Profiel: Susan Strange

Meer dan vraag en aanbod

Terwijl collega-economen eind vorige eeuw de financiële sector nog benaderden als een aardappelmarkt, vreesde Susan Strange al grote crises. Overheden toonden zich blind voor de financiële krachten. Ze richtte het vakgebied internationale politieke economie op.

Op 5 november 2008 komt Queen Elizabeth in een crèmekleurig mantelpakje een nieuw gebouw van de prestigieuze Londen School of Economics (lse) openen. Het lijkt een dag als alle andere voor de koningin en toch is de situatie anders dan normaal. Er zit haar namelijk iets dwars. ‘Waarom heeft niemand dit aan zien komen?’ is haar simpele maar vileine vraag. Een kleine twee maanden eerder was de wereldwijde financiële crisis ingeleid door de klap waarmee de Amerikaanse bank Lehman Brothers omviel; in Londen razen de economische schokgolven door de nabijgelegen City, het glimmende financiële centrum van Europa.

De koningin richt haar vraag tot de vele gerenommeerde economen die de universiteit rijk is. Pas acht maanden later komt de vakgroep in een korte brief met een antwoord: ‘Majesteit, het missen van de precieze timing, de omvang en de ernst van de crisis (…) was in essentie een falen van het collectieve inbeeldingsvermogen van veel slimme mensen – zowel in dit land als internationaal – om de risico’s van het systeem in zijn geheel te begrijpen.’

Een collectief falen dus. Toch was het niet zo dat er geen ander geluid voorhanden was. Sterker nog, je hoefde er letterlijk slechts enkele trappen voor af te dalen. Als de economenvakgroep bij lse die moeite genomen had, dan had de pijnlijke confrontatie met de koningin misschien wel nooit plaatsgevonden.

Bewegend beeld van Susan Strange is niet te vinden. En ook een interview, biografie of foto is met basale google skills niet boven water te halen. Als je haar naam noemt in een gesprek met haar vakgenoten krijg je meestal vragende blikken. Alleen in haar geboorteland het Verenigd Koninkrijk geniet ze nog enige bekendheid. En dat is doodzonde, want Strange was haar tijd ver vooruit. Haar alternatieve inzichten over economie en politiek zijn ruim twintig jaar na haar dood – ze overleed in 1998 onverwacht aan de gevolgen van darmkanker – nog steeds niet gedateerd, of beter gezegd: actueler dan ooit.

Het werk van Strange leest alsof het gisteren geschreven is. Ze stipte de negatieve effecten van globalisering aan voordat politicoloog Francis Fukuyama – foutief – voorspelde dat het einde van de geschiedenis bereikt was; ze wees op de gevaren van een steeds grotere financiële sector toen er nog geen grote crises waren om haar gelijk te tonen; en ze pleitte voor een verrijking van de economische wetenschap met inzichten uit andere vakgebieden ver voordat dit in de mode raakte. En dit alles meer dan dertig jaar geleden.

Het startschot van een klassieke Strange-analyse begon altijd met de vraag ‘qui bono?’ – wie profiteert? Macht stond centraal in haar denken, maar ze hanteerde een veel breder begrip van macht dan gangbaar was bij haar collega’s. In plaats van uitsluitend te kijken naar overheden en hun militaire capaciteit introduceerde ze bedrijven, banken, de factor productie en technologie in de deler. Daarmee sloeg ze een brug tussen de gescheiden werelden van de internationale betrekkingen en de economie en maande ze economen uit hun silo’s te komen om de wereld te observeren zoals hij daadwerkelijk was. Deze revolutionaire opvatting werd haar niet in dank afgenomen maar zou wel effect sorteren. Haar gedachtekind mondde uit in een nieuwe studierichting die wel de kaders bood om de wereld te bestuderen in zijn ware vorm: internationale politieke economie.

