Meer dan een pot goud

Geluk, wat is dat in de popmuziek, 38 jaar na «a warm gun»? Nog steeds liefde, uiteraard. Veel gevoel, sowieso. Een tikje spiritualiteit. En een VS zonder Bush.

Roger Waters, voormalig zanger en bassist van Pink Floyd, trad afgelopen week op in de Rotterdamse Ahoy’. De zaal was uitverkocht. Opdat er bij de bezoekers geen enkel misverstand zou bestaan over de status van de man die op het podium stond, had Waters onder zijn naam op de tienduizend kaartjes laten drukken: «The creative genius of Pink Floyd.» Getuige het euforische applaus dat hem ten deel viel, dachten die bezoekers daar niet anders over.
Waters speelde The Dark Side of the Moon en nummers van Wish You Were Here, The Wall, The Final Cut en zijn soloalbum Amused to Death. Klassieke nummers van klassieke albums, en samen gespeeld op een avond als deze viel eens te meer op hoeveel Waters erin had opgemerkt over de drie decennia waarin ze waren verschenen. Over politiek, gezag, Thatcher en Neil Postman, verlangen, individualisme: waarover eigenlijk niet?

Het maakte benieuwd naar de visie van de zestiger Waters anno 2006 op onderwerpen die hij nu belangrijk vindt. Hij speelde een nieuw nummer. Het duurde ruim tien minuten, maar het publiek was muisstil, alleen al omdat Waters de tekst had laten vertalen in een stripverhaal dat op het enorme scherm achter hem werd vertoond. Het nummer heette Leaving Beirut en ging over de reizen die de tiener Waters ooit maakte en die hem uiteindelijk in het Midden-Oosten deden belanden. Schurkend tegen de randen van de kitsch bezong Waters hoe gastvrij ze waren, de mensen die hij daar en toen trof. En daar kwam zijn punt: «Are these the people that we should bomb/ Are we so sure they mean us harm.» Onder luid gejuich haalde hij uit: «Oh George! Oh George! That Texas education must have fucked you up when you were very small.»

Ronduit anti-Amerikaans werd hij niet. Daarvoor heeft het land te veel te bieden, vindt ook de Brit Waters: «You got hip-hop, be-bop, hustle and bustle/ You got Atticus Finch/ You got Jane Russell/ You got freedom of speech/ You got great beaches, wildernesses and malls.»

En dus?

Dus: «Don’t let the might, the Christian right, fuck it all up/ For you and the rest of the world.»

Was George W. maar weg uit het Witte Huis. Dan waren wij allen beter af. Veiliger. Vreedzamer. En gelukkiger. Zie hier de grootste gemene deler in de opvattingen die in popmuziek op dit moment over geluk bestaan.

Was er twee verkiezingen geleden nog oprechte hoop op een Democraat – en voor een enkele artiest de inspiratie van de marge die Ralph Nader belichaamde – bij de vorige verkiezingen schaarde de muziekindustrie zich tegen heug en meug achter John Kerry, want alles beter dan die Texaan.

Nu die Texaan er nog steeds zit en ook nog wel een tijd zal blijven, is de toonzetting apocalyptischer, wordt een Bushloze wereld nog veel deugdelijker voorgesteld en is het onderwerp alomtegenwoordig. Neil Youngs nieuwe plaat is een verzameling anti-Republikeinse spandoekteksten, het nieuwe album van de in Berlijn woonachtige Canadese elektrokoningin Peaches heet Impeach my Bush, het eerste soloalbum van Radiohead-voorman Thom Yorke staat vol politieke statements, alle Amerikaanse punk-, hardcore- en emocorebands van belang hebben minstens één nummer, maar liefst een vrijwel volledig album aan de Amerikaanse president gewijd. Zelfs Pink zingt dat ze tegen Bush is.

Engagement in de pop, wat zou het zonder George W. Bush moeten?

