Meer dan de geschiedenis van de jodenvernietiging

Jonathan Littell
Les Bienveillantes
Gallimard, 907 blz., € 23,75
De Nederlandse vertaling door Jeanne Holierhoek zal naar verwachting in maart 2008 worden uitgebracht door De Arbeiderspers
Amerikaanse debutant schrijft in het Frans een dikke pil over de holocaust vanuit het perspectief van een SS’er. Dit klínkt niet alleen sensationeel, het ís het ook.

tekening: Dick Tuinder

Medium voorplaat1

Les Bienveillantes is een boek van superlatieven. De roman is meer dan negenhonderd bladzijden groot. Jonathan Littell, een 39-jarige Amerikaan, schreef het boek in het Frans. Het is zijn debuut, waarmee hij meteen de twee grootste Franse literaire prijzen in de wacht sleepte: de Prix Goncourt en de Grand Prix du Roman de l’Académie française. De inhoud is uiterst controversieel. Les Bienveillantes toont de holocaust vanuit het perspectief van een dader, de SS-officier Maximiliaan Aue.

Aue vertelt in zijn memoires hoe hij in de zomer van 1940 als luitenant van de SS in Polen wordt ingezet bij de zuivering van gevaarlijke elementen: misdadigers, politieke tegenstanders, saboteurs, joden. Via Lublin en Warschau trekt hij de Kaukasus in. Hij is aanwezig bij razzia’s in de omgeving van Charkow en later bij de executie van joden in en nabij Kiev, culminerend in de massamoord van Babi Yar. Aue kan het moeilijk verwerken. Hij wordt op verlof gestuurd naar Jalta en krijgt daar als opdracht om inlichtingen te verzamelen over de veiligheidssituatie in het Krimgebied. Na een conflict met zijn superieuren wordt hij overgeplaatst naar Stalingrad. Het is inmiddels eind 1941. De Russen hebben de stad omsingeld. Aue rapporteert over de hel die hij aantreft. Begin januari wordt hij door een sluipschutter door het hoofd geschoten. Wonder boven wonder blijft hij in leven. Hij wordt geëvacueerd naar Berlijn, onderscheiden, en bevorderd tot majoor. Tijdens zijn revalidatie reist hij naar Antibes, waar zijn Franse moeder en haar echtgenoot wonen. Ze hebben een tweeling in huis. Kinderen van vrienden, zegt zijn moeder. Aue vermoedt dat het joodse kinderen zijn. Tot zijn verbijstering worden zijn moeder en haar vriend tijdens zijn verblijf vermoord. Aue vertrekt in grote verwarring. Terug in Berlijn wordt hij ingedeeld bij de persoonlijke staf van Himmler. Reden: zijn voortreffelijke rapporten. Hij krijgt opdracht om na te gaan hoe de Arbeitseinsatz kan worden verbeterd door doelmatiger inzet van gevangenen. Aue inspecteert de Poolse concentratiekampen, met name Auschwitz-Birkenau, constateert de ten hemel schreiende omstandigheden van de gevangenen en merkt dat de leidinggevenden geen gehoor geven aan herbestemming voor de Arbeitseinsatz. Zijn eigen chef, Himmler, zegt wel mee te willen werken aan de Arbeitseinsatz, maar geeft in feite uitvoering aan de Endlösung. Aue wordt gebruikt als zoethoudertje. Uitgeput en gedemoraliseerd keert hij naar Berlijn terug. Het is inmiddels najaar 1944. Massale geallieerde bombardementen teisteren de stad. Aue loopt een hersenschudding op. Hij trekt zich terug op het landgoed van zijn tweelingzuster Una in Pommeren, maar de oprukkende Russen dwingen hem terug te keren naar Berlijn. Daar maakt hij de ondergang van Berlijn mee, en ontkomt op het laatste moment naar Frankrijk.

De holocaust beschrijven vanuit het perspectief van een dader is een hachelijke onderneming. Over de jodenvervolging, de concentratiekampen, de ondergang van Stalingrad en van Berlijn zijn bibliotheken volgeschreven. Het onderwerp lijkt volstrekt misplaatst voor een Amerikaanse debutant. De roman riekt naar sensatiezucht. Wat vinden de overlevenden van de concentratiekampen van dit boek? En de Duitsers? En de Fransen? Wat een pretentie en wansmaak van deze jonge Amerikaan om een roman te wijden aan de visie van een SS-officier op de holocaust. Wat voegt dit boek in vredesnaam toe?

