Meer echte gevoelens

De vraag wat literatuur is, wordt bepaald door de recensenten. Het kan best zijn dat recensenten ongelijk hebben, maar dat moet dan worden aangetoond door andere recensenten; de recensent met de meeste invloed - omdat hij in de grootste krant schrijft, meedoet aan het best bekeken televisieprogramma of vanwege zijn superieure inzicht en stijl - wint.

Het is niet zo dat de schrijver die de meeste boeken verkoopt bepaalt wat literatuur is; hij bepaalt wel de stand van de cultuur.
Bestsellerlijsten geven sowieso een fraai inzicht in de stand van zaken. Het vertelt ons waarmee we bezig zijn, wat ons interesseert.
Deze week staan er twee kinderboeken op de eerste en tweede plaats op de bestsellerlijst van de CPNB. Kan te maken hebben met de kinderboekenweek. Daarna staat, op drie, Dick Swaab met Wij zijn ons brein: Van baarmoeder tot alzheimer. Pas op de tiende plaats kom ik een roman tegen van een Nederlands auteur: Vaslav van Arthur Japin. Nu heb ik dat boek gekregen, en ervan gesmuld. (Ik mag de stijl van Arthur Japin graag lezen; ik bewonder die, omdat die precies het omgekeerde is van de mijne. Hij schrijft verzorgd, bloemrijk, muzikaal, terwijl ik slordige speldenprikken op onverwachte plekken uitdeel. Dit terzijde.) Omdat ik het boek van Japin had gekregen, bekeek ik de recensies van het boek met grote interesse.
Die waren, op een uitzondering na, allemaal slecht. Onbegrijpelijk! Omdat ik de recensies van andere Nederlandse boeken weer eens las - ik was daar namelijk mee opgehouden - zag ik twee andere boeken die juist heel goed werden besproken: Tikkop van Adriaan van Dis en Het lichaam van Clara van Jan Siebelink. Hoewel ik eigenlijk alleen nog maar non-fictie lees, besloot ik deze boeken te kopen, want als Vaslav niet goed beoordeeld wordt en die andere twee wel, hoe goed zijn die dan wel niet?
Ik zal kort zijn: beide boeken waren niet aan mij besteed. Ik kreeg ze niet uit.
Maar dat was het moment waarop ik de bestsellerlijsten eens bekeek. En verdomd, daar stond Vaslav (tiende plek) hoger dan Van Dis (twaalfde) en Siebelink (vijftiende).
Gerechtigheid, maar wat voor soort gerechtigheid?
Daarvoor en daarna kinderboeken, thrillers en documentaires. De filmeditie van Tirza van Grunberg zwierf ergens rond (negentiende), en daarna kwam ik de eerste Nederlandse auteur pas op de 46e plaats tegen: F. Springer met Quadriga: Een eindspel.
Literatuur, zag ik, heeft geen invloed op ons leven.
(Op de 57e plaats stond trouwens Gerbrand Bakker met De omweg. Mag ik dat boek beleefd aanbevelen, maar ook dit terzijde.)
Thrillers, kinderboeken, documentaires en af en toe een literair snoepje - dat tekent ‘ons soort mensen’.
Ik gaf vorige week op een gymnasium een lezing over Boudewijn Büch (1948-2002). Ik had een monoloog over Boudewijn gemaakt, en droeg daaruit voor. De leerlingen (zestien, zeventien, achttien jaar, ze waren dus acht en tien toen hij stierf) wisten niet precies wie Boudewijn was. De kleine blonde dood kenden ze als film. Ze wisten dat hoofdrolspeler Antonie Kamerling zelfmoord had gepleegd. Ik probeerde uit te leggen dat ik Boudewijn niet eens zozeer als schrijver bewonderde, maar wel als fenomeen, zoiets als Andy Warhol of Madonna.
Na afloop hoorde ik mezelf zeggen dat Boudewijn beter is dan Kluun. Dat werd tegengesproken door een leerling die zei dat hij De kleine blonde dood had gelezen en Kluun, en hij vond Kluun veel beter, want emotioneler. 'Meer echte gevoelens.’
Eigenlijk las niemand in de klas. Niemand hield van Caesar, niemand hield van Tacitus, niemand hield van Livius - mijn lievelingsschrijver. Ja, een jongen met een bril, niet de catch van de klas, zag ik al, hield van de Ilias. Dat zei hij tenminste dapper.
Ik zat in een boom en keek in het nest met de jonge recensenten.