groot dan de manifesten van de bewegingen doen vermoeden.


De beste dichteres van die tweede bloeiperiode, Anna Achmatova, doet in haar gedichten verslag van de vele relaties die zij is aangegaan met andere dichters en schrijvers. Soms komen ze met naam en toenaam voor in de verzen zelf, soms in de opdracht, soms weten we alleen uit brieven wie de man is die in het gedicht in de schijnwerper of in de zeik wordt gezet. Met trefzekere beelden weet ze het simpelste gebaar, de meest terloopse wenk betekenis te geven.



‘Ik ben een ware vriend’ zei hij,


Terwijl zijn hand mijn kleren raakte.


Maar het gebaar dat hij zo maakte


Kwam een omhelzing niet nabij.



Zo aait men katten, zo aanschouwt


Men amazones, onbewogen.


Een lach slechts blonk er in zijn ogen


Onder het lichte wimpergoud.



Het simpele, onzekere, vriendelijk bedoelde gebaar van de hand op haar kleding wordt eerst vergeleken met het superhuiselijke beeld van het aaien van een kat, en vervolgens, in één beweging met het intellectuele, suggestieve beeld van het aanschouwen van amazones. Zo wordt het huiselijke en het mythische in een adem gevangen.


Later, in de jaren zeventig, nadat de poëzie veertig jaar praktisch monddood was geweest, leefde ze weer op in de (gedoogde) illegaliteit van de vlugschriftpers. De dichters van het vrije woord mochten nog niet officieel worden uitgegeven, maar oogluikend werd toegestaan dat er poëzie in eigen beheer werd gedrukt. En zo ontstond in het vierde kwart van de eeuw van massacommunicatie en grootschaligheid opnieuw een poëtische cultuur van kleinschaligheid. De nieuwe sociale gemeenschap van dichters verschilde eigenlijk niet veel van Poesjkins vriendenclub of van de literaire saloncultuur van het vroege modernisme. De figuur die deze nieuwe groep volkomen zou gaan overheersen, is Joseph Brodsky.



DAT ER IN RUSLAND weer een dichter van het niveau van Brodsky zou komen, is eigenlijk niet opmerkelijk (het is een groot land, met een grote poëziecultuur). Wel opmerkelijk is de aard van Brodsky’s poëzie: ijzingwekkend cerebraal, onthecht, ingehouden en gesteund door een adembenemende technische virtuositeit. In zijn gedichten, die schijnbaar doelloos, ziekelijk precies en geluidloos voortkruipen, daalt de temperatuur bij iedere versregel, de ingehouden spanning wordt bijna ondraaglijk, om bij de laatste regel met een kort ironisch plofje op te lossen.


Maar misschien is Brodsky’s poëzie in één opzicht juist traditioneel. Zoals de poëzie van de Poesjkinpléiade ineens ontstond door de confrontatie van Russisch classicisme (een slechte imitatie van het Franse classicisme) met de Duitse en Engelse Romantiek, of de poëzie van de modernisten door hun kennismaking met de Franse symbolisten, Wilde en Poe — zo kon Brodsky’s poëzie ontstaan door de ontmoeting van de Russische poëzietradities met de poëzie van de Angelsaksische avantgarde, Eliot, Frost en vooral Auden. In zekere zin is deze Spiegel van de Russische poëzie daarom ook een spiegel van de westerse poëzie.



Spiegel van de Russische poëzie. Uitg. Meulenhoff, 398 blz., ƒ45,-