Veel, beste lezer. Het verbluffende van dit boek is dat het veel toevoegt aan een onderwerp waarvan we dachten alles te weten. Om te beginnen put Littell uit een ongeëvenaarde detailkennis. ‘De stad kwam langzaam weer tot leven’, schrijft Aue als hij naar Kiev terugkeert. ‘Nadat de belangrijkste straten waren omgedoopt – de Khrechtchanik was Eichhornstrasse geworden, ter ere van de Duitse generaal die in 1918 Kiev was binnengevallen, de Chewtchenko-boulevard Rovnoverstrasse, de Artyoma Lembergstrasse, en mijn lievelingsstraat, de Tchekistowa, een vulgaire Göthenstrasse – had de Ortskommandatur een paar privé-restaurants toegestaan hun deuren te openen. Het beste daarvan werd, naar men zei, gedreven door een Volksdeutscher uit Odessa die voor eigen rekening de kantine voor hoge functionarissen van de Communistische Partij waar hij als kok werkte, had overgenomen. Thomas had daar een tafel laten reserveren. Alle klanten waren Duitse officieren, afgezien van twee Oekraïense leidinggevenden die met officieren van het aok in discussie waren. Ik herkende Bahazy, de “burgemeester” van Kiev die daar door Eberhard was neergezet. De SD verdacht hem van grootschalige corruptie, maar hij steunde Melny; Reichenau had zijn akkoord gegeven, uiteindelijk hadden wij onze bezwaren ingetrokken.’

Zo gaat het negenhonderd bladzijden lang. En denkt u niet dat Littell dergelijke details verzint. Duizenden onwelwillende lezers (historici, overlevenden, zowel slachtoffers als daders) spitten op dit moment door het boek op zoek naar fouten of verzinsels en ze zullen Littell met de grond gelijk maken als ze iets vinden. Nee, deze man beschikt over een documentatie waar mijn verstand stil bij staat. En die betreft niet alleen de detailkennis. Littell neemt ruim de tijd om achtergrondinformatie toe te voegen over de meest uiteenlopende gebieden, zoals daar zijn: militaire en strategische ontwikkelingen, politieke en ideologische beschouwingen; internationaal recht (Aue is op dat gebied gepromoveerd); diepgaande discussies over etnologie; taalkunde (tientallen bladzijden fascinerende discussie tussen Aue en zijn vriend Voss over de verschillen tussen taalgroepen, hun historische oorsprong, hun verwantschappen en verschillen en vooral: de consequenties die je uit deze taalgroepen mag trekken wat betreft de constitutie van een Volk, de ideologische basis immers van het nationaal-socialisme); muziek (discussies met Aue’s zwager, een uiterst getalenteerde componist en volgeling van Schönberg); literatuur (door het hele boek heen speelse verwijzingen naar de wereldliteratuur, met name de Grieken en de Franse zeventiende- en negentiende-eeuwse klassieken), enzovoort, enzovoort. Deze achtergronden worden gepresenteerd met inachtneming van het moment waarop erover wordt gediscussieerd. We hebben het dus over het internationale recht, de filosofie, de taalkunde, de muziek, de literatuurwetenschap van het begin van de jaren veertig, waarvan niet alleen adembenemende tableaus worden geschetst met verwijzing naar alle internationale autoriteiten die op dat moment het gezicht van deze gebieden bepaalden, maar die er op hun beurt aan meewerken om de oorlogsgebeurtenissen op een indirecte manier te dateren. Het is, beste lezer, verpletterend.

Maar Littells waagstuk kent een tweede, veel riskanter onderdeel, en dat is de schuldvraag. Aue toont geen berouw over de genocide. Hij schrijft zijn memoires om duidelijk te maken dat wij net zo gehandeld zouden hebben als hij, als we in zijn schoenen hadden gestaan. Deze schuldvraag, of liever het ontwijken ervan, vormt de kern van het boek. Aue acht zichzelf niet aansprakelijk. Om de lezer van dit zeer omstreden punt te overtuigen, koppelt Littell de macro-geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog aan de micro-geschiedenis van Aue.

Les Bienveillantes is namelijk niet alleen de geschiedenis van de jodenvernietiging tijdens WO II, maar ook nog eens de geschiedenis van Aue’s familie. In de eerste honderden bladzijden wordt daar nauwelijks aandacht aan besteed, maar als we ongeveer op een derde zijn, krijgen we een eerste inkijkje in Aue’s familieachtergrond, en het belang ervan neemt gaandeweg toe, totdat ze in het voorlaatste deel (Air) het gehele toneel beheerst. Aue (geboren in 1913) heeft een Duitse vader en een Franse moeder. Als zijn vader in 1918 verdwijnt, hertrouwt zijn moeder met een Franse ondernemer. Het gezin (moeder, echtgenoot, Max en Una) verhuist naar Antibes. Max vervreemdt van zijn moeder, hij idealiseert zijn verdwenen vader en haat zijn stiefvader. Hij zondert zich af met zijn zus Una. Hun relatie aan de zonnige zuidkust van Antibes heeft iets paradijselijks. Daaraan komt een eind als ze worden betrapt. Una trouwt met een Junker uit Pommeren. Max vlucht naar Duitsland. Als hij in het voorjaar van ’42 naar Antibes terugkeert, is het de lezer al snel duidelijk dat hij de moordenaar is van zijn moeder en stiefvader. Aue zelf is zich van zijn daad niet bewust. Hij blijft van zijn onschuld overtuigd, ook als hij met de bewijzen wordt geconfronteerd. De identiteit van de moordenaar is hem een raadsel. Hij vraagt zich ook af waarom zijn zuster de tweeling in huis heeft genomen. Littell trekt een parallel tussen het lot van Aue’s familie en de familie van de Atriden, zoals door Aischylos beschreven in de Oresteia-_cyclus. Orestes krijgt van de goden opdracht om zijn vader te wreken. Die werd vermoord door zijn moeder Klytaimnestra en haar vriend. Orestes vermoordt zijn moeder en stiefvader met hulp van geliefde zuster Elektra. Na zijn daad verlaat hij de stad en wordt voor de rest van zijn leven achtervolgd door de wraakgodinnen, de _eumenides. Eumenides is de titel van een van de drie stukken waaruit de Oresteia bestaat. Letterlijk vertaald betekent Eumenides: de Welwillenden, Les Bienveillantes.