Een lange lijst van boeken en academische artikelen heeft haar overleefd, maar het enige document dat een inkijkje biedt in de mens Susan Strange is het zeldzame autobiografische artikel ‘I Never Meant To Be an Academic’, dat onderdeel was van een bundeling teksten van academici die terugblikten op hun carrière en leven. ‘Ik moet toegeven dat geluk en toeval, meer dan een planning of een specifiek doel, mijn carrière gevormd hebben’, schrijft Strange. Dat moet Britse bescheidenheid zijn geweest, want om als vrouw in de jaren na de Tweede Wereldoorlog carrière te maken in een bolwerk van conservatieve mannen was er meer nodig dan geluk alleen.

Ze was misschien bescheiden over haar academische prestaties – die vergeleek ze met voetafdrukken in het strand – op haar mondje gevallen was ze niet. Ze werd gevreesd op internationale congressen en joeg vanuit de achterste rij schrik aan met haar onverbloemde kritiek. Geoffrey Underhill, hoogleraar internationale bestuurskunde aan de Universiteit van Amsterdam en goede vriend, herinnert zich nog zijn eerste ontmoeting met Strange op een congres in Vancouver: ‘Ik vond het spannend met haar te spreken, ze was intimiderend, een soort mythische figuur. Maar gelukkig wist ik haar te bekoren met mijn onderzoek.’

Dat gold niet voor iedereen. ‘Ik kan me een presentatie van een Amerikaanse collega herinneren’, vertelt Underhill, ‘een grote naam tegenwoordig. Iedereen hield de adem in toen Susan als eerste haar hand opstak: “Dit onderzoek doet me denken aan Amerikaanse motels”, zei ze, “allebei zouden moeten komen met het advies ‘ontsmetten voor je eigen veiligheid’.”’ Ze vond dat de Amerikaanse onderzoeker theoretische oogkleppen op had en meer kwaad dan goed deed met zijn onderzoek, iets wat ze veel vakcollega’s verweet.

Voordat Susan Strange in 1940 haar eerste academische stappen zou zetten besloot ze eerst een half jaar als au pair aan de slag te gaan bij een Franse hoogleraar in Normandië. Ze had het naar haar zin en zag – ondanks de horden vluchtelingen die binnenstroomden – geen reden om weg te gaan, totdat ze ‘woedende telegrammen’ ontving van haar vader die als Britse Royal Air Force-piloot over Frankrijk vloog en de Duitse geweerschoten hoorbaar werden vanuit haar achtertuin. Ze trof een schip met drieduizend afgematte Britse soldaten die net een zware nederlaag hadden geleden en vluchtte samen met hen terug naar Engeland. ‘Als zij er niet waren geweest, had ik de rest van de oorlog doorgebracht in Frankrijk of een Duits concentratiekamp’, zei ze erover. Haar broer had een dag eerder als soldaat de duinen van Duinkerk weten te ontvluchten.

Bij terugkomst begon Strange als zeventienjarige haar studie economie aan de London School of Economics, maar haar campus verhuisde naar de Universiteit van Cambridge, waar de vrouwelijke lse-studenten tijdens de Blitz-bombardementen op Londen werden ondergebracht. ‘De Cambridge-meisjes waren elke avond opgesloten in hun slaapvertrekken’, herinnerde ze zich. ‘Wij, de lse-meisjes, waren vrij om naar de lokale kroegen te gaan, laat op te blijven, zingend in een vriendelijk Grieks café, discussiërend terwijl we borden vol eieren, gebakken bonen en friet aten. Het feit dat Londen werd gebombardeerd en dat veel jongens in hun tweede jaar waarschijnlijk opgeroepen zouden worden, van wie sommigen nooit meer terug zouden keren, verscherpte onze honger naar leven en liefde. Het enige probleem was studeren.’

Op aandringen van haar middelbare-schoolleraar had ze zich aangemeld voor een studiebeurs bij de universiteit, die ze tot haar eigen verbazing toegewezen kreeg, ze ontbeerde immers het benodigde ‘geld en kennis van Latijn’ om aangenomen te worden, dacht ze. Als bijvak koos ze politicologie, maar de hoogleraar van dienst – die ze weliswaar amusant vond – was meer op zoek naar discipelen die zich voegden naar zijn ‘nogal simplistische ideeën’ in plaats van vrije denkers zoals Strange. Internationale betrekkingen bood haar een uitweg. Alle academische kopstukken van die faculteit waren afgereisd naar Whitehall ‘om de oorlog te winnen’, en wat restte was een groepje internationale studenten en een ‘oude, vriendelijke maar ondoeltreffende historicus’ die hen overzag. Strange vond er de vrijheid die haar zo goed lag.

