Het kapitalisme heeft toekomst

Meer dan een zinsbegoocheling

Ons kapitalisme heeft meer weg van een planeconomie dan van de door liberalen bewierookte vrije en spontane markt, betoogde Koen Haegens onlangs in dit blad. Niet waar, stelt de Belgische vice-premier Alexander de Croo in een reactie. ‘Het kapitalisme bestaat, maar zit in een zware persoonlijkheidscrisis.’

‘Bestaat het kapitalisme wel?’ Dat was de intrigerende vraag die een maand geleden de cover van De Groene sierde. Even kwam er een gevoel van kalmte over me heen. De laatste jaren is de baan van politicus het best te vatten in de vraag – of moet ik zeggen in de kreet: ‘Wat gaat u aan de crisis doen?’ Maar als het kapitalisme niet bestaat, dan de crisis ook niet. Dan zijn er ook geen mensen meer die erdoor getroffen worden en valt er een last van de schouders van iedereen die zich de voorbije jaren uit de naad heeft gewerkt om de gevolgen van de crisis het hoofd te bieden. Dat valse gevoel van rust was snel voorbij toen ik een blik wierp op de faillissementscijfers, waaronder veelal die van kleine, net opgestarte ondernemingen.

De vraag of kapitalisme al dan niet bestaat, kan dus vrij eenvoudig beantwoord worden. Ja, kapitalisme bestaat. Waarom? Omdat ik de crisis waarin het zich bevindt dagelijks zie: Ik lees de verhalen van ondernemers in mijn mailbox en ik zie ze opduiken in de statistieken van onze Nationale Bank. Tenzij dit een bijzonder strak geregisseerd complot is om mij om de tuin te leiden – u weet wel: van een of ander duister gremium als de Bilderberg-groep - bestaat kapitalisme wel degelijk. Het bestaat, maar zit in een zware persoonlijkheidscrisis.

De stelling dat het kapitalisme niet meer is dan een geweldige maar zinsbegoochelende show is niet nieuw. Karl Marx en Walter Benjamin waarschuwden meer dan een eeuw geleden al dat het kapitalisme en de rijkelijke galerijen die het voortbracht, er hoofdzakelijk op gericht was de levenshouding van de ‘petit bourgeois’ te promoten. Om mensen aan te moedigen een leeg leven te leiden: dom maar tevreden. Toen de globalisering aan het einde van de twintigste eeuw in een stroomversnelling kwam, zat het kapitalisme opnieuw op de schopstoel. Andersglobalisten stonden klaar om het kapitalistische complot te ontmaskeren als dekmantel voor grote conglomeraten om derdewereldlanden leeg te roven.

Vandaag staat de idee van het kapitalisme opnieuw onder druk. Aanleiding deze keer is de financieel-economische crisis. Ook nu grijpen tegenstanders onaanvaardbare uitwassen aan om het kapitalisme in zijn geheel bij het groot vuil te zetten. Alleen: veel van deze zogenaamde excessen hebben in feite weinig of niets met het kapitalisme te maken. Het door Haegens genoemde Libor-schandaal is het pijnlijke resultaat van achterkamerpolitiek waarbij een belangrijke referentierente wordt bedisseld tussen private en centrale bankiers. Het schandaal toont maar één ding aan: hoe schadelijk het gebrek aan een vrije en transparante markt kan zijn.

Ook het oprukkende staatskapitalisme uit het Oosten heeft weinig met het kapitalisme uit mijn woordenboek te maken. Russische en Chinese leiders sussen met gas-roebels en grondstof-yuans hun snelgroeiende middenklasse zodat ze hun Ikea-keuken en Tata-wagen kunnen veroorloven. Maar het opeisen van fundamentele rechten? Ho maar, dat soort gekkigheden laten ze in de kast. Het sino-Russische systeem laat economie, partij en staat samenvallen. Het moet het vooral hebben van monopolistische slagkracht in plaats van competitieve bedrijfsvoering. Koopkracht in ruil voor een muilkorf. Niet mijn kapitalisme.