De parallel tussen Les Bienveillantes en de Oresteia wordt pas gaandeweg onthuld. Het is een machtig procédé, omdat de lezer er heel geleidelijk achterkomt dat zich achter de welwillende Aue een sinistere dubbelganger verbergt. Aue weigert niet alleen in te zien dat hij zijn moeder en haar vriend heeft vermoord, maar ook dat hij de vader is van de tweeling die hij bij Una heeft verwekt. Bovendien negeert hij de spaarzame informatie die hij over zijn vader ontdekt. Die is in 1918 naar Koerland (Letland) getrokken, waar hij zich als lid van het Freikorps te buiten is gegaan aan ongehoorde wreedheden. Aue’s gedrag lijkt, net als dat van Oedipus en Orestes, gedicteerd te worden door een noodlot waarbij een patroon van ouder- (of kinder-)moord en incest van generatie op generatie wordt herhaald. Maar de kracht van de parallel met de Griekse tragedie ligt vooral in de vervlechting van het persoonlijke en het collectieve noodlot. Zoals de pest in Thebe een straf is voor het onvergeeflijke vergrijp van koning Oedipus, zo tekent het oorlogsgeweld van WO II zich af als een eigentijdse pest die nauw verband houdt met Aue’s wandaden. De Geschiedenis van Duitsland en de geschiedenis van Aue groeien langzaam naar elkaar toe, en waar ze elkaar raken, aan het eind van de roman, tekent zich het grote probleem af dat de roman zijn laatste verbijsterende wending geeft.

In een briljante bespiegeling legt Aue uit dat het onjuist is om de schuldvraag te herleiden tot een vraag naar de intentie van de daders. De Grieken redeneerden wat dat betreft veel zuiverder. Zij vonden dat er rekening moest worden gehouden met de gevolgen, niet met de intentie. Neem Oedipus. Als hij op weg naar Thebe een vreemdeling vermoordt die hem heeft beledigd, doet hij volgens de Griekse wet niets ongeoorloofds. Als hij vervolgens tot koning wordt gekroond en met de koningin trouwt, lijkt alles koek en ei. Maar dan wordt Thebe getroffen door de pest. Koning Oedipus gaat op onderzoek uit. Hij ontdekt dat de vermeende vreemdeling zijn vader moet zijn geweest en de koningin zijn moeder. Dat de daden die hij te goeder trouw heeft bedreven halsmisdaden zijn. Geen denken aan dat de Grieken Oedipus vrijspreken met een beroep op zijn goede intenties. Hij moet boeten voor het onvergeeflijke vergrijp tegen de goden. Oedipus accepteert dat. Hij steekt zich de ogen uit, verlaat de stad, en slijt de rest van zijn leven als eenzame en blinde zwerver.

En precies hier, in deze passage, wringt de schoen, beste lezer. Als Aue op pagina 442-446 het probleem van schuld en onschuld herleidt tot het Griekse recht, zoals dat zijn uitdrukking vindt in de tragedie van Oedipus, bouwt hij een verwachtingshorizon in voor het verdere verloop van de roman. Aue speurt steeds hardnekkiger naar de oorzaak van de catastrofe, en als het laatste bedrijf is aangebroken, en hij op het landhuis van zijn zuster de papieren vindt waarin hij de waarheid omtrent de moord op zijn moeder en het vaderschap van de tweeling kan vinden, is het moment aangebroken waarop Aue tot inzicht zal komen, zijn mateloze schuld zal erkennen en het lijden zal aanvaarden dat, volgens de Grieken, het besluit vormt van elke Griekse tragedie. Het punt is nu dat Aue deze beslissende stap niet zet. In plaats van de ogen te openen en het boetekleed aan te trekken, pleegt hij tijdens de laatste dagen van Berlijn een aantal weerzinwekkende misdaden. Nadat we vier bedrijven lang hebben toegeleefd naar het verlossende vijfde bedrijf (het inzicht van de held en zijn aanvaarding van schuld en lijden) blijft dit bedrijf uit, en daarmee ook de catharsis van de lezer. De Welwillenden is een onvoltooide eigentijdse tragedie, een briljante Unvollendete.