Meer dan veertig jaar werk ik voor kranten.

Op mijn zeventiende was ik vakantiekracht op de zetterij van De Telegraaf. Leuk werk. Ik mocht prägen: de loden letters zaten op verschillende hoogte in de vorm en door met een hamer en een houtje op de letters te slaan, zorgde je ervoor dat alles gelijk kwam te liggen.

Vervolgens werkte ik bij Het Parool op de advertentieafdeling, werd ik kopijloper, medewerker, redactiemedewerker, journalist en columnist. Ik heb voor de krant geïnterviewd, verslagen gemaakt, commentaren geschreven en ideeën ontwikkeld. Met Martin van Amerongen van De Groene zat ik in een groepje dat zich 25 jaar geleden boog over de vraag: waar zijn de kranten en de opinieweek­bladen over 25 jaar?

De journalistiek was ons werk en ons leven.

Ik heb internet ons krantenleven zien binnendringen en ik zou er zelf niet meer buiten kunnen.

Maar is de journalistiek veranderd?

Stel dat een jonge journalist op een mooi verhaal stuit, zou hij zijn verhaal dan niet kwijt kunnen bij een van de dag- of weekbladen?

Ik geloof daar niets van.

Ik herinner me een gesprek van 25 jaar geleden tussen Martin van Amerongen en Pierre Vinken. Martin zei: ‘Hoe meer kranten hoe beter.’ Pierre haalde daar zijn schouders over op en noemde dat een romantisch idee: ‘Wie gaan al die kranten betalen, Martin?’ Pierre Vinken – die destijds als CEO van Elsevier zowat alle kranten van Nederland in bezit had gehad en weer had afgestoten – meende dat er, commercieel en inhoudelijk gezien, maar voor twee kranten in Nederland ruimte was. Een combinatie Telegraaf en Algemeen Dagblad en een combinatie NRC Handelsblad en de Volkskrant. Dat zouden heel goede kranten kunnen worden die ook genoeg financiële ruimte zouden krijgen om gedegen journalistiek vakwerk af te leveren. Hoe meer geld er beschikbaar was, hoe beter de journalistiek kon zijn. Verder zag Pierre wat ruimte voor enkele lokale kranten, maar dat was toch vooral Het Parool, de Haagse Courant en een Rotterdamse krant. Pierre, bijna twee jaar geleden gestorven, heeft internet nog meegemaakt en was soms ook nog betrokken bij ideeën over internetkranten, maar zag een paar maanden voor zijn dood niets in internetinitiatieven. Hij vond GeenStijl wel leuk en Nu.nl, maar hij zag verder niet hoe je een financieel gezonde internetkrant kon krijgen. Daarvoor was Nederland te klein. Wat gold voor kranten, gold ook voor internetkranten: hoogstens twee internetinitia­tieven zouden het kunnen redden. De rest zou mettertijd financieel niet haalbaar blijken. ‘Maar ja’, relativeerde hij zichzelf, ‘ik ben al oud.’ Hij voegde er wel aan toe, dat als hij nog meer geld zou willen verdienen, hij wel mogelijkheden op internet zag, maar niet met nieuws en internet.

Toch moet ik vaak aan Martin van Amerongen denken die destijds op de redeneringen van Pierre antwoordde: ‘Maar Pierre, als we veel meer kranten zouden hebben dan nu, dan zou dat toch heel aardig zijn. Heerlijk toch om dat allemaal te lezen.’

Helemaal zeker wat betreft de cijfers weet ik het niet meer, maar Vinken vertelde toen dat er vlak na de Tweede Wereldoorlog in Parijs alleen al zo’n zestig dagelijkse kranten waren. Elke politieke stroming of belangenvereniging had zijn eigen journal. Voor de polemiek moet dat een geweldige tijd zijn geweest, maar de ene na de andere drukpers ging failliet, want de kranten werden domweg niet gelezen en dus werden de rekeningen niet betaald. Men las alleen wat gezaghebbend was. En oude krantenwetten werden in ere hersteld. Wat gezaghebbend werd, was de krant die het beste nieuws had, de beste bronnen bezat, de juiste contacten kon aanboren et cetera. Adverteerders wilden daarin graag adverteren, en lezers kochten die graag om goed geïnformeerd te worden.

Ik vroeg me toen – en nu weer – af: willen mensen wel goed geïnformeerd worden?

Twee kranten