‘Meer een gloed dan een open vuur’

Willem Thies’ tweede bundel laat zien dat de dichter zich volop ontwikkelt. Maar de duisternis is er nog. Een gesprek.

De debuutbundel Toendra (2006) van Willem Thies werd door sommige recensenten weggezet als ‘puberaal’ en ‘geposeerd’. De jury van de C. Buddingh’-prijs dacht daar anders over en kende Thies (1973) twee jaar geleden de prijs toe. In haar rapport meldde zij dat Thies van dik hout ‘mooie, memorabele planken’ wist te zagen. Dit jaar presenteerde hij onder de veelzeggende titel Na de vlakte zijn tweede bundel. Zijn poëzie is observerender, beeldender en lichter geworden. Heeft hij zich de kritiek aangetrokken?
Willem Thies: ‘Niet echt. Hoewel die kritiek niet prettig was heb ik er in mijn werk nooit op gereageerd. Het is een proces dat al gaande was en waarin allerlei factoren een rol spelen. Ik was 23 toen ik de vroegste gedichten uit Toendra schreef. De fascinaties die ik op die leeftijd had, voor fenomenen als zelfmoord en geweld, zwakken af. Nog steeds ben ik geïnteresseerd in oorlog en wapens en heb ik een voorliefde voor begraafplaatsen, maar die hang naar het duistere is wat getemperd. Voor Na de vlakte schreef ik veel in het Westerpark. Volop zon en licht, een open, ruimtelijke plek. Dan krijg je heel andere gedichten dan ’s nachts op een donker zolderkamertje. Ik verhuisde naar een ruime, lichte woning. Ook daardoor ga je anders schrijven. Overigens, ik was juist blij met Toendra. De rauwheid en het duistere ervan.’
Omdat de gedichten in Toendra over een periode van tien jaar geschreven werden, is Thies’ evolutie ook in die bundel al goed te zien. De onmacht van Michelangelo is daarvan de culminatie. Het gedicht begint ingetogen en beeldend, zonder het woord ‘ik’, maar eindigt weer met doodsverwijzingen en met de regels: ‘Zoals eenieder die tot in de kern/ tracht door te dringen,/ in de huid steken blijft.// Er is een steen die men niet vormen kan naar zijn hand.’ Het lukt de dichter niet zich te onttrekken aan zijn lyrisch ik en zijn morbide fascinaties en hij uit zijn frustratie daarover in het gedicht.
‘In Na de vlakte lukt me dat in een groot aantal gedichten wél. In de hele eerste afdeling komt het lyrisch ik niet voor. Dat heeft met het kijkende, beschrijvende karakter van de gedichten te maken. In de tweede afdeling duikt dan het “ik” weer op. Toch slaag ik er ook daar in veel “ik-loze” poëzie te schrijven.’
Een goed voorbeeld van zo’n ‘ik-loos’ gedicht is Handelingen. Drie beelden tonen een moeder, een vader en een jongetje schijnbaar bezig met alledaagse dingen. Maar het jongetje ziet in de laatste strofe ‘in een gazon/ een groen leger lanspunten,/ optrekkend tegen de wind’. Zulke vanzelfsprekende verbindingen tussen fantasie en werkelijkheid, zagen we in Toendra niet.
‘Ik wilde gedichten schrijven die in de eerste plaats mooie gedichten waren. Stilistisch dus, in plaats van van de inhoud uit te gaan en over grote dingen te schrijven, grote emoties, grote thema’s. Ik wilde gedichten maken met mooie klanken. Ik probeer vaak een web te maken van klanken, zonder al te nadrukkelijk te gaan rijmen. Meer klinker- en medeklinkerrijm, al dan niet verdekt.’
Thies lijkt in Na de vlakte ook serieuzer. Alle gedichten zijn tot in detail uitgewerkt, ze hebben een meer gedragen toon, zijn minder parlando. Stonden in Toendra nog een spotdicht en een paar lichte, grappige gedichtjes, iets dergelijks is in Na de vlakte niet te vinden.
‘De luchtigheid heeft wat plaats moeten maken voor het ingetogen-beeldende; sferische, meer “poëtische” gedichten. Ik wilde gedichten schrijven waarin op het eerste gezicht niet zo veel “gebeurt”. Minder vuurwerk en paukenslagen, meer een gloed dan een open vuur. Maar ik wilde ook dicht bij de werkelijkheid blijven. De begraafplaatsen bijvoorbeeld zijn er nog, maar ze zijn meer setting dan thema en de gedichten waarin ze voorkomen zijn concreter, observerender.
Er gebeurt wel degelijk iets, natuurlijk, maar het is minder expliciet en daardoor soms des te dreigender. Het zijn langzame, sluipende veranderingen. Sfeer wordt dan heel belangrijk. De gedichten in de eerste afdeling ogen heel vriendelijk en gastvrij maar ze roepen ook het beeld op van broeierige, benauwende zomerhitte. Er is zo veel licht dat het overal een schaduw over werpt. Het is bijna onverdraaglijk, het wacht op de ontlading, het bevrijdend onweer.’
Dat is het duidelijkst in Laat water: ‘Er ligt een laag stof op wegdek en/ stoeptegels, een teerzwart dier trekt// zich terug in de schaduw, een ander ligt/ deinend op de traptreden voor de deur.’
‘Mijn gedichten ontstijgen het louter observerende. Ik beperk me niet tot beschrijven, maar zeg ook iets over de binnenkant, over veranderingen en transformaties. Ik ben blij met mijn stilistische ontwikkeling en met mijn nieuwe gedichten. Maar als ik dan weer eens een old school-gedicht schrijf, met die oude duisternis, dan is dat toch wel een verademing: het is er nog! Ik denk dat ik nu eleganter schrijf, geraffineerder en subtieler. Maar, you win some, you lose some: ik heb ook een zwak voor het rauwe en zware werk in Toendra, voor die energie. Ik probeer nu ingetogen te schrijven maar met die zelfde intensiteit. Het zal mijn eeuwige ambivalentie blijven. Enerzijds het rauwe en pure, anderzijds het verlangen om muzikaal en melodieus, ingetogen en elegant, te schrijven.’
Levendiger en gastvrijer, noemt de achterflap Na de vlakte, maar voor wie Thies’ oude duisternis mist is er nog genoeg te halen. Zo eindigt Grafrede met de regels: ‘Handen laten mij zakken./ Een zachte landing. Kluiten aarde. Duisternis.’ En in Tegenslag heet het: ‘toch flipt de gastheer fuck hem/ en mijn vriendin is mijn vriendin niet meer/ ze stinkt naar leugens en cigarillo’s’. Een onomkeerbare keuze voor lichtere poëzie maakt Thies dus niet en zijn definitieve stijl heeft hij nog niet gevonden:
‘Je moet jezelf vernieuwen, niet in herhaling vallen. Maar je moet jezelf ook trouw zijn. Je moet je eigen stem hebben. Als mensen een gedicht van mij lezen moeten ze al na één strofe zien: dat is Thies. Dat wordt alleen maar moeilijker. Vijf maanden lang kreeg ik geen compleet gedicht op papier omdat ik niet wilde dat mijn derde bundel op mijn tweede ging lijken. Ook wilde ik niet “teruggaan” naar Toendra. Dat gaf een enorme druk. Inmiddels ben ik terug bij mijn oude adagium: elk gedicht dicteert zijn eigen stijl. Ik hanteer nou eenmaal verschillende stijlen en ik moet er gewoon niet te bewust mee bezig zijn, dan komen de gedichten vanzelf.’

Willem Thies, Toendra. 521, 47 blz., € 16,90;
Na de vlakte. Podium, 48 blz., € 14,50