De Amerikaanse president zorgt voor de enige ideologische en morele eenduidigheid in de popmuziek. Een dominant aanwezige gemoedstoestand – de kruis van het leven en de weerzin van de leegte die grunge begin jaren negentig uitstraalde («Here we are now, entertain us»), het juist omhelzen van die leegte door het platte, hitparadegevoelige deel van de dance («Hey now, hey now, here’s what I say now/ Happiness is just around the corner/ We like to party/ We like, like to party»), het hedonisme van de jaren tachtig, de no future van de punk in de jaren zeventig, de deprimerende en verwarrende nasmaak daarvan in de new wave – ontbreekt momenteel: in het versplinterde landschap van dezer dagen is er bij iedere gemoedstoestand een scene te vinden, en bij iedere scene een soundtrack.

Wat is geluk daarin?

Allereerst vooral het gespreksonderwerp van met name de lichtzinnigen. «Happy people have no stories», zong Andy Cairns van het Ierse rocktrio Therapy? in de jaren negentig, en het lijkt nog steeds een maatstaf. Twee jaar geleden borduurde hij erop voort: «We all want cheap happiness now/ Easily placated like sheep and cows./ In this so called life/ There should be so much more.»

Maar wat dan? Wat meer?

Op haar comebackalbum Ray of Light eind jaren negentig had Madonna het al over «awakening the hapiness of the self revealed», in het nummer Shanti/ashtangi. Tegenwoordig is ze een kabbalist. De Beastie Boys, in de jaren tachtig nog vechtend voor hun «right to party», weten het wel. Boeddhisme! Vanaf halverwege de jaren negentig sijpelt het door in hun teksten. Het geluk schuilt hierin: «So in deciding for what a situation calls/ There is a path for the good for all/ I try to make my every action for that highest good/ With the altruistic wish to achieve buddhahood.»

Het gelukt ligt in het oosten.

En in de liefde uiteraard, onveranderd. «I just wanna feel real love», zong Robbie Williams in een van zijn grootste hits. Klaar. Liefde voldoet. Als het maar echt is. Maar juist die afhankelijkheid van het bal der grilligheden dat liefde is, maakt geluk zo’n onbetrouwbare graadmeter, zong countryzangeres Alison Kraus: «Love like a sweet parade till the saddest part when the music fades/ You can’t always trust happiness.» Zanger Xander de Buisonjé kwam er als voorman van Volumia! ook al niet uit: «Niemand weet waarom geluk soms wegwaait/ Niemand weet waarom een bloem verwelkt.»

Geluk moet je verdienen, of ten minste accepteren, zo leert de Nederpop ons. «Want zo is het leven», zingt Marco Borsato in Alles Kwijt: «Geluk en verdriet/ Het werd je gegeven/ Maar je wilt het niet.»

Het is dus min of meer een mysterie, maar de waarde ervan dient niet te worden onderschat, zo zong volksheld Frans Bauer: «Geef me maar een ons geluk/ Da’s meer dan een pot goud/ Pas er wel voor op dat je geen luchtkastelen bouwt/ Want het leven duurt maar even.»

En wat dan nog, al bouw je luchtkastelen. De Amerikaanse punkband nofx, vechtend in de voorhoede van het anti-Bush-protest, schreef jaren geleden al het nummer The Happy Guy, over het geluk van De Gewone Man («getting through life the best he can»), al dan niet aangetroffen in Heilige Schriften, en de neiging van de progressieve elite om daar laatdunkend over te doen. Tegen hun gewoonte in hieven de punkers hier het vingertje: «His hopes may be false but his happiness is real/ Don’t try to judge him, he’s just a man.» De tekst mag gelden als een dissonant in hun oeuvre, hij belichaamt juist de essentie van de punk: de individuele keuzevrijheid, ook waar het geluk betreft.

Voor wie die vrijheid te veel neigt naar vrijblijvendheid en er daarom geen genoegen mee neemt, maar evenmin valt voor de universele pretenties van Madonna’s weg naar levensgeluk of het grillige pad der liefde dat Borsato bepleit, is er altijd nog het handzame motto van de Amerikaanse komiek Weird Al Yankovic, befaamd om zijn imitaties van popiconen. In zijn nummer This Is The Life concludeerde hij: «So if money can’t buy happiness/ I guess I’ll have to rent it.»