Na haar afstuderen in 1943 wees ze een goed betaalde baan als onderzoeksassistent af om bij The Economist te gaan werken, een baan die óók per toeval op haar pad was gekomen, vond ze: via het liefje van haar broer (‘my brother picked up a girl in a London bar on his last leave before shipping out to fight in Burma’) wist ze een sollicitatie bij de hoofdredacteur van het weekblad te regelen. De baan vond ze geweldig, maar hij betaalde ontzettend slecht waardoor ze ’s avonds ander journalistiek werk moest doen om de eindjes aan elkaar te kunnen knopen. Deze keuze was niet vanzelfsprekend. Op haar negentiende, in het derde en laatste jaar van haar studie, was ze zwanger geraakt van ‘een arme geneeskundestudent’ en trouwde met hem.

De eerste woorden in haar boek States and Markets zijn Susan Strange ten voeten uit, eigengereid en origineel: ‘Dit is geen conventioneel tekstboek. Studenten krijgen vaak boeken te lezen die hun vertellen wát ze moeten weten, of wát ze zouden moeten denken. Dit boek is anders. Het zal je een suggestie doen over hóe te denken over de politiek van de wereldeconomie, en laat het verder aan jou wat je zelf vindt. Dit boek laat je vrij een aartsconservatief te zijn of een radicale marxist, een nationalist of een wereldburger (…) Voor je ligt níet een menu – niet eens à la carte – maar de ingrediënten waarmee je je eigen gerecht of recept kunt maken.’

Toen globalisering nog als positief werd bezien, zag Strange al dat overheden zich niet tegen de financiële orde konden wapenen

Met haar scherpe tong en vernieuwende ideeën moet Strange als een olifant in een kast vol chique Brits theeservies zijn geweest. Ze had een allergie voor academici die vastgeroest zaten in hun eigen gelijk en er op uit waren hun studenten vol te stoppen met diezelfde ideeën, in plaats van hun te leren zelf kritisch na te denken. Hiërarchie zei haar weinig, jong en oud kregen dezelfde behandeling, en ze ging graag met haar studenten de kroeg in (ze stond bekend om haar gin-tonics zonder tonic). Strange was ook wars van ingewikkeld academisch taalgebruik en poogde met haar journalistieke stijl zo toegankelijk mogelijk te schrijven. Ze liet zich ook niet beperken tot de geijkte mal van een vakgebied: de ingrediënten die Strange aanbood waren afkomstig uit zowel de economie als internationale betrekkingen.

Meermaals werd Strange gepasseerd om hoogleraar te worden; collega’s vonden haar werk ‘journalistiek’ en daarmee theoretisch zwak. Underhill roemt haar als ‘synthetische denker’, maar vindt ook dat ze te ongeduldig was om haar theorieën verder uit te werken. Andersom was het oordeel ook hard: Strange vond dat haar vakgenoten binnen internationale betrekkingen (IB) niets snapten van macht en zich dood staarden op militaire slagkracht, terwijl ze de groeiende invloed van met name de financiële sector totaal buiten beschouwing lieten (over IB-theorieën zei ze ooit: ‘Ik heb er uitvoerig naar gekeken, maar er zit niets tussen wat ook maar enigszins bruikbaar is’; een lezing op uitnodiging van de IB-afdeling van lse startte ze met: ‘Ik dacht altijd al dat IB fishy was, maar nu weet ik het zeker’). Economen waren óf te gefixeerd op kleine randzaken, vond ze, óf trachtten met een grand theory van vraag en aanbod de hele wereld te verklaren terwijl ze juist die echte wereld uit het oog verloren in abstracte modellen.

Dankzij haar journalistieke carrière zag Strange hoe politiek de economische verhoudingen vormde en vice versa. Ze viel op bij The Economist en kreeg al snel een ‘onweerstaanbaar aanbod’: of ze als 23-jarige Washington-correspondent wilde worden voor de Britse zondagskrant The Observer in 1946. Ze liet huis, haard en baby tijdelijk achter om van dichtbij Amerika te zien opkomen als leider van de nieuwe wereldorde. In 1948 keerde ze terug en ging ze voor het eerst les geven aan een universiteit, University College in Londen. Dit combineerde ze met een baan als economieredacteur bij The Observer, waarvoor ze de eerste bijeenkomst van de Raad van Europa in 1949 bijwoonde. En ze viel regelmatig in als politiek verslaggever.

Strange was een harde werker – dat kan niet anders als je haar productiviteit in ogenschouw neemt – en nam de wetenschap serieus, maar haar ‘honger naar leven’ hield haar met beide benen in de echte wereld en dat was haar grootste kracht, een kracht die verder gevoed werd door haar journalistieke werk. In haar autobiografische essay schrijft ze: ‘Ik heb vrij veel woorden gewijd aan mijn tijd als journalist en dat deed ik met opzet. Journalisten worden door academici vaak verafschuwd. Een boek journalistiek noemen is vaak neerbuigend bedoeld; de schrijver heeft gefaald in zijn analyse en heeft slechts iets beschreven. Dat soort observaties zijn oneerlijk en aanstootgevend arrogant.’

Ze vervolgt: ‘Het is zeer goed te beargumenteren dat academische theoretici minder invloed hebben op ontwikkelingen van beleid dan journalisten. (…) Academici denken vaak dat hun krachtige argumenten de beleidsmaker hebben beïnvloed. Maar meestal is de waarheid dat de politicus een econoom, politicoloog of een versie van de geschiedenis “heeft gehuurd” om zijn beslissing te legitimeren die hem al lang opgedrongen is onder druk van de ontwikkelingen.’

‘Susan voelde zich een buitenstaander’, zegt Ronen Palen, hoogleraar internationale politiek aan City University in Londen, die als PhD-student aan lse veel met haar samenwerkte. Haar gedachtegoed viel vaak niet in het pulletje van de gevestigde orde, en hoewel ze dit niet liet blijken, zat dit haar wel degelijk dwars, denkt Palen, die vertelt hoe Strange aan het eind van haar leven nog met een opmerkelijk verzoek kwam. ‘Susans collega’s gaven haar het gevoel dat ze geen recht van spreken had op het vlak van theorieën’, vertelt hij. ‘Ik ben het daar volkomen mee oneens en daarom vroeg ze me: “Ronen, zou je dat eens op willen schrijven?”’ En dat deed hij in een uitgebreid artikel na haar dood in 1999.

Strange’s eerste huwelijk resulteerde vrij snel na haar terugkomst uit Amerika in een echtscheiding. Ze hertrouwde enkele jaren later en kreeg na de zoon en dochter uit haar eerste huwelijk nog drie zoons en een dochter in haar tweede. Haar veelvoudige moederschap viel niet goed bij haar baas op de universiteit en uit angst voor een zevende zwangerschapsverlof werkte hij haar de deur uit. Een oude kennis van The Observer zag zijn kans schoon en haalde Strange binnen bij de denktank Chatham House, waar ze een boek zou schrijven over de crisis van de Britse pond en de politieke dimensie van de valutamarkt.

Tot haar laatste dag was Susan Strange ongeduldig met het establishment en waar ze voor stonden © Courtesy family of Susan Strange

In de brief aan de koningin in 2009 erkent de economenvakgroep dat er mensen waren die ‘hét wel zagen aankomen’, maar: ‘De exacte vorm die de crisis aan zou nemen, wanneer die precies plaats zou vinden en de wreedheid was door niemand voorzien’, vonden ze noodzakelijk om nog op te tekenen. Vergelijk dat eens met de klimaatcrisis: heb je alleen recht van spreken als je het exacte moment kunt aanstippen wanneer de wereld vergaat? Wat ertoe doet is dat je een systeem blootlegt dat, linksom of rechtsom, tot ongelukken zal leiden.

‘De financiële crisis van 2008 zal haar zeker niet verrast hebben’, zegt Underhill. ‘In de jaren zeventig, tachtig en negentig was de algemene conventie dat er geen verschil was tussen een markt voor aardappelen, arbeid of financiële producten. Susan zag wél de concrete risico’s in een financiële sector die steeds groter en internationaler werd en was de eerste die hier aandacht aan besteedde.’ Haar eerste grote gelijk openbaarde zich net voor haar dood tijdens de Aziatische crisis van 1997.

In Casino Capitalism uit 1986 schreef ze: ‘Het westerse financiële systeem begint snel steeds meer te lijken op een gigantisch casino (…) het kan niet anders dan dat dit verschrikkelijke gevolgen zal hebben.’ Strange constateerde verbijsterd dat deze ontwikkeling door collega’s genegeerd werd. Economen dichtten de markt een zelfverschonend vermogen toe en binnen internationale betrekkingen was er geen aandacht voor de financiële sector. Strange maakte zich zorgen over het feit dat de markt over het hoofd van de landen heen groeide en dat nationale overheden niet in staat waren internationale instituties op te bouwen die sterk genoeg waren om de financiële sector te controleren. Dit onvermogen doopte ze tot het Westfailure – verwijzend naar het verdrag van Westfalen, waar de soevereiniteit van landen voor het eerst op papier werd gezet.

In een tijd dat globalisering nog uitsluitend als positief werd bezien, zag Strange het ontstaan van een internationale financieel-economische orde én het onvermogen van overheden om zich hiertegen te wapenen. Met haar talent voor de grote greep diagnosticeerde ze de consequenties daarvan: de financiële sector zal meermaals uit de bocht vliegen met alle grote crises van dien, landen zullen naar elkaar wijzen om iets te doen aan klimaatverandering met apathie als resultaat, en ongelijkheid zal zowel tussen als in landen aanzienlijk toenemen. Strange schreef niet vaak over klimaatverandering – haar focus lag op het gevaar van een ongebreideld groeiende financiële sector. Dat vormde voor haar de meest urgente dreiging. Tijdens haar leven was milieuvervuiling nog veel meer een langetermijnverhaal dan nu – maar ze erkende meteen dat dit het grote probleem is: want wanneer het kritieke omslagpunt bereikt is, zijn we te laat en is er geen weg meer terug.

Strange vestigde haar hoop op het enige land dat voldoende structurele macht had om de internationale markt en financiële sector aan banden te leggen; ze hoopte dat Amerika andermaal de verantwoordelijkheid zou pakken, uit welbegrepen eigenbelang, net zoals het land dat deed na de Tweede Wereldoorlog. ‘Leiderschap is precies wat er ontbreekt in het internationale financiële systeem’, schreef Strange. ‘Het is niet zo dat de VS niet in staat zijn die rol op zich te nemen, maar ze zijn niet bereid die rol te pakken.’

Ze biedt een sprankje hoopt wanneer ze schrijft dat ze wel Amerikaanse experts en regelgevers spreekt die van mening zijn dat striktere regels voor de financiële sector noodzakelijk zijn, maar tekent direct op dat in de Amerikaanse overheid en Senaat het idee heerst dat deregulering zal leiden tot meer competitie, meer efficiëntie en een beter bankensysteem (en constateert en passant dat securitisation van hypotheken een groot risico vormt). ‘Politiek en gebeurtenissen zullen uitmaken wie wint.’

‘Men zal een politieke demagoog, een kwakzalver volgen. De overheid zal dan gewelddadig en corrupt  worden’

Als 21-jarige journalist bij The Economist volgde Strange de Bretton Woods conferentie. Ze zag hoe het Verenigd Koninkrijk en Amerika samen de nieuwe financiële wereldorde in de stijgers zetten, verbaal vochten om de Pond dan wel de Dollar als de internationale dominante munteenheid te vestigen. Het was een strijd die Amerika glansrijk won waardoor het land uitgroeide tot de nieuwe leider in de naoorlogse wereld. Houd dan nog maar eens vol dat economie zich afspeelt in het vacuüm van abstracte modellen van vraag en aanbod en dat internationale betrekkingen niets met economische structurele macht te maken heeft.

En dus greep Strange haar kans om een nieuw vakgebied op te richten dat wel de kaders bood om deze complexe verhoudingen te bestuderen, toen ze eerst als bezoekend docent en vanaf 1978 éindelijk als hoogleraar bij lse aan de slag mocht: internationale politieke economie (ipe), een vakgebied dat anno nu weer aan populariteit wint. ‘ipe is een mindset, een manier van denken’, zegt Andrew Baker, hoogleraar ipe aan de Universiteit van Sheffield. Hij gebruikt Strange’s werk nog dagelijks om zijn studenten te introduceren in de interactie tussen de politiek en de economie, terwijl het laatste vaak ver van hen af staat.

Strange geloofde niet in een allesomvattende theorie, die bestond simpelweg niet dacht ze, maar dat betekent niet dat je niet groot kunt denken. Integendeel. Strange dacht in structuren en systemen, die als hulpmiddel moesten dienen de wereld te duiden, in plaats van als theoretische mallen waarin de wereld gedrukt moet worden. Dat wilde ze haar studenten meegeven. ‘ipe biedt studenten handvatten om kritisch te reflecteren op de grote thema’s’, vertelt Baker. ‘Ongelijkheid, klimaatverandering en de uit zijn voegen barstende financiële sector.’

In 1986 schreef Strange bezorgd dat ‘concepten en ideeën’ van de orthodoxe economie een obstakel vormen voor het ‘doorgronden van de grote problemen die de wereld teisteren’. Ze vroeg zich hardop af wat voor nut het had om algemene economie te studeren als je iets wilt begrijpen van de actuele internationale economische ontwikkelingen, die de zogenaamde wetten van de economie doorlopend aan de laars lapten.

Economen waren te veel bezig met randzaken en die ene grand theory die ze wel hadden, klopte van geen kant, vond Strange. Haar tijdgenoten en de opstellers van de brief aan Queen Elizabeth dachten – met de rekenkracht van computers – de wereld te kunnen vangen in data en modellen met de aanname dat de markt efficiënt, evenwichtig en zelfregulerend was. Toen die droom in 2008 definitief lek werd geprikt, schreven de opstellers van de brief aan de koningin dat ze het ‘systeemrisico’ over het hoofd hadden gezien. ‘Wat! Serieus?! Meen je dat?!’ geeft Baker zijn beste Susan Strange-imitatie als reactie op de brief, ‘ik waarschuw jullie al veertig jaar voor het systeem!’

Underhills laatste bezoek aan Susan Strange kan hij zich nog scherp voor de geest halen. Hij kwam langs op de boerderij in de heuvels tussen Londen en Oxford waar ze met haar man Cliff woonde, ze zouden een hoofdstuk bespreken voor het boek waar ze samen aan werkten. Terwijl zijn twee kinderen met de schapen aan het spelen waren, spraken ze over hun werk, de kinderen en waarom schapen zulke intelligente dieren zijn. Ze lunchten nog samen en toen vertrok hij, Strange had pijn en was moe.

Strange’s man was boer en tussen het schrijven van haar boeken door hielp ze hem vaak op de boerderij. Ze was een echte farmgirl, vertelt Underhill, en haar tweede man was haar grote liefde. Twee weken later overleed Susan Strange op 75-jarige leeftijd. De begrafenis vond plaats bij het kerkje in het dorp in de buurt, in een kleine kring van familie, vrienden en naaste collega’s. ‘Susans man hield in horten en stoten een speech, hij kon niet stoppen met huilen.’

Tot haar laatste dag bleef Strange bezig met haar werk, op haar ziekbed schreef ze aan verschillende artikelen en om het boek Mad Money af te ronden stelde ze zelfs haar chemokuur uit. Als men in die tijd naar haar gezondheid informeerde was het antwoord steevast: ‘I’m dying, but apart from that, I’m okay.’

Haar zorgen over de staat van de wereld klonken duidelijk door in haar werk. Ze had geen hoge pet op van de prominente politici en hoge ambtenaren die het voor het zeggen hadden en die ze dagelijks had gesproken in haar tijd als journalist: ‘Ik kan niet zeggen dat ik intellectuele giganten trof. De meesten van hen leken blind voor de veranderde positie van het VK in de wereld. Ze overschatten het belang van de Commonwealth, wat op mij overkwam als de methadon van een heroïneverslaafde, als verzachting van de ontwenningsverschijnselen van een ooit post-imperialistische rol.’

Ze constateerde dat er te veel werd ingezet op de ‘speciale relatie’ met de VS en dat er weinig trek was in een hechte Europese samenwerking: ‘Verandering thuis en in het buitenlandbeleid was nodig, maar men was niet bereid deze veranderingen in gang te zetten. Hoeveel ik ook hield van de groene heuvels en de valleien van Engeland (…) ik was in toenemende mate ongeduldig met het establishment en alles waar ze voor stonden.’

In een artikel gepubliceerd na haar dood spreekt ze haar zorgen uit over de toenemende ongelijkheid. ‘Mensen kunnen veel ontberingen aan wanneer ze geloven dat het leven van hun kinderen beter zal zijn dan dat van hen’, maar ‘ongelijkheid wordt ondraaglijk wanneer men meent dat het erger wordt’. Als we het ‘casino niet afkoelen’, schreef ze in Casino Capitalism, en doormodderen op het ingeslagen pad, zullen de politieke consequenties nog groter zijn dan de economische. ‘Men zal zich of helemaal afkeren van politiek in elke vorm (…) of men zal een politieke demagoog, een kwakzalver volgen. (…) In de eerste optie wordt de overheid onstabiel en zwak, in de tweede gewelddadig, corrupt en onderdrukkend.’

Is het toeval dat de Brexit, Boris Johnson en Donald Trump opkwamen in die landen die nou net de grootste financiële sector van de wereld hebben? ‘Er is een directe link tussen over-afhankelijkheid van een financiële sector en ongelijkheid’, zegt hoogleraar Baker, verwijzend naar het fenomeen dat the finance curse heet. ‘Een grote financiële sector parasiteert op de samenleving, drukt de lonen omhoog aan de top en minimaliseert de inkomens aan de onderkant, waardoor het de sociale segregatie vergroot. Dat resulteert alles bij elkaar in een grotere ongelijkheid.’

Trump appelleerde aan de werklozen in de Rust Belt, Johnson aan de werklozen rondom de Red Wall in het noorden en midden van het land. Baker vreest voor de democratie in Engeland, en vergelijkbare zorgen over Amerika nemen met de dag toe. Want ‘als je concludeert dat het probleem is opgelost omdat de crisis is overleefd, dan zie je de politieke implicaties over het hoofd’, waarschuwde Susan Strange ons meer dan dertig jaar geleden.

Als Strange’s denken zo profetisch is, waarom is haar naamsbekendheid dan zo miniem? Dat is, denkt Robert Skidelsky, die als emeritus hoogleraar internationale politieke economie aan Warwick Universiteit in de voetsporen van Strange trad en bekend is van zijn boeken over de econoom Maynard Keynes, omdat ‘haar gedachtegoed niet terug te brengen is tot een model’. En dat is een pijnlijke constatering; de basis van haar denken is juist dat je de wereld niet moet willen bezien vanuit één mal maar haar moet nemen en bestuderen zoals zij is. Past dat niet in je model of theorie? So be it, dan pas je je theorie aan.

De Londen School of Economics is niet zomaar een universiteit, maar een die macht en aanzien geniet. Ze drukte haar stempel op de economische wetenschap zoals wij die vandaag kennen. Het is daarom verleidelijk om te denken dat de wereld er beter aan toe was geweest als de lse-collega’s van Strange een paar stappen uit de geborgenheid van hun economiefaculteit hadden gezet en naar haar hadden geluisterd. Maar als we het werk van die ene vrouw die wél anders durfde te denken vandaag nog steeds niet serieus nemen omdat het niet terug te brengen is tot een model, dan hebben we niets geleerd.


Met dank aan journalist Nat Dyer