Het Rusland van Vladimir Poetin en het China van Xi Jinping kunnen nooit echt in crisis verkeren. In hun wereldbeeld staat dit gelijk aan politieke kritiek en die is per definitie onaanvaardbaar. Het Rusland van twintig jaar geleden van Boris Jeltsin daarentegen omarmde de vrije markt wel en ging in 1998 door een zware financiële crisis. Net als de crisis van 2008 toonde deze aan waar het woord ‘vrij’ in ‘vrije markt’ voor staat. Het betekent niet – zoals critici van de vrije markt steeds poneren – dat iedereen zomaar kan doen en laten wat hij wil. Het betekent wel dat er de mogelijkheid is om tegen de stroom in te roeien: te innoveren en de risico’s te lopen die ermee gepaard gaan. Inherent aan deze vrijheid is echter ook de verantwoordelijkheid en de rekenschap die men moet afleggen als men faalt. Het gebrek hieraan is waardoor het de voorbije decennia grondig fout liep.

Interessanter dan het Libor-schandaal of China en Rusland zijn de casussen die wel degelijk een pervertering van de vrije markt zijn. Ze lichten er een essentieel kenmerk uit en exploiteren het met als uiteindelijk resultaat een minder vrije en minder transparante markt. De ‘nanotraders’ met hun flitshandel zijn hiervan de ultieme manifestatie. Ze laten algoritmes lopen op beursbewegingen en boeken grandioze winsten in letterlijk fracties van seconden. De aard, laat staan de kwaliteit van de onderliggende waarde is geenszins van belang.

Nanotraders zijn een ‘exces’ in de letterlijke zin van het woord: een overschrijding van de voorwaarden die zorgen voor een goed functionerende markt. Daarom is dit volgens mij de kern van de uitdaging voor het kapitalisme: het opstellen van regels die ervoor zorgen dat een gezonde en eerlijke competitie mogelijk is. Leidt dit vaak tot onmenselijk dikke boeken zoals de International Financial Reporting Standards (ifrs)? Zeker. Maar dit dan linken aan ‘de nijvere bureaucraten’ uit de ‘Sovjet-Unie’, zoals dat in het _Groene-_essay gebeurde, gaat meer dan één brug te ver. Dergelijke associaties zijn verleidelijk, maar ze ontkennen het leed van de slachtoffers van het communistisch regime. Voorzover ik weet runnen de opstellers van de ifrs nog geen Lubyanka met folterkamers.

Dergelijke overtrokken vergelijkingen doen bovendien onrecht aan het reguleringsvraagstuk dat onlosmakelijk met onze vrije markt verbonden is. Niemand kan voorbij gaan aan de vaststelling dat de laatste tien jaar klassiek marktfalen zoals monopolievorming, informatieasymmetrie en externaliteiten steeds vaker in steeds meer gedaantes opduikt. Dat maakt de vraag welke regels nut hebben complexer dan ooit te voren. Moet deze complexiteit ons er dan van weerhouden de juiste regels neer te zetten? Ik meen van niet. De complexiteit van een samenleving en haar economie wordt nu eenmaal weerspiegeld in haar regels.

Hierbij moet ik denken aan een gesprek dat ik ooit had met een onderzoeker aan de Universiteit van Toronto. Hij moest onderhandelen met de vissersvakbond over het opstellen en controleren van quota om overbevissing tegen te gaan. Naast subtiele verbale en fysieke intimidatie was het belangrijkste argument van de vissers tegen het invoeren van quota de complexiteit die ermee gepaard gaat: fertiliteitsquotiënten, te veel aanmeerplaatsen en ga zo maar door. Dat krijg je nooit voor mekaar. Het laconieke antwoord van de onderzoeker was: ‘We hebben meer dan dertig jaar geleden mensen op de maan gezet. Visquota afdwingen zal dan ook wel lukken.’ Hetzelfde lijkt me op te gaan voor het reguleren van markten, hoe hopeloos complex ze soms ook lijken.

Hoewel elke generatie van zichzelf denkt dat ze in een tijdsgewricht leeft met een ongekende complexiteit moeten we ons toch bewust zijn van de risico’s die gepaard gaan met ingewikkelde marktstructuren. Sinds de financiële crisis – en de periode van de deregulering die daaraan vooraf ging – luidt het adagium ‘beter te veel dan te weinig regels’. Maar in dit onzorgvuldige pleidooi voor meer regels schuilt een groot verborgen risico: blinde regelgeving die knechtend werkt. Het was De Tocqueville die in tempore non suspecto al waarschuwde: ‘De samenleving zal een nieuw soort onderdanigheid ontwikkelen die haar oppervlak zal bedekken met een netwerk van ingewikkelde regels, waar zelfs de meest originele geesten en energieke karakters niet doorraken. (…) Het tiranniseert niet, maar drukt samen, enerveert, blust uit en stompt af tot een natie niets meer is dan een kudde timide en productieve dieren waarvan de overheid de herder is.’

De werkelijke bedreiging van gulzige regeldrift is niet dat we belanden in Sovjet-Russische horror, maar wel dat regels zo de bovenhand nemen dat burgers – of ze nu ondernemer of consument zijn – elke vorm van vrijheid en creativiteit in de kiem gesmoord zien. Dit is geen banale kritiek. Een vrije markt in een democratische omgeving moet erop gericht zijn zoveel mogelijk mensen te laten deelnemen. Daarvoor is, naast goede marktregulering, ook een zekere mate van herverdeling nodig. Zonder deze herverdeling zijn er geen gelijke startkansen en wordt ondernemerschap een erfelijk iets. Dit is in absurde tegenspraak met zichzelf.

Zowel de regels als de herverdeling hebben dezelfde democratische basis nodig. Via parlementaire democratie wordt bepaald welke marktregels nodig zijn en op welke manier er herverdeeld wordt. We zouden misschien willen dat er objectieve maatstaven bestonden die eens en voor altijd bepalen wat de juiste herverdeling is en de juiste regels zijn. Maar het is de democratie die het juiste evenwicht bepaalt wat marktregulering en herverdeling betreft. Dit evenwicht beweegt continu en bijgevolg zal ook het kapitalisme nooit ‘af’ zijn. Laat staan ‘perfect’.

Dit imperfecte proces in aanloop naar de crisis was er een waarbij regels te zeer creativiteit en innovatie fnuikten, terwijl ze het mogelijk maakten om private risico’s te verhalen op de samenleving. Een kapitalisme waarbij iedereen economische vooruitgang als vanzelfsprekend ziet, maar immuun wil zijn voor de risico’s, is inderdaad een zinsbegoocheling. De echte uitdaging voor onze democratie is om vanuit deze schadelijke illusie opnieuw een geloofwaardig kapitalisme te creëren. Een dat het hele verhaal vertelt: hoe hard bevochten en moeizaam innovatie en economische groei zijn. Hoe we af en toe ook de bluts met de buil moeten verdragen.

In de Verenigde Staten zal dit nieuwe evenwicht anders liggen dan in Europa en ook binnen de Europese Unie zijn er grote verschillen. Nationale verschillen die niet altijd even gemakkelijk te rijmen zijn met onze geglobaliseerde economie. Onze markten zijn systemen geworden die op globaal niveau opereren. Onze democratische instellingen zijn nationaal georganiseerd. Nochtans leggen zij vast wat we als rechtvaardig kapitalisme aanvoelen. Econoom Dani Rodrik noemde dit the globalization paradox.

Het Europese beleidsniveau biedt een antwoord op deze paradox. Maar het Europees project zit net als het kapitalisme in een identiteitscrisis: het twijfelt over zijn politieke natuur, het kampt met een democratisch deficit en zijn besluitvorming wordt belegerd door het populisme van de eenvoudige en nationale oplossingen. Hoewel de Europese Unie haar bestaansrecht ontleent aan het oplossen van crises lijkt ze meer en meer er zelf een te worden. Daarom zijn we het aan onszelf verplicht om in 2013 eindelijk werk te maken van de democratisering van onze Unie.

Een Europees Parlement met volheid van bevoegdheid ten koste van de Raad en een slagvaardige Commissie die ook verantwoording moet afleggen. De strijd voor een meer geïntegreerd en democratischer Europa is geen ver-van-ons-bed-show. De legitimiteit van het kapitalisme hangt ervan af. Europa moet bewijzen dat supranationale instellingen werken, dat ze democratisch kunnen zijn en zo een volwaardige creator van vrije en open markten. Het zal een bijzonder harde noot zijn om te kraken, maar houd dan die energieke uitspraak van de Canadese onderzoeker in het achterhoofd: ‘ __For Christ’s sake, man. We were able to put men on the moon!_ ’_


Alexander de Croo is vice-premier en minister van Pensioenen in de Belgische federale regering. Daarvoor was hij senator en partijvoorzitter van de Vlaamse liberale partij Open Vld. Kijk op groene.nl voor het essay van Koen Haegens, ‘Bestaat het kapitalisme wel?’


Beeld:
Rue des Archives / HH
Wall Street, Michael Douglas als Gordon Gekko